Parketnummer : 20-000384-17 Uitspraak : 6 september 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 23 januari 2017 in de strafzaak met parketnummer 12-996502-12 tegen: [verdachte] ., statutair gevestigd te [adres verdachte] . Hoger beroep De rechtbank heeft verdachte ter zake van het ten laste gelegde ‘valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van € 32.800. Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust: met verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen; met aanvulling van de overweging omtrent het gevoerde verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging op grond van afwezigheid van alle schuld; met uitzondering van de opgelegde straf en de strafmotivering. Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen Ten aanzien van de vermeende transporten naar [bedrijf 1] (zaak 1a) Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, behalve voor wat betreft de vierde, vijfde en zesde alinea op pagina 6, welke alinea’s beginnen met de woorden ‘Gelet op het bovenstaande (…)’ en eindigend met de woorden ‘(…) wijziging vals was’. Voornoemde alinea’s worden geschrapt en vervangen door de volgende overwegingen. De verdediging heeft in hoger beroep – op gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat uit het dossier volgt dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] niet naar waarheid hebben verklaard. Volgens verdachte heeft [bedrijf 2] met [bedrijf 1] een deal gesloten waarbij [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] de vrachten compost heeft geleverd en heeft [bedrijf 2] vervolgens aan [verdachte] . (hierna: [verdachte] ) verzocht de naam van de afnemer en de losplaats te wijzigen. [verdachte] heeft op haar beurt zorggedragen voor de mutatie waarom werd verzocht. Uit het enkele melden van deze mutatie volgt niet dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] , [bestuurder 1] en [bestuurder 2] de VZC’s valselijk hebben opgemaakt, aldus de verdediging. Het hof volgt de verdediging niet in dit verweer. Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd en in de overige inhoud van het dossier geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [bedrijf 2] . Uit het dossier en de door de rechtbank genoemde feiten (pagina’s 5-6 van het vonnis d.d. 23 januari 2017) volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat [bedrijf 2] te Lage Zwaluwe de afnemer van [verdachte] was. Dit verklaart niet alleen [bedrijf 2] , maar blijkt ook uit de door de [bedrijf 3] overgelegde originelen van de voor de afnemer bestemde doorslagen van de VZC’s (voor VZC’s 4191103 en 4191117), uit de facturen tussen [bedrijf 4] . en [verdachte] . (voor VZC 4191152) en tussen [bedrijf 5] . en [verdachte] ., alsmede uit hetgeen eerst op de VZC’s was vermeld die in de administratie van [verdachte] zijn aangetroffen. [bedrijf 6] heeft in een mail aan R. [medewerker] verzocht de VZC’s te wijzigen. (Het betrokken personeel van) [verdachte] wist dat de feitelijke losplaats niet te Dinteloord is geweest, zoals op het gewijzigde VZC is vermeld. Naar het oordeel van het hof doet de vraag of [bedrijf 2] de compost vervolgens aan [bedrijf 1] heeft geleverd en welke afspraken er tussen hen mogelijk zijn gemaakt niet ter zake. Indien [bedrijf 2] de compost nadien aan [bedrijf 1] zou leveren, zou daar door [bedrijf 2] weer een afzonderlijk VZC van moeten worden opgemaakt. Het lag niet op de weg van [verdachte] om deze gegevens (al dan niet op verzoek van [bedrijf 2] ) te wijzigen. [verdachte] heeft de compost feitelijk aan [bedrijf 2] te Lage Zwaluwe overgedragen en de ten behoeve van [verdachte] optredende natuurlijke personen wisten dit. Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van het hof vast dat de VZC’s met de nummers 4191103, 4191117 en 4191152, welke VZC’s door [verdachte] aan het Bureau Heffingen zijn gestuurd, valselijk zijn opgemaakt. De naam van de afnemer en de losplaats zijn gewijzigd in de naam en de postcode van [bedrijf 1] en (het personeel van) [verdachte] wist dat dit niet klopte. Ten aanzien van de vermeende transporten naar [bedrijf 7] . (zaak 3) In aanvulling op het vonnis overweegt het hof nog het volgende. De verdediging heeft in hoger beroep – op gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verklaringen van [bedrijf 8] en [bedrijf 9] innerlijk tegenstrijdig en ongeloofwaardig zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De VZC’s zijn ingevuld zoals [bedrijf 8] en [bedrijf 9] hebben aangegeven. Dat de registratie slordig en foutief heeft plaatsgevonden, maakt nog niet dat sprake is van het valselijk opmaken van de VZC’s, aldus de verdediging. Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [bedrijf 8] en [bedrijf 9] te twijfelen. Niet alleen [bedrijf 9] heeft verklaard dat hij de afnemer is geweest van de in de tenlastelegging onder 4, 5, 6 en 7 genoemde compost. Deze verklaring vindt onder meer steun in de door [verdachte] opgemaakte factuur voor [bedrijf 9] d.d. 29 augustus 2011 en uit de VZC’s die bij [verdachte] zijn aangetroffen. Het dossier biedt geen enkele aanwijzing dat er door [verdachte] bij [bedrijf 7] . is gelost of dat [bedrijf 8] en/of [bedrijf 9] hebben aangegeven dat [bedrijf 7] . de afnemer was. Het hof acht, gelet op het voorgaande en hetgeen de rechtbank overigens heeft overwogen (p. 7-8 van het vonnis), bewezen dat [bedrijf 9] en dus niet [bedrijf 7] . de afnemer is geweest van de genoemde compost. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het dossier en hetgeen de rechtbank heeft overwogen, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de VZC’s die door [verdachte] bij de Dienst Regelingen (DR) zijn ingediend, valselijk zijn opgemaakt. Ten aanzien van het vermeende transport naar [bedrijf 10] (zaak 9) Het hof is van oordeel dat de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 9 van het vonnis verbetering behoeft, met dien verstande dat de zin in de vierde alinea ‘ [medewerker] vond het te veel moeite om voor die bewijzen een correctieverzoek naar de DR te sturen’ hieruit wordt geschrapt. In aanvulling op deze alinea van het vonnis overweegt het hof nog het volgende. [bedrijf 11] heeft verklaard dat er afspraken met [bestuurder 1] persoonlijk zijn gemaakt en dat de afspraken over de feitelijke activiteiten liepen via [medewerker] . Verder verklaarde [bedrijf 11] dat de compost door werd geleverd en dat er vrachten rechtstreeks zijn gelost bij de afnemer, omdat hij de compost niet bij [bedrijf 10] kon opslaan. Het hof is van oordeel dat de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 10 van het vonnis verbetering behoeft, met dien verstande dat de vierde alinea die begint met de woorden ‘Door zonder controle (…)’ en eindigt met de woorden ‘tenlastelegging is vermeld’ wordt geschrapt en vervangen door de volgende overweging. Naar het oordeel van het hof moest [verdachte] bij uitstek in het geval als het onderhavige – waarbij [bedrijf 11] de transporten uitvoerde, de contacten met afnemers onderhield, de losplaatsen van de compost regelde en de gegevens van de afnemer aan [verdachte] doorgaf – onderzoek doen naar de feitelijke afnemer. [verdachte] was immers verantwoordelijk voor de juiste vermelding van de afnemer op de VZC’s en het melden van de VZC’s bij de DR. De door de verdediging in hoger beroep aangevoerde stelling dat [verdachte] de VZC’s niet invulde is onvolledig en daarmee feitelijk onjuist. Uit het dossier en de door de rechtbank genoemde feiten volgt immers dat de administratief medewerker [medewerker] de naam van [bedrijf 10] soms als afnemer doorgaf aan de DR, terwijl [bedrijf 11] de afnemer nog helemaal niet aan hem had doorgegeven. Dit, terwijl [bedrijf 11] de afnemers regelde. Gelet op de omstandigheden dat: [medewerker] in bepaalde gevallen kennelijk klakkeloos de naam van [bedrijf 10] als afnemer doorgaf aan de DR; [bestuurder 1] en [bestuurder 2] wisten dat [bedrijf 11] de afnemer [bedrijf 10] gemakshalve als afnemer opgaf; - zij wisten dat [bedrijf 11] slechts een transportbedrijf was dat de compost vervolgens naar haar eigen klanten bracht en - zij wisten dat [bedrijf 10] het bedrijf van [bedrijf 11] was en dat [bedrijf 11] bepaalde afnemers uit concurrentieoverwegingen niet door wilde geven, moeten [bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben geweten dat het adres van [bedrijf 10] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet de feitelijke losplaats van de compost door [bedrijf 11] was. Door toch zonder enige controle af te gaan op [bedrijf 10] als afnemer, hebben zij naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij een valse afnemer en losplaats aan de DR opgaven. Ten aanzien van de vermeende transporten naar [bedrijf 12] ( zaken 17 en 20) Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, behalve voor wat betreft de derde alinea op pagina 13, die begint met de woorden ‘Gelet op het bovenstaande’ en eindigt met de woorden ‘de vermelde losplaats’, en behalve voor wat betreft de vijfde, zesde en zevende alinea op pagina 13, welke alinea’s beginnen met de woorden ‘Voorts hebben [bestuurder 1] (…)’ en eindigen met de woorden ‘(…) geen bespreking meer’. Voornoemde alinea’s worden geschrapt en vervangen door de volgende overwegingen. De verdediging heeft in hoger beroep – op gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat uit het dossier volgt dat [verdachte] niet uit eigen beweging maar slechts in opdracht van [bedrijf 13] en [bedrijf 14] de mutaties heeft doorgevoerd bij de DR. [verdachte] behoefde niet aan de juistheid van de verzochte wijzigingen te twijfelen. Deze gegevens zijn voor [verdachte] niet op juistheid te controleren. Het is de verantwoordelijkheid van [bedrijf 13] , [bedrijf 14] en [bedrijf 12] om aan [verdachte] de juiste gegevens te verstrekken. Uit het enkele melden van deze mutaties volgt niet dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] de VZC’s valselijk hebben opgemaakt, aldus de verdediging. Het hof volgt de verdediging niet in dit verweer. Ten aanzien van het VZC met nummer 361548 (het onder 9 ten laste gelegde) overweegt het hof dat uit het dossier en uit de door de rechtbank genoemde feiten genoegzaam volgt dat [bedrijf 13] de afnemer van [verdachte] is geweest. Dit volgt uit het origineel van dit VZC dat in de administratie van [verdachte] is aangetroffen, uit de op 4 maart 2011 ingediende gegevens van het VZC, uit de facturen tussen [bedrijf 4] . en [verdachte] . en tussen [verdachte] . en [bedrijf 15] , alsmede uit de verklaring van [bedrijf 13] . Verder volgt hieruit dat [verdachte] het transport van de compost zelf heeft geregeld en dat [verdachte] heeft gelost te Castenray. (Het betrokken personeel van) [verdachte] wist derhalve dat de feitelijke losplaats niet te Duitsland is geweest, zoals op het gewijzigde VZC is vermeld. Naar het oordeel van het hof doet de vraag of [bedrijf 13] de compost vervolgens aan [bedrijf 12] heeft geleverd niet ter zake. Indien [bedrijf 13] de compost nadien aan [bedrijf 12] te Duitsland zou leveren, zou daar weer een afzonderlijk VZC van moeten worden opgemaakt. Het lag niet op de weg van [verdachte] om deze gegevens (al dan niet op verzoek van [bedrijf 13] of [bedrijf 12] ) te wijzigen. [verdachte] heeft de compost feitelijk aan [bedrijf 13] te Castenray overgedragen en wist dit. Ten aanzien van de doorslag van het VZC met nummer 4209380 (het onder 10 ten laste gelegde) overweegt het hof dat uit het dossier en uit de door de rechtbank genoemde feiten genoegzaam volgt dat [bedrijf 14] de afnemer van [verdachte] is geweest. Dit volgt uit de doorslag van dit VZC dat in de administratie van [verdachte] is aangetroffen, uit de op 22 november 2011 ingediende gegevens op het VZC, uit de facturen tussen [bedrijf 11] en [verdachte] en tussen [verdachte] en [bedrijf 5] ., alsmede uit de verklaringen van [bedrijf 14] . Weliswaar is deze compost door [bedrijf 11] getransporteerd, maar uit voornoemde facturen volgt dat [verdachte] wist dat de betreffende compost te Beesel is gelost en dus niet te Duitsland, zoals op het gewijzigde VZC is vermeld. Naar het oordeel van het hof doet de vraag of [bedrijf 14] de compost vervolgens aan [bedrijf 12] heeft geleverd niet ter zake. Indien [bedrijf 14] de compost nadien aan [bedrijf 12] te Duitsland zou leveren, zou daar weer een afzonderlijk VZC van moeten worden opgemaakt. Het lag niet op de weg van [verdachte] om deze gegevens (al dan niet op verzoek van [bedrijf 14] of [bedrijf 12] ) te wijzigen. [verdachte] heeft de compost – via [bedrijf 11] – feitelijk aan [bedrijf 14] te Beesel overgedragen en wist dit. Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van het hof vast dat het VZC met nummer 3691548 en de doorslag van het VZC met nummer 4209380, welke bescheiden in de administratie van [verdachte] waren opgenomen, valselijk zijn opgemaakt. De naam van de afnemer en de losplaats zijn gewijzigd in de naam en de postcode van [bedrijf 12] en (het betrokken personeel van) [verdachte] . wist dat dit niet klopte. Ten aanzien van het daderschap van de rechtspersoon Het hof is van oordeel dat de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 14 van het vonnis verbetering behoeft, met dien verstande dat de derde alinea die begint met de woorden ‘Volgens de feitelijk bestuurders’ en eindigt met de woorden ‘dader van de strafbare feiten’ wordt geschrapt en vervangen door de volgende overweging. Het hof heeft hierboven per zaak overwogen dat naar zijn oordeel bij de ten behoeve van [verdachte] . optredende betrokken natuurlijke personen sprake is van opzettelijk handelen. De geconstateerde verboden gedragingen (het valselijk opmaken van de VZC’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.