GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 17/00598 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 18 juli 2017, nummer ROE 16/2108 in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] hierna: de Heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 29 februari 2016 krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde voor de onroerende zaak [adres 1] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) per de waardepeildatum 1 januari 2015 (hierna: de waardepeildatum) voor het belastingjaar 2016 vastgesteld op € 1.741.000. De beschikking is in één geschrift vervat met de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2016 (hierna: de aanslag ozb). Het tegen de beschikking en de aanslag gemaakt bezwaar is, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar, ongegrond verklaard. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de vastgestelde waarde verminderd tot € 1.666.000 en bepaald dat de Heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 334 aan belanghebbende vergoedt. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 november 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer [A] , als vertegenwoordiger van belanghebbende, vergezeld door de heer [B] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [de ambtenaar] . 1.5. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende is eigenaresse van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een bedrijfspand, bouwjaar 2008, met onder meer een loods van 1.647 m², drie kantoorruimten van elk 325 m², een werkruimte van 404 m² en 48 parkeerplaatsen. Het is gelegen binnen de hekken van [C] . Op (een gedeelte van) de grond van de onroerende zaak heeft belanghebbende een recht van (onder)erfpacht. 2.2. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde een taxatierapport overgelegd dat is gedateerd op 5 januari 2017 en opgemaakt door taxateur [taxateur] . In het taxatierapport is aan de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2015 een waarde in het economische verkeer van € 1.741.000 toegekend. Naast gegevens betreffende de onroerende zaak, waaronder beeldmateriaal, bevat dit rapport gegevens van de volgende objecten die zijn gelegen nabij [C] . Dit betreft de objecten [adres 2] te [plaats] en [adres 3] te [plaats] . [adres 2] is een bedrijfspand van het bouwjaar 1998 met kantoorruimten van respectievelijk 300, 180 en 100 m², een opslag- annex magazijnruimte van 900 m², een werkruimte van 565 m², een archiefruimte van 53 m², een showroom van 120 m², een luifel van 175 m² en 20 parkeerplaatsen. Dit object is per 1 januari 2016 verhuurd voor € 138.000,- per jaar. Het object aan de [adres 3] is een bedrijfspand van het bouwjaar 2004 met kantoorruimten van respectievelijk 191 en 347 m², een opslag- annex magazijnruimte van 952 m², een balie/receptie van 130 m² en 32 parkeerplaatsen. Dit object beschikt tevens over 766 m² extra grond en is op 18 april 2016 verkocht voor € 1.200.000. Het rapport vermeldt dat bij deze verkoop de taxateur de kapitalisatiefactor heeft bepaald op 10. De waarde van het onderhavig object bedraagt volgens dit rapport € 1.741.000. 2.3. De onroerende zaak is op verzoek van belanghebbende op 19 augustus 2015 getaxeerd door [D] , ten behoeve van de zekerheidstelling van leningen. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum juist, althans niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 1.540.000, € 1.161.000 of lager en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag ozb. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde “de prijs welke door de meest biedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44). 4.2. De in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) neergelegde regels voor de onderbouwing en uitvoering van de waardebepaling bevatten hulpmiddelen om de waarde van een onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ te berekenen. Volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling kan de waarde, bedoeld in de hiervóór in overweging 4.1 genoemde wetsbepaling, van niet-woningen, zoals de onderhavige onroerende zaak, onder meer bepaald worden door middel van een methode van kapitalisatie van de huurwaarde. Bij deze HWK-methode wordt aan de hand van een vergelijking met marktconforme, gerealiseerde bruto huurprijzen van vergelijkbare objecten, de huurwaarde van een object bepaald. Deze huurwaarde wordt vervolgens vermenigvuldigd met een (referentie) kapitalisatiefactor die de resultante is van de verkoopprijs van een of meerdere vergelijkba(a)r(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.