GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team handelsrecht zaaknummer 200.137.550/01 arrest van 5 november 2019 in de zaak van Dexia Nederland B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante,advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde,advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, op het bij exploot van dagvaarding van 8 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 augustus 2013, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen appellante (hierna Dexia) als eiseres en geïntimeerde (hierna [geïntimeerde] ) als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 715062 CV EXPL 12-2543) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, met producties; de memorie van antwoord, met producties; de akte van [geïntimeerde] van 8 april 2014, met producties; de antwoordakte van Dexia van 6 mei 2014; de akte van Dexia van 13 juni 2017, met producties; de antwoordakte van [geïntimeerde] van 11 juli 2017, met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast. [geïntimeerde] was eind 2001 30 jaar oud. Hij was ongehuwd. Hij woonde in bij zijn ouders. Hij had een LBO-opleiding. Hij was vrachtwagenchauffeur. Zijn inkomen bedroeg € 2.277,67 per maand netto. Hij had geen vermogen. De door Dexia ingeschakelde verkooporganisatie Spaar Select heeft [geïntimeerde] bij zijn ouders benaderd nadat een verkoopmedewerker met zijn ouders had gesproken. Deze verkoopmedewerker, [verkoopmedewerker] , heeft voorgespiegeld dat [geïntimeerde] zou sparen en dat hij het contract te allen tijde kon stopzetten. [verkoopmedewerker] heeft niet gezegd dat bij voortijdige opzegging over de resterende looptijd 50% van de resterende maandbedragen (rente) moest worden betaald. De doelstelling van [geïntimeerde] was sparen ter aflossing van een schuld, niet speculeren, waarmee de tussenpersoon bekend was. Spaar Select presenteerde zich daarbij als onafhankelijk en deskundig adviseur. [geïntimeerde] heeft op 7 december 2001 als lessee, door tussenkomst van Spaar Select BV (tussenpersoon), met (de rechtsvoorganger van) Dexia een effectenlease-overeenkomst gesloten genaamd Privé Pensioen Effect Maandbetaling met de volgende kenmerken: lening € 19.729,57, looptijd 240 maanden, termijnbedrag € 226,89 (eerste 120 maanden) en 13,8% over het aankoopbedrag van de waarden, minus een korting. Dexia heeft de overeenkomst tussentijds beëindigd. Dexia heeft [geïntimeerde] een eindafrekening toegezonden. Daaruit bleek een restschuld van € 29.380,44. [geïntimeerde] heeft een opt-out verklaring uitgebracht waardoor hij niet gebonden is aan de zogeheten Duisenbergregeling. 3.2. Dexia heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen € 9.252,16 aan haar te betalen, met rente en kosten. 3.3. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis het gevorderde afgewezen en Dexia in de proceskosten veroordeeld. 3.4. Dexia heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen. 3.5. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van dat vonnis. 3.6. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.7. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [geïntimeerde] , gelet op de handelwijze van Spaar Select en de wetenschap van Dexia, eigen schuld heeft. 3.8. Het hof stelt vast dat deze zaak overeenkomsten vertoont met de zaken die aan de orde waren in zijn arresten van 16 juli 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:2531) en 19 maart 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:1023), maar moet ook constateren dat het zijn benadering in die zaken in deze zaak niet kan toepassen, nu partijen ofwel de daartoe benodigde stukken (grotendeels) niet in het geding hebben gebracht dan wel omdat de reikwijdte en strekking van de grieven en de overige standpunten van partijen dat niet toelaten. 3.9. Het hof heeft in een andere zaak bij arrest van 22 oktober 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3858) het volgende overwogen: 3.4.2. Het hof stelt hierbij het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand zijn gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als bemiddelaar optrad. Daarmee is Spaar Select bij de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wte. Een effectenbemiddelaar die mogelijk cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. Spaar Select had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 Wte, om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden. Zij kon echter aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Wte om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. Zoals de Hoge Raad ook overweegt in rov. 4.6.1. van zijn arrest van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) was de reden van deze vrijstelling dat de instelling bij wie de cliënt wordt aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Het stond Spaar Select als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur (rov. 4.6.3. en rov. 4.7. van voornoemd arrest van de Hoge Raad). Ten aanzien van de verplichting tot schadevergoeding van een aanbieder van een effectenleaseproduct (zoals Dexia) wegens schending van diens precontractuele zorgplicht heeft de Hoge Raad in meergenoemd arrest onder meer het volgende overwogen: “6.1 Gelet op het karakter van dit geding als proefprocedure, en in verband met de wenselijkheid dat, gelet op de massaliteit van vorderingen als de onderhavige, nog aanhangige procedures kunnen worden afgedaan aan de hand van duidelijke maatstaven, ziet de Hoge Raad aanleiding om samenvattend nog het volgende te overwegen. 6.2.1 Indien de aanbieder van een effectenleaseproduct zijn precontractuele zorgplicht als bedoeld in het arrest [...] / Dexia niet is nagekomen, en hij dus onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de particuliere belegger die een zodanig product heeft aangeschaft, is de aanbieder tegenover de particuliere belegger verplicht de schade die laatstgenoemde dientengevolge lijdt, te vergoeden. Die schade is echter mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (zie het zojuist genoemde arrest). Daarom dient als uitgangspunt dat de vergoedingsplicht van de aanbieder dient te worden verminderd door deze op de voet van art. 6:101 BW over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen naar de maatstaf 1 (de particuliere belegger) staat tot 2 (de aanbieder). 6.2.2 Indien de aanbieder had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden, dient de schade naar de hiervoor in 6.2.1 bedoelde maatstaf tussen partijen te worden verdeeld zowel wat betreft de eventuele restschuld als wat de reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Indien echter geen sprake was van een onaanvaardbaar zware last als vorenbedoeld, dient uitsluitend het bedrag van de eventuele restschuld naar deze maatstaf tussen partijen te worden verdeeld en strekt de verplichting tot schadevergoeding van de aanbieder zich niet mede uit over de door de afnemer betaalde rente, aflossing en kosten. 6.2.3 Indien echter de particuliere belegger als potentiële cliënt bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, dient te worden afgeweken van de hiervoor in 6.2.1 en 6.2.2 vermelde uitgangspunten in die zin dat de billijkheid dan in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden.” In rov. 5.6.1. van dit arrest heeft de Hoge Raad nog als volgt overwogen: “Ter voorkoming van mogelijk misverstand ziet de Hoge Raad aanleiding in dit verband op te merken dat niet mede behoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van [eiser] mede als beleggingsadviseur optrad.(…)”. 3.4.3. Het voorgaande oordeel van de Hoge Raad brengt mee dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zowel voor wat betreft de restschuld als voor de door [geïntimeerde] betaalde termijnen uit hoofde van rente en aflossing), en dus ongeacht of er sprake was van een financieel onaanvaardbare last aan de kant van [geïntimeerde] indien: - Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht, en - Dexia hiervan op de hoogte was dan wel behoorde te zijn. Voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, hoeft slechts te worden beoordeeld of [geïntimeerde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door Spaar Select in de uitoefening van haar bedrijf is geadviseerd en of Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. 3.4.4. [ geïntimeerde] stelt in dit verband het volgende. Begin 2001 is [geïntimeerde] ongevraagd meerdere malen telefonisch benaderd door (de [vestiging] vestiging van) Spaar Select. Bij gelegenheid van deze gesprekken werd door Spaar Select aangedrongen op het maken van een afspraak met een adviseur die de door Spaar Select geselecteerde bankproducten graag persoonlijk aan [geïntimeerde] zou willen toelichten. [geïntimeerde] maakte, gezien zijn onervarenheid op dit gebied, een afspraak en nodigde voor die gelegenheid tevens enkele kennissen/collega’s uit. Bij de daaropvolgende presentatie in maart 2001 van de heer [medewerker van spaar select] van Spaar Select, adviseerde deze [geïntimeerde] onder meer om zijn bestaande hypotheek te verhogen en dit geld in een aantal producten, waaronder het “4=10 Effect” van Labouchère (de rechtsvoorganger van Dexia) te steken. [geïntimeerde] heeft toen overduidelijk en uitdrukkelijk aan genoemde adviseur van Spaar Select aangegeven dat hij, ten behoeve van de vervolgopleidingen van zijn dochters, voor een periode van vier jaar maandelijks een bedrag van fl. 1000,- (€ 453,78) wilde reserveren en dit bedrag op een veilige manier wilde laten renderen, in die zin dat risico op verlies was uitgesloten. De adviseur van Spaar Select beval in dit kader het “4=10 Effect” aan, waarvan de looptijd minimaal vier jaar zou bedragen. Na het vierde jaar zou [geïntimeerde] op ieder gewenst moment kunnen stoppen. Zodoende zou [geïntimeerde] volgens [medewerker van spaar select] de uitkering naar believen kunnen uitstellen en af kunnen stemmen op de dan actuele gezinssituatie. Aan [geïntimeerde] werden verschillende uitkeringen behorend bij de verschillende looptijden in het vooruitzicht gesteld. [geïntimeerde] heeft [medewerker van spaar select] gevraagd om een schriftelijke bevestiging van de hem in het vooruitzicht gestelde uitkeringen. Deze bevestiging is hem door [medewerker van spaar select] bij brief van 24 april 2001 verstrekt (productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie). Direct na deze bevestiging heeft [geïntimeerde] aan Spaar Select medegedeeld dat hij van het verstrekte advies gebruik wilde maken. Daarop heeft de adviseur van Spaar Select de twee overeenkomsten ter ondertekening aan [geïntimeerde] en zijn echtgenote voorgelegd en hebben zij deze ondertekend. [geïntimeerde] heeft voorafgaand aan en tijdens het contracteren geen contact met Dexia gehad. Dexia had daarom kunnen en moeten onderkennen dat aan het contracteren met [geïntimeerde] verboden advisering door Spaar Select ten grondslag lag, en had zich dus van contracteren met [geïntimeerde] moeten onthouden, aldus [geïntimeerde]. 3.4.5. Dexia heeft in dit verband aangevoerd dat de overeenkomsten niet telefonisch door middel van een tussenpersoon tot stand zijn gekomen, en dat [geïntimeerde] voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden alvorens de overeenkomsten te sluiten. Verder ontkent Dexia al hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld over Dexia’s bekendheid met de wijze waarop [geïntimeerde] zou zijn geadviseerd. Dexia stelt niet betrokken te zijn geweest bij de gesprekken tussen [geïntimeerde] en zijn adviseur en niet te weten of deze specifieke beleggingsproducten heeft aangeprezen en of/wat over de belegginsdoelstelling is besproken. Bij gebrek aan wetenschap betwist Dexia al wat [geïntimeerde] over de handelwijze van Spaar Select rondom de totstandkoming van de overeenkomsten heeft gesteld. 3.4.6. Het hof is van oordeel dat Dexia de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerde] over de wijze waarop hij door [medewerker van spaar select] van Spaar Select is geadviseerd over het afnemen van beleggingsproducten van Dexia, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De rechtbank heeft in rov. 3.1. onder a. geoordeeld dat “verkooporganisatie Spaar Select” door Dexia is ingeschakeld. Dexia heeft hier niet (voldoende kenbaar) tegen gegriefd. Daarom moet als vaststaand worden aangenomen dat Spaar Select door Dexia is ingeschakeld om te bemiddelen bij het sluiten van de overeenkomsten. Gelet op: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.