GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.216.589/01 arrest van 12 november 2019 in de zaak van [beheer 1] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, in eerste aanleg: gedaagde, advocaat: mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg, tegen mr. Egbertus Gerardus Maria van Ewijk, in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Tooling Technology Experts B.V., voorheen genaamd [Mould] Mould Making Experts B.V., kantoorhoudende te [kantoorplaats] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, advocaat: mr. E.G.M. van Ewijk te 's-Hertogenbosch, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 oktober 2017 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/273765 HAZA 14-67 gewezen vonnissen van 10 september 2014 en 18 januari 2017. De partijen zullen hierna weer worden aangeduid als [appellante] en de curator. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 17 oktober 2017; de memorie van antwoord van de curator met twee producties; de akte van [appellante] met vier producties; de akte van de curator met dertien producties. Vervolgens is op verzoek van [appellante] pleidooi bepaald. Het pleidooi heeft op 4 oktober 2019 plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitnota’s die bij de processtukken zijn gevoegd. Het hof heeft daarna de datum voor arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1 Bij genoemd tussenarrest heeft het hof op de voet van artikel 843a Rv de curator gelast [appellante] kort gezegd inzage te geven in de boekhouding en administratie van de gefailleerde [Mould] -vennootschappen. Het resultaat daarvan is neergelegd in een rapportage van de accountant van [appellante] van 6 april 2018, die door [appellante] na de memorie van antwoord van de curator in het geding is gebracht bij akte. De curator heeft vervolgens bij akte op die rapportage gereageerd. 2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] is een vennootschap van [enig aandeelhouder en bestuurder] (hierna: [enig aandeelhouder en bestuurder] ). [enig aandeelhouder en bestuurder] is ook enig aandeelhouder en middellijk bestuurder van [group] B.V. (hierna: [group] ). Via [group] nam [enig aandeelhouder en bestuurder] met nog twee andere aandeelhouders deel in [Mould] Mould Making Experts B.V. (hierna: [Mould] ). De andere twee aandeelhouders waren Blacksmith B.V., een vennootschap van de heer [vennoot van Blacksmith] , en [beheer 2] B.V., een vennootschap van de heer [vennoot van beheer 2] . De onderneming die [Mould] dreef, produceerde matrijzen. [Mould] was de moedermaatschappij van [holding] Deze vennootschap fungeerde als holding voor twee dochtervennootschappen: [Mould] Mould Making Experts B.V. (hierna: Experts) en [international] Moulding International B.V. (hierna: International). Experts was de werkmaatschappij terwijl onder International enkele vennootschappen hingen die actief waren in China en Hong Kong. Op enig moment heeft [group] een bedrag van € 31.902,00 aan [Mould] uitgeleend tegen een rente van 4,5% per jaar. Verder kwam International rond 17 maart 2011 met de drie aandeelhouders in [Mould] overeen dat ieder van hen een bedrag van € 100.000,00 beschikbaar zou stellen. Dit was omdat de vennootschappen in China en Hong Kong behoefte hadden aan liquiditeit en de bank niet bereid was daarvoor krediet te verstrekken. Volgens [appellante] zijn die gelden ten titel van lening verstrekt, volgens de curator is er sprake geweest van kapitaalstortingen. [group] heeft vervolgens net als de andere twee aandeelhouders € 100.000,00 gestort op de bankrekening van een dochter van International, [Mould] [vestigingsnaam] B.V. Begin 2012 had [enig aandeelhouder en bestuurder] geld nodig voor een eigen project in Frankrijk. Na overleg met de andere aandeelhouders, is er vervolgens door Experts aan [appellante] een bedrag van € 100.000,00 betaald. Daarna is er tussen [enig aandeelhouder en bestuurder] en de andere aandeelhouders alsmede de boekhouder en de accountant van de [Mould] -onderneming enkele keren besproken hoe de betaling van Experts aan [appellante] in de boeken moest worden opgenomen. Gedurende het jaar 2012 is de betaling op verzoek van [enig aandeelhouder en bestuurder] geadministreerd geweest als aflossing op het bedrag van € 100.000,00 dat volgens [appellante] in 2011 door [group] aan International is geleend. In 2013 is dat bij het opstellen van de jaarrekening door de accountant echter gewijzigd en is de betaling extracomptabel geadministreerd als door Experts aan een derde uitgeleend geld (waarover onder rov. 2.9 meer). In 2012 is aan [group] door International geen rente betaald over het bedrag van € 100.000,00 dat in 2011 is gestort op de rekening van [Mould] [vestigingsnaam] B.V., terwijl aan de andere aandeelhouders daarvoor wel rente is betaald. Er is over het boekjaar 2012 echter wel rente geadministreerd door International en in haar boeken opgenomen ten behoeve van [group] . In juni 2013 is [Mould] in staat van faillissement verklaard, evenals alle Nederlandse dochtervennootschappen. De curator is toen als zodanig aangesteld. De curator heeft de vennootschappen die in Hong Kong en China actief waren inmiddels verkocht. [appellante] en [group] zijn niet failliet. 2.3 De curator stelt primair dat de betaling begin 2012 van € 100.000,00 van Experts aan [appellante] een lening is geweest, die door [appellante] moet worden terugbetaald. Subsidiair is de curator van mening dat het geld zonder recht of titel is betaald en dat het daarom als zijnde onverschuldigd betaald moet worden terugbetaald. Meer subsidiair wordt door de curator nog gesteld dat er paulianeus is gehandeld. 2.4 [appellante] stelt dat de betaling van begin 2012 aan haar een terugbetaling is geweest van de lening die in 2011 door [group] aan International is verstrekt. Daarmee is de vordering van de curator komen te vervallen. Het was weliswaar de bedoeling dat dit tijdelijk was en dat het geld opnieuw zou worden geleend aan de onderneming, zo heeft [enig aandeelhouder en bestuurder] bij gelegenheid van het pleidooi verklaard, maar in de loop van 2012 werd hem duidelijk dat de andere aandeelhouders malversaties hadden gepleegd, waardoor [appellante] , althans [enig aandeelhouder en bestuurder] , eind 2012 niet langer bereid was het geld weer in de onderneming te investeren via een lening. 2.5 De rechtbank heeft, na het horen van getuigen over kort gezegd de vraag of in januari 2012 tussen [Mould] en [appellante] een lening is gesloten (standpunt curator) of dat toen tussen International en [group] een terugbetaling is overeengekomen (standpunt [appellante] ), de vordering van de curator toegewezen. 2.6 Onder aanvoering van 15 grieven komt [appellante] tegen het vonnis van de rechtbank op. Met haar grieven 2 tot en met 4, die vooral gericht zijn op het tussenvonnis, lijkt zij te willen betogen dat uit de vordering van de curator onvoldoende duidelijk blijkt dat hij naast de primaire grondslag voor zijn vordering – terugbetaling van een lening – subsidiair uit hoofde van onverschuldigde betaling ageert. De dagvaarding zou op dat punt onvoldoende duidelijk zijn geweest. Wat hier ook van zij, in hoger beroep is inmiddels duidelijk dat de curator primair meent dat het geld is geleend en de vordering tot terugbetaling van de lening opeisbaar is en subsidiair dat het bedrag van € 100.000,00 onverschuldigd is betaald. Daarmee falen de grieven. 2.7 Met de grieven 5 tot en met 15 komt [appellante] op tegen het in het eindvonnis vervatte oordeel van de rechtbank dat zij het bedrag van € 100.000,00 aan de boedel moet betalen. Mede gelet op de wijze waarop het debat zich in hoger beroep heeft ontwikkeld, lenen deze grieven zich voor gezamenlijke bespreking. 2.8 Ook in hoger beroep heeft de curator primair gesteld dat de bedragen van telkens € 100.000,00 die de drie aandeelhouders in 2011 aan International ter beschikking hebben gesteld, kapitaalstortingen zijn geweest. Volgens [appellante] waren dit leningen. Wanneer veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat dit inderdaad, zoals de curator subsidiair stelt, leningen zijn geweest – de stukken bevatten daarvoor overigens ook wel enige aanwijzingen – heeft het volgende te gelden. 2.9 In 2011 is dan € 100.000,00 door [group] aan International geleend. Vervolgens is in 2012 door Experts € 100.000,00 aan [appellante] betaald. Volgens [appellante] is dit een terugbetaling op de lening van 2011 geweest. Uitgangspunt bij de terugbetaling van een lening is dat, wil sprake zijn van een bevrijdende betaling, de betaling aan de uitlener moet geschieden. Het feit dat een derde (Experts) de schuld van een ander (haar zustervennootschap International) kan aflossen, maakt dit niet anders. Ook dan moet de terugbetaling in beginsel plaatsvinden aan de uitlener, dus [group] . Dat is hier niet gebeurd. Vast staat dat het geld naar [appellante] is gegaan. Dit laatste ofschoon in de door de curator in zijn laatste akte als productie 11 overgelegde jaarrekening 2012 van Experts in de toelichting op de balans (pagina 15) staat vermeld dat de lening is verstrekt aan [group] . Het hof houdt het ervoor dat dit een vergissing is, nu ook geen van partijen stelt dat Experts aan [group] een lening heeft verstrekt (de curator stelt immers dat het geld is geleend aan [appellante] , terwijl [appellante] stelt dat het een terugbetaling aan [group] is geweest). Daar waar verder niet is gebleken van een eigen betalingsverplichting van Experts aan [appellante] , kan de curator volstaan met te stellen dat het door Experts verstrekte bedrag van € 100.000,00 is uitgeleend dan wel onverschuldigd is betaald aan [appellante] . Omdat de vordering van de curator op die grond in beginsel zou kunnen worden toegewezen, is het aan [appellante] om te stellen dat er sprake is van feiten die aan toewijzing van die vordering in de weg staan. 2.10 Volgens [appellante] is er sprake geweest van een vergissing omdat het geld niet bij haar terecht moest komen, maar bij [group] . Dan had het echter op haar weg gelegen om het geld meteen terug te storten en Experts te verzoeken het geld te betalen aan [group] . Daarvan is niet gebleken. Verder had het bijvoorbeeld ook nog zo kunnen zijn
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.