GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 18/00103 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 februari 2018, nummer BRE 17/6561, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende de hierna te vermelden beschikking. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2017 bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2016 voor het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 op € 216.000 vastgesteld (hierna: de WOZ-beschikking). De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak van 27 september 2017 niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.5. De brieven van belanghebbende van 9 augustus 2018 en 1 oktober 2018 zijn door de griffier bij brief van 11 december 2018 naar de Heffingsambtenaar gezonden, waarbij hij in de gelegenheid is gesteld te reageren. De Heffingsambtenaar heeft op 18 december 2018 telefonisch bericht niet te willen reageren en geen prijs te stellen op een onderzoek ter zitting. 1.6. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. De WOZ-beschikking is gedagtekend 28 februari 2017. Op 26 maart 2017 is door [A BV] ( [A] ) bezwaar gemaakt tegen deze WOZ-beschikking. In het bezwaarschrift is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Namens [belanghebbende] te [woonplaats] , cliënt, maak ik op nog nader aan te geven gronden bezwaar tegen uw opgemelde WOZ beschikking. Hiervan treft u bijgaand een afschrift. Cliënt verzoekt in ieder geval om een vergoeding op grond van artikel 7:15 Awb wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast verzoek ik u om telefonisch te worden gehoord ter zake van dit bezwaarschrift. Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden.” 2.2. Met dagtekening 30 maart 2017 stuurt de Heffingsambtenaar een brief aan [A BV] waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen: “Onderwerp: Ontvangstbevestiging pro-forma bezwaarschrift (…) Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw pro-forma bezwaarschrift tegen het aanslagbiljet/WOZ-beschikking. Ik vestig er de aandacht op dat de motivering van uw bezwaarschrift uiterlijk 10 mei 2017 ontvangen moet zijn. Machtiging Ik vestig er de aandacht op dat u nog een machtiging over moet leggen voordat ik het bezwaarschrift kan behandelen. (…)”. 2.3. Met dagtekening 11 mei 2017 stuurt de Heffingsambtenaar een brief aan [A BV] waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen: “Onderwerp: Verzoek om nadere motivering inzake uw bezwaarschrift (…) (…) Hierbij deel ik u mede dat ik uw bezwaarschrift (…) nog niet in behandeling kan nemen aangezien het bezwaarschrift nog niet is gemotiveerd. Ik verzoek u deze informatie alsnog binnen 4 weken na dagtekening van deze brief toe te sturen. (…)”. 2.4. Op 16 augustus 2017 stuurt de Heffingsambtenaar een emailbericht aan [A] waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen: “Geachte heer, Op 26 maart 2017 diende u bezwaar in tegen de woz-waarde van [adres] [woonplaats] , namens [belanghebbende] . Op 30 maart 2017 zond ik u een ontvangstbevestiging en verzocht ik u voor 10 mei 2017 nader te motiveren en een machtiging van client te overleggen. Bij uitblijven van uw reactie verzocht ik u op 11 mei 2017 nogmaals binnen 4 weken te motiveren c.q. om de machtging. Ik heb nog geen reactie ontvangen en ik vraag u die spoedig, voor 1 september 2017, te geven. (…)”. 2.5. Op 7 september 2017 stuurt de Heffingsambtenaar het in 2.4 vermelde bericht nogmaals per email naar [A] en vermeldt daarbij, voor zover hier van belang, het volgende: “Geachte heer, Graag ontvang ik spoedig een reactie op onderstaande mail. Gelet op mijn meerdere verzoeken om uw bezwaargronden, zal ik bij uitblijven van die gronden, na 18 september 2017 uitspraak doen. (…)”. 2.6. Een reactie op de voorgaande brieven en e-mails is uitgebleven. De Heffingsambtenaar heeft op 27 september 2017 uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij hij het bezwaar niet‑ontvankelijk verklaart wegens het ontbreken van de bezwaargronden en een machtiging. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard. Meer in het bijzonder is in geschil: 1. Voldoet het bezwaarschrift van 26 maart 2017 aan de eisen die mogen worden gesteld aan het motiveren van een bezwaar als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)? 2. Is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet(-tijdig) indienen van een machtiging? Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing naar de Heffingsambtenaar. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden 4.1. Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, van de Awb dient het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. De inhoud van de eis die ingevolge deze bepaling aan een bezwaarschrift wordt gesteld, hangt onder meer samen met de mate waarin het bestuursorgaan de bestreden beschikking heeft gemotiveerd. 4.2. Voor het eerst in hoger beroep (in zijn brief van 9 augustus 2018) stelt belanghebbende dat het bezwaar niet wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard, omdat het tot motivering van de WOZ-beschikking dienende taxatieverslag niet met die WOZ-beschikking is meegezonden en ook niet uiterlijk een week na de bekendmaking van de WOZ-beschikking is nagezonden, hoewel in het bezwaarschrift uitdrukkelijk om toezending van de zaakstukken is verzocht. 4.3. De Heffingsambtenaar heeft – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld – niet gereageerd op deze stelling van belanghebbende. Omdat niet is weersproken dat het tot motivering van de WOZ-beschikking dienende taxatieverslag niet is meegezonden of uiterlijk een week na de bekendmaking van die WOZ-beschikking is nagezonden, neemt het Hof dit als vaststaand aan. 4.4. Omdat de stukken van het geding verder geen aanwijzingen bevatten dat belanghebbende ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift anderszins op de hoogte was van de onderbouwing van de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde, kan met betrekking tot de motivering van het tegen de WOZ-beschikking gerichte bezwaar geen verdere eis worden gesteld dan dat uit het bezwaarschrift blijkt dat de indiener daarvan zich met de vastgestelde waarde niet kan verenigen. Volstaan kan worden met de mededeling dat bezwaar wordt gemaakt tegen de WOZ-beschikking. Aan de ontvankelijkheid van het bezwaar doet dan niet af dat in het bezwaarschrift een nadere motivering wordt aangekondigd, en dat die nadere motivering niet is gegeven, hoewel daarvoor door de Heffingsambtenaar meermalen de gelegenheid is geboden. Die omstandigheden kunnen immers niet bewerkstelligen dat het bezwaarschrift, dat ten tijde van de indiening voldeed aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, daaraan nadien niet meer voldeed (vgl. HR 24 januari 2014, nr. 13/03868, ECLI:NL:HR:2014:86, HR 8 maart 2002, nr. 34993, ECLI:NL:HR:2002:AD9881, en HR 25 juli 2000, nr. 34990, ECLI:NL:HR:2000:AA6597). 4.5. Hiervan uitgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende met de onder 2.1 weergegeven inhoud van het bezwaarschrift, een bezwaarschrift heeft ingediend dat beantwoordt aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, aangezien dat geschrift zich niet anders laat uitleggen dan dat belanghebbende bezwaar heeft tegen de waardevaststelling waarop de beschikking is gebaseerd. 4.6. Dit betekent dat de Heffingsambtenaar het bezwaarschrift niet vanwege het ontbreken van gronden niet-ontvankelijk had mogen verklaren. 4.7. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is mede gebaseerd op de omstandigheid dat geen machtiging is ingediend. Op grond van artikel 2:1, lid 1, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Hieruit volgt dat de Heffingsambtenaar van [A] mocht verlangen dat een volmacht werd overgelegd waaruit bleek dat [A] (dan wel [A BV] ) gerechtigd is namens belanghebbende bezwaar te maken. 4.8. De Heffingsambtenaar heeft diverse malen, per reguliere post en per e-mail, [A] erop gewezen dat een dergelijke machtiging ontbrak en hem in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen (zie hiervóór onder 2.2, 2.4 en 2.5). Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat op de e-mails geen acht kan worden geslagen, omdat hij geen toestemming heeft verleend voor communicatie langs deze (elektronische) weg. Het Hof verwerpt die stelling. Het Hof stelt op basis van de gedingstukken vast dat het bezwaar door [A] per e-mail is ingediend. Daarmee is, zij het impliciet, voldoende kenbaar gemaakt dat [A] via dat adres bereikbaar was. Het Hof ziet ook geen aanleiding om aan te nemen dat de bedoelde e-mails [A] niet hebben bereikt. Het e-mailadres dat ter gelegenheid van indiening van het bezwaarschrift is gebruikt, stemt overeen met het e-mailadres dat in diverse andere stukken van [A] is vermeld. Dit door [A] gehanteerde e-mailadres is ook het e-mailadres waar de Heffingsambtenaar zijn e-mails aan heeft gericht. Het Hof zal derhalve mede acht slaan op de inhoud van de bedoelde e-mails. 4.9. De Heffingsambtenaar heeft in de bedoelde brief en e-mails weliswaar gewezen op het ontbreken van een bewijs van machtiging, maar hij heeft niet erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard indien het verzuim niet zou worden hersteld. Wel heeft de Heffingsambtenaar in de onder 2.5 vermelde e-mail tot uitdrukking gebracht dat hij na 18 september 2017 uitspraak op het bezwaar zou doen. 4.10. Vaststaat dat [A] bij het indienen van het bezwaarschrift geen schriftelijke machtiging heeft overgelegd, dat dit verzuim niet binnen de daartoe door de Heffingsambtenaar gestelde termijnen is hersteld en dat evenmin binnen die termijnen om uitstel voor verzuimherstel is verzocht. 4.11. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de Heffingsambtenaar het bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk mocht verklaren, gelet op het feit dat in de bedoelde brief en e-mails niet de waarschuwing was vermeld dat het bezwaar niet‑ontvankelijk kon worden verklaard. De Rechtbank heeft omtrent het ontbreken van die waarschuwing het volgende overwogen: “2.6.1. Vooropgesteld moet worden dat in artikel 6:6 van de Awb niet de eis wordt gesteld dat bij het geven van gelegenheid tot herstel van het verzuim gewezen wordt op de mogelijke niet‑ontvankelijkverklaring indien dat herstel niet (tijdig) gebeurt. 2.6.2. Dat neemt niet weg dat als uitgangspunt wel geldt dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat een dergelijke waarschuwing moet worden opgenomen in een brief waarin een belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen (zie bijv. ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1399 en CRvB 27 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1759, alsmede in belastingzaken bijv. Hof ’s‑Hertogenbosch 6 augustus 2011, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO7038). Indien dat niet is gebeurd, kan in de regel het desbetreffende rechtsmiddel niet niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 6:6 Awb. 2.6.3. Het ligt niet voor de hand dat de in 2.6.2 vermelde regel absoluut is, te meer niet nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.