GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummers : 200.258.899/01 en 200.258.899/02 zaaknummer rechtbank : C/02/347089 FA RK 18-3664 beschikking van de meervoudige kamer van 12 december 2019 in de zaak 200.258.899/01 [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. L.D.H. Lesmeister te Almere, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M. Bredius te Gorinchem, alsmede in de zaak 200.25.899/02 [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. L.D.H. Lesmeister te Almere, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M. Bredius te Gorinchem, 1Het verloop van het geding in eerste aanleg In beide zaken Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 13 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep In zaak 200.258.899/01 2.1 De man is op 2 mei 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. 2.2 De vrouw heeft op 13 juni 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De man heeft op 8 juli 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. In de zaak 200.258.899/02 2.4 De man heeft op 4 september 2019 een incidenteel beroepschrift strekkende tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van voormelde beschikking ingediend. 2.5 De vrouw heeft op 30 september 2019 een verweerschrift ingediend. In beide zaken 2.6 Gelet op de onderlinge samenhang van de onder nummers 200.258.899/01 en 200.258.899/02 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de zaken gezamenlijk behandeld en komt thans in beide zaken tot één, de onderhavige beschikking. 2.7 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen, welke stukken geacht zijn – zoals aan partijen ter zitting is voorgehouden en waarmee partijen hebben ingestemd – in beide zaken te zijn ingediend: - de brief met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen op 6 mei 2019; - de op 15 mei 2019 van de zijde van de moeder ingekomen laatste pagina van het beroepschrift; - een V-formulier met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen op 20 september 2019; - een V-formulier met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen op 3 oktober 2019; - een V-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 25 oktober 2019; - een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen op 4 november 2019; - een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 5 november 2019. 2.8 De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting een draagkrachtberekening overgelegd. 3De feiten In beide zaken 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 Uit de inmiddels beëindigde relatie van partijen zijn geboren: - [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] . 3.3 Bij beschikking van 8 september 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda), voor zover thans van belang, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: kinderalimentatie) met ingang van 1 mei 2015 vastgesteld op nihil. 4De omvang van het geschil In beide zaken 4.1 Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, met wijziging van voormelde beschikking van 8 september 2015, de kinderalimentatie over de periode van 13 juli 2018 tot 1 januari 2019 vastgesteld op € 158,-- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2019 op € 161,16 per kind per maand. Voorts heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd. In de zaak 200.258.899/01 4.2 De man verzoekt in principaal hoger beroep, zoals gewijzigd bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk bij voorraad, de bestreden beschikking – naar het hof begrijpt voor wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie – te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 13 juli 2018 tot 1 september 2019 nader vast te stellen op € 99,-- per kind per maand en met ingang van 1 september 2019 op nihil dan wel op een door het hof in goede justitie te betalen bijdrage en te bepalen dat de vrouw het door de man teveel betaalde bedrag vanaf 13 juli 2018 dient terug te betalen. De grief van de man ziet op de behoefte van de kinderen. 4.3 De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de door de man gedane verzoeken af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie en deze bijdrage met ingang 13 juli 2018 tot 1 januari 2019 vast te stellen op € 199,48 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2019 op € 203,47 per kind per maand, met veroordeling van de man in de proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 632,--. De grieven van de vrouw zien op de draagkracht van de man. 4.4 De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep, dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen. In de zaak 200.258.899/02 4.5 De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op zo kort mogelijke termijn te schorsen tot het moment waarop het hof in hoger beroep heeft beslist. 4.6 De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties. In beide zaken 4.7 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing In de zaak 200.258.899/02 Schorsingsverzoek 5.1 Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man het hof medegedeeld het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in te trekken. Dit brengt mee dat het hof de man in dit verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. In de zaak 200.258.899/01 Kinderalimentatie Ingangsdatum 5.2 De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 13 juli 2018, is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt. Hoogte behoefte kinderen 5.3.1 De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 517,-- per kind per maand in 2018 is in geschil. 5.3.2 De man voert, kort samengevat, het volgende aan. Rondom de geboorte van [minderjarige 1] hebben partijen twee maanden op en af samengewoond. De relatie van partijen is in 2008 beëindigd. Gelet hierop moet de behoefte van [minderjarige 1] worden berekend ervan uitgaande dat partijen niet in gezinsverband hebben samengeleefd. Partijen hebben vervolgens opnieuw een relatie gekregen, waarna [minderjarige 2] is geboren. Na de geboorte van [minderjarige 2] is de vrouw meteen bij de man gaan wonen. Partijen hebben toen ongeveer drie maanden samengewoond. De vrouw verbleef soms wel bij haar moeder. Vanwege de beperkte periode waarin partijen hebben samengeleefd moet ook de behoefte van [minderjarige 2] berekend worden ervan uitgaande dat de ouders niet in gezinsverband hebben samengeleefd. 5.3.3 De vrouw voert, kort samengevat, het volgende aan. Partijen hebben vanaf net na de geboorte van [minderjarige 2] tot 2012 samengewoond. Er was weliswaar sprake van een knipperlichtrelatie maar partijen hebben wel degelijk samen kosten gedeeld en onder een dak gewoond. Door de verzoening van partijen is ook [minderjarige 1] gedurende een periode opgegroeid tijdens de samenwoning van de ouders. Voor beide kinderen dient ervan te worden uitgegaan dat partijen in gezinsverband hebben samengeleefd. 5.3.4 Naar het oordeel van het hof dient bij het vaststellen van de behoefte zowel ten aanzien van [minderjarige 1] als van [minderjarige 2] uit te worden gegaan van een situatie waarin partijen in gezinsverband hebben samengeleefd. Weliswaar zijn partijen niet eenduidig over de periode waarin sprake zou zijn geweest van samenwoning, maar uit hetgeen de man en de vrouw op de mondelinge behandeling hebben verklaard leidt het hof af dat partijen in ieder geval gedurende enige periode hebben samengewoond en ook de intentie hebben gehad om in gezinsverband samen te (blijven) wonen. Volgens de vrouw hebben partijen tijdens de periode van samenleving ook kosten gedeeld, hetgeen door de man niet (voldoende) is weersproken. Gelet op het voorgaande gaat het hof bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het becijferen van de behoefte moet worden gerekend met een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.654,-- per maand en van de vrouw van € 1.750,-- per maand. Het hof gaat derhalve evenals de rechtbank uit van een behoefte van € 517,-- per kind per maand
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.