Parketnummer : 20-003184-16 Uitspraak : 10 december 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 oktober 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-994524-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , BRP- en postadres: [adres ] Hoger beroep Namens de verdachte is op 20 oktober 2016 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens de opgelegde geldboete van € 10.000,00 en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 8.000,00. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging bepleit ter zake van - zo begrijpt het hof - de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische kamer van de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.[bedrijfsnaam 1] op of omstreeks 22 juli 2014 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als degene die een inrichting aan de [adres ] dreef, waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, al dan niet opzettelijk, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij, terwijl bij het afvullen van drums met licht ontvlambare stoffen, althans met stoffen die licht ontvlambare stoffen bevatten, een explosieve atmosfeer kon ontstaan en/of terwijl dat afvullen geschiedde op een plaats die in het voor die inrichting geldende explosieveiligheidsdocument was aangeduid als gevarenzone voor het ontstaan van een explosieve atmosfeer, op die plaats gebruik gemaakt van een puntafzuiging en/of een weegschaal die niet explosieveilig was/waren, in elk geval niet geschikt was/waren voor het gebruik in gebieden waarin een explosieve atmosfeer zich kon voordoen, hebbende hij, verdachte, tot voormeld feit opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging; 2.[bedrijfsnaam 1] in of omstreeks de periode 9 september 2013 tot en met 18 november 2014 te [plaats] in de gemeente [gemeente] , als degene die een inrichting, gevestigd aan de [adres ] dreef, al dan niet opzettelijk, niet - ten einde het in het tweede lid van artikel 5 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 bedoelde beleid te bepalen en uit te voeren - een veiligheidsbeheerssysteem heeft ingevoerd waarin element d genoemd in bijlage II van voormeld Besluit, te weten de beheersing van de uitvoering namelijk de vaststelling en toepassing van procedures en instructies voor de beheersing van de veiligheid van de bedrijfsvoering, met inbegrip van het onderhoud van de installaties en de tijdelijke onderbrekingen, aan de orde kwam ten aanzien van a. het bluswatersysteem / de bluswatervoorziening en/of b. de brandmeldinstallatie en/of c. de opslag van gevaarlijke stoffen en/of d. het vrijhouden van vluchtwegen en/of e. de bereikbaarheid van blusmiddelen en/of f. het journaal/de lijst van de opgeslagen gevaarlijke stoffen, hebbende hij, verdachte, tot voormeld feit opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het hof heeft ten behoeve van de leesbaarheid in feit 2 de tenlastelegging voorzien van de letters a tot en met f. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.[bedrijfsnaam 1] op 22 juli 2014 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als degene die een inrichting aan de [adres ] dreef, waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij, terwijl bij het afvullen van drums met licht ontvlambare stoffen een explosieve atmosfeer kon ontstaan en terwijl dat afvullen geschiedde op een plaats die in het voor die inrichting geldende explosieveiligheidsdocument was aangeduid als gevarenzone voor het ontstaan van een explosieve atmosfeer, op die plaats gebruik gemaakt van een puntafzuiging en een weegschaal die niet explosieveilig waren, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging; 2.[bedrijfsnaam 1] in de periode 9 september 2013 tot en met 18 november 2014 te [plaats] in de gemeente [gemeente] , als degene die een inrichting, gevestigd aan de [adres ] dreef, opzettelijk, niet - ten einde het in het tweede lid van artikel 5 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 bedoelde beleid te bepalen en uit te voeren - een veiligheidsbeheerssysteem heeft ingevoerd waarin element d genoemd in bijlage II van voormeld Besluit, te weten de beheersing van de uitvoering namelijk de vaststelling en toepassing van procedures en instructies voor de beheersing van de veiligheid van de bedrijfsvoering, met inbegrip van het onderhoud van de installaties en de tijdelijke onderbrekingen, aan de orde kwam ten aanzien van a. het bluswatersysteem / de bluswatervoorziening en b. de brandmeldinstallatie en c. de opslag van gevaarlijke stoffen en d. het vrijhouden van vluchtwegen en e. de bereikbaarheid van blusmiddelen en f. het journaal/de lijst van de opgeslagen gevaarlijke stoffen, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in haar pleitnota heeft de verdediging - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. De verdachte dient van het onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, omdat er op 22 juli 2014 geen explosieve atmosfeer kon ontstaan en derhalve geen zwaar ongeval kon plaatsvinden. Het bedrijf treft al maatregelen ter voorkoming dat medewerkers aan de toxiciteit van de stoffen worden blootgesteld en daarom kan er nimmer sprake zijn van een concentratie van een stof die de Lower Explosion Limit (LEL-waarde) ook maar enigszins benadert. De verdachte controleerde of de stof de juiste temperatuur had en dan pas werd de stof afgevuld. Als de temperatuur te hoog was, wat nooit gebeurt, werd er niet afgevuld. Het Explosieveiligheidsdocument dat is opgesteld door [veiligheidsdeskundige] kan de verdachte niet worden tegenworpen, omdat dit document is gestoeld op aannames die niet juist zijn en het document door [bedrijfsnaam 1] en de verdachte nooit als definitief is gezien en is geaccepteerd. Daarnaast dient de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, omdat, gelet op de genomen maatregelen, het op 22 juli 2014 was uitgesloten dat een zwaar ongeval kon plaatsvinden bij het afdrummen; hooguit een kleine brand. Dat is echter niet aan te merken als een zwaar ongeval. De verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, omdat [bedrijfsnaam 1] wel beschikte over een veiligheidsbeheersysteem waarin de onder 2 achter a. tot en met f. genoemde elementen aan de orde zijn gekomen. Voorts is door de verdediging aangevoerd dat zowel [bedrijfsnaam 1] als de verdachte niet het opzet hebben gehad om de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten te plegen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. [bedrijfsnaam 1] [hierna aangeduid als: [bedrijfsnaam 1]] drijft op het adres [adres ] te [plaats] een inrichting waarbinnen activiteiten worden uitgevoerd die betrekking hebben op het ontwikkelen en fabriceren van producten voor derden uit chemische grondstoffen. Door de toegestane hoeveelheid gevaarlijke stoffen valt [bedrijfsnaam 1] als drijver van de inrichting onder de werkingssfeer van het BRZO 1999. De verdachte is - middels [bedrijfsnaam 2] . en/of [bedrijfsnaam 3] . - bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] . Feit 1 Op 4 november 2013 is naar [bedrijfsnaam 1] een handhavingsbrief gestuurd, waarin [bedrijfsnaam 1] werd gesommeerd een explosieveiligheidsdocument [hierna aangeduid als: EVD], een plan van aanpak en gevarenzoneringstekening op te stellen. Op 2 april 2014 heeft de heer [adviseur] van de verdachte een EVD d.d. 28 maart 2014 versie: “definitief - versie 2”, het plan van aanpak en de gevarenzoneringstekening per e-mail ontvangen. Op 1 juli 2014 heeft verbalisant [verbalisant] samen met Brandweer Midden- en West-Brabant en de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een onaangekondigde inspectie bij [bedrijfsnaam 1] uitgevoerd. Verbalisant [verbalisant] heeft geïnspecteerd of de acties beschreven in voormeld veiligheidsdocument en het plan van aanpak zijn geïmplementeerd door [bedrijfsnaam 1] . In het plan van aanpak was niet duidelijk op welke termijn de openstaande acties afgerond dienen te zijn en welke inspanningen [bedrijfsnaam 1] zou verrichten om de openstaande acties op te lossen. Ook tijdens de inspectie op 1 juli 2014 kon verdachte geen toelichting daarop geven. Verbalisant [verbalisant] heeft voorgesteld de inspectie te hervatten op 22 juli 2014 zodat de verdachte zijn adviseur kon raadplegen. Op 22 juli 2014 heeft verbalisant [verbalisant] de inspectie hervat en waargenomen dat een werknemer van [bedrijfsnaam 1] met behulp van een slang bezig was met het afvullen van vier drums (circa 200 liter inhoud) welke op een pallet waren geplaatst onder reactor R1. Tijdens deze afvul- en overslagwerkzaamheden werden brandbare stoffen gebruikt, namelijk Cliqsperse CA en de oplosmiddelen Xyleen, Isobutanol en 2-Butanol. Op de werkinstructies staat opgenomen dat het product Cliqsperse CA “flammables bevat” en de oplosmiddelen Xyleen, Isobutanol en 2-Butanol “licht ontvlambaar zijn” (vlampunten respectievelijk 25, 28 en 36 graden Celsius). Verbalisant [verbalisant] heeft waargenomen dat het afvullen gepaard ging met een emissie uit de drums van de gevormde dampen als gevolg van verdringen door het product en dat vermenging van het product met lucht onder atmosferische omstandigheden plaatsvond. Door de vermenging met lucht onder atmosferische omstandigheden kon volgens verbalisant [verbalisant] een explosieve atmosfeer ontstaan. Voorts heeft verbalisant [verbalisant] waargenomen dat bij de opening van de af te vullen drum een puntafzuiging was geplaatst welke hoorbaar in werking was om vrijkomende dampen uit de drum op te zuigen alsmede dat de ventilator boven de puntafzuiging bevestigd was. De vier drums die werden afgevuld stonden op een palet onder reactor R1 en die palet stond op een weegschaal. Het hof heeft geen reden om aan de waarnemingen van de verbalisant te twijfelen. Blijkens het EVD en gevarenzoneringstekening van [bedrijfsnaam 1] was de gehele productiehal P1 ingedeeld in gevarenzone 2 en reactor R1 met een straal van één meter rondom het afvalpunt in gevarenzone 1. In het EVD d.d. 28 maart 2014 staat opgenomen dat de gebruikte puntafzuiging wat betreft flammables niet geschikt is voor het afzuigen van dampen op zich en voor explosieve dampen en gassen in het bijzonder. In het EVD wordt gesteld dat daarvoor maatregelen moeten worden genomen. De verdachte heeft tijdens de inspectie op 22 juli 2014 verklaard dat de gebruikte puntafzuiging (nog steeds) niet explosieveilig is uitgevoerd. Ook staat in het EVD d.d. 28 maart 2014 als actiepunt opgenomen dat altijd gebruik wordt gemaakt van een explosieveilige weegschaal bij flammables, nu het niet is uitgesloten dat deze onder omstandigheden een ontstekingsbron kan vormen. In de werkinstructies voor Cliqsperse CA staat eveneens opgenomen dat een explosieveilige weegschaal gebruikt dient te worden bij het afdrummen van Cliqsperse CA. Een medewerker van [bedrijfsnaam 1] heeft op 22 juli 2014 verklaard dat de gebruikte weegschaal niet explosieveilig is uitgevoerd. De verdachte heeft erkend dat tijdens de inspectie op 22 juli 2014 geen explosieveilige weegschaal is gebruikt. Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er een explosieve atmosfeer kon ontstaan. Blijkens artikel 3.1, aanhef en achter c., van de Arbeidsomstandighedenbesluit wordt onder explosieve atmosfeer verstaan: “een mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel”. Blijkens het EVD en de bevindingen van verbalisant [verbalisant] was het mogelijk dat bij het afvullen van een gereed product, zoals Cliqsperse CA, lucht vermengd raakte met brandbare stoffen. Volgens de verdachte werd het product eerst gekoeld tot 15 graden Celsius voordat het werd afgevuld en daarmee werd voorkomen dat een explosiegevaarlijke situatie ontstond. Persoonlijk zag hij erop toe dat het product op de juiste temperatuur werd afgevuld, aldus de verdachte in hoger beroep. Het hof stelt vast dat de verdachte bij zijn verhoor op 3 november 2015 een andere verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft toen verklaard dat hij in 2013 weer de leiding over [bedrijfsnaam 1] had overgenomen en dat dit heeft geresulteerd in een nieuwe organisatie waarin verantwoordelijkheden meer naar de werkvloer zijn verlegd. Voor alle reactieproducten waren er werkvoorschriften. Op 20 januari 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij niet dagelijks al het toezicht kan uitvoeren op de dagelijkse operationele werkzaamheden. Het personeel heeft daar een bepaalde verantwoordelijkheid voor. Het hof houdt de verdachte aan deze verklaring. Hieruit leidt het hof af dat werknemers van [bedrijfsnaam 1] een eigen verantwoordelijkheid hadden en dat er niet steeds toezicht was van de verdachte op de dagelijkse werkzaamheden binnen het bedrijf. Op de werkinstructie met betrekking tot het product Cliqsperse CA staat opgenomen dat het product dient te worden afgedrumd onder 30 graden Celsius. Mede gelet op het feit dat de werkinstructie is afgesloten met “14-12-13 / [eerste letter voor- en achternaam verdachte] ” en dat de werknemer van [bedrijfsnaam 1] ter plaatse het document kon tonen aan verbalisant [verbalisant], concludeert het hof dat dit de werkinstructie was die aan de werknemers van [bedrijfsnaam 1] ter beschikking was gesteld ten behoeve van het afvullen van het product Cliqsperse CA. Het product Cliqsperse CA bevat een grondstof met een vlampunt van 25 graden Celsius. Gelet op de werkinstructie bestaat een reële kans dat Cliqsperse CA werd afgevuld op een temperatuur die hoger ligt dan het vlampunt (26-29 graden Celsius). Daar komt nog bij dat er kennelijk geen waardes werden genoteerd vlak voor of tijdens het afvullen waardoor onduidelijkheid is ontstaan of voldoende en adequaat is gecontroleerd of op 22 juli 2014 het product “voldoende” was gekoeld voordat er werd gestart met afvullen. Bovendien was er geen technische borging aanwezig (bijvoorbeeld dat bij een te hoge temperatuur van de reactorinhoud het afvullen geen doorgang kan vinden). Gelet op de aard van het product en de omstandigheden waaronder het product werd afgevuld, bestond op 22 juli 2014 een reëel en voorzienbaar risico op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. De vraag of een explosieve atmosfeer kon ontstaan, zoals is ten laste gelegd, wordt door het hof dan ook bevestigend beantwoord. Onder die omstandigheden was [bedrijfsnaam 1] verplicht om te zorgen voor een explosieveilige afzuiging en een explosieveilige weegschaal. Daar was [bedrijfsnaam 1] in het EVD ook expliciet op gewezen. Desondanks werd op 22 juli 2014 gewerkt met een niet-explosievrije puntafzuiging en -weegschaal. Gelet op de aanwezigheid van deze potentiële ontstekingsbronnen in een gebied waarin een explosieve atmosfeer zich kon voordoen, bestond het risico op een zwaar ongeval. Anders dan de verdediging veronderstelt, luidt de definitie van een zwaar ongeval als volgt: “gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken”. In de Nota van Toelichting bij het BRZO 1999 staat als voorbeeld opgenomen: een zware emissie, brand of explosie. Naar het oordeel van het hof is daarmee evident sprake van een kans op een zwaar ongeval. Het hof merkt voorts nog op dat niet is vereist dat een incident had kunnen uitgroeien tot een zwaar ongeval of dat er een incident is geweest. Het gaat immers bij art. 5, eerste lid, BRZO om het antwoord op de vraag of de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van zware ongevallen. Gelet op al het vorenstaande was het ontstaan van een explosieve atmosfeer een reëel en voorzienbaar risico dat tot een zwaar ongeval kon leiden. Te meer nu het vermengen en vervolgens afvullen van de betreffende stoffen een regulier onderdeel van het bedrijfsproces is. Door geen gebruik te maken van een explosieveilige weegschaal en van een deugdelijke puntafzuiging die explosieveilig was uitgevoerd, heeft [bedrijfsnaam 1] niet de noodzakelijke maatregelen getroffen ter voorkoming van zware ongevallen. Gelet op de omstandigheid dat het EVD in opdracht van [bedrijfsnaam 1] is opgesteld en dat in het EVD werd gewezen op de noodzaak van het gebruik van explosieveilig materiaal waaraan vervolgens door [bedrijfsnaam 1] niet werd voldaan, heeft [bedrijfsnaam 1] opzettelijk niet de noodzakelijke maatregelen getroffen om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Het hof heeft geen aanwijzingen dat het EVD - voor zover relevant voor het ten laste gelegde - zou zijn gestoeld op aannames die niet juist zijn, zoals door de verdediging is aangevoerd. De veiligheidskundige, [veiligheidsdeskundige] , heeft in zijn onderzoek het productieproces, waaronder het afvullen, in productiehal P1 beschreven. Hij heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat onder de gegeven omstandigheden de puntafzuiging niet aan de eisen voldeed en ontstekingsbronnen moesten worden vermeden. De verdachte heeft verklaard dat hij eindverantwoordelijk was voor wat er binnen [bedrijfsnaam 1] gebeurde en dat hij binnen [bedrijfsnaam 1] de leiding had en dagelijks meerdere malen op de werkvloer kwam. Hij was ook op de hoogte van het EVD. Door [veiligheidsdeskundige] is verklaard dat het EVD tot stand is gekomen in overleg met de verdachte, dat de verdachte op de hoogte was van de eerste versie van het EVD, dat de eerste versie van het EVD op verzoek van de verdachte is herzien, omdat hij niet alles kon aanpassen voordat de arbeidsinspectie zou langskomen en dat er bij het opstellen van de tweede versie van het EVD voldoende controlemomenten waren. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de verklaring [veiligheidsdeskundige] . Het hof stelt vast dat de verdachte derhalve op de hoogte was van de inhoud van het EVD d.d. 28 maart 2014, de inhoud van de werkinstructie met betrekking tot Cliqsperse CA en dat hij wist hoe het bedrijf(sproces) was ingericht. Desalniettemin heeft hij nagelaten de nodige beleidsmatige maatregelen te treffen en er zorg voor te dragen dat bij het afvullen van Cliqsperse CA met een explosieveilige puntafzuiging en -weegschaal werd gewerkt hoewel daar in het EVD uitdrukkelijk op is gewezen. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedraging doch dat hij deze maatregelen achterwege heeft gelaten. De verdachte heeft bovendien bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich op 22 juli 2014 zou voordoen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich daarmee opzettelijk schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging met betrekking tot feit 1 in al zijn onderdelen. Feit 2 Het hof stelt per onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem het volgende vast.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.