GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.244.647/01 arrest van 11 februari 2019 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. H. Warendorp Torringa te Alphen aan den Rijn, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. T.B.M. Kersten te Rosmalen, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 december 2018 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaak- en rolnummer C/02/346902 / KG ZA 18-426 gewezen vonnis van 18 juli 2018. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 11 december 2018 waarbij het hof heeft bepaald dat partijen gelegenheid wordt geboden voor pleidooi; het mondeling pleidooi op 17 januari 2019 waarbij mr. Kersten pleitnotities heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de eerder in hoger beroep overgelegde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Voorafgaande aan het tussenarrest van 11 december 2018, op 15 november 2018, heeft mr. Kersten het boek “ [titel] ” ter griffie van het hof gedeponeerd. De akte depot maakt onderdeel uit van de processtukken. 6De verdere beoordeling 6.1. Gezien de onbestreden feitenvaststelling in het bestreden vonnis en overigens als gesteld en niet of onvoldoende betwist, gaat het hof uit van de navolgende feiten. 6.1.1. Partijen zijn op 1 oktober 1987 met elkaar gehuwd. 6.1.2. Uit hun huwelijk zijn twee thans meerderjarige dochters geboren: [dochter 1] en [dochter 2] . 6.1.3. Het huwelijk is op 13 januari 2012 door echtscheiding ontbonden. Het initiatief tot echtscheiding is door [appellante] genomen. Tussen partijen hebben diverse juridische procedures plaatsgevonden. De echtscheiding is te kwalificeren als een “vechtscheiding”. 6.1.4. [geïntimeerde] heeft onder het pseudoniem [pseudoniem] (wat Italiaans is voor “ [naam 1] ”) een boek geschreven met de titel [titel] (ISBN van de gedrukte versie: [ISBN 1] en van de E-bookversie: [ISBN 2] ) (hierna ook aan te duiden als het boek). Op de achterkant van het boek staat de navolgende samenvatting: “ [naam 2] reist voor zijn werk de hele wereld rond om als alleenverdiener zijn gezin al het nodige te kunnen geven. In korte tijd verliest hij alles wat hem lief is en komt hij terecht in een verbijsterende scheidingsoorlog. Hij krijgt niet alleen te maken met een valse meedogenloze ex- vrouw die nergens voor terugdeinst om haar dreigement van 'totale destructie' uit te voeren, maar ook met vooringenomen overheidsinstanties, dwalenderechtspraak, en een door manipulatieve leugens verscheurde familie. Als hij zowel emotioneel als financieel de bodem heeft geraakt, krijgt zijn leven een verrassende wending en ontdekt hij met hulp van zijn nieuwe liefde het sluwe masterplan van zijn valse ex-vrouw. Zal zij in haar kwade opzet slagen?”. In het nawoord van [titel] (pagina’s 347 t/m 349) is -voor zover voor deze zaak relevant- vermeld: “(…) Het boek is een aanklacht tegen de scheidingsrechtspraak die gebaseerd is op wetten die niet meer van deze tijd zijn, met voor de burger onbegrijpelijke uitspraken met verregaande gevolgen. Het is ook een aanklacht tegen een vooringenomen politie-apparaat dat de vrouw als slachtoffer en de man als dader ziet. En het is een aanklacht tegen steeds weer tegenwerkende overheidsinstanties bij scheidingen. (…)” 6.1.5. Volgens de vermelding in [titel] is de tweede druk verschenen in juni 2018. [geïntimeerde] heeft ter zitting aan het hof verklaard dat geen eerdere druk is verschenen. Het boek wordt in eigen beheer uitgegeven door uitgeverij [uitgeverij] . Dit is een eenmanszaak van de huidige echtgenote van [geïntimeerde] , mevrouw [huidige echtgenote van geïntimeerde] (hierna aan te duiden als [huidige echtgenote van geïntimeerde] ). 6.1.6. Voorafgaand aan het verschijnen van [titel] heeft [huidige echtgenote van geïntimeerde] op 19 mei 2016 op haar Facebookpagina geschreven (productie 4 dagvaarding eerste aanleg): “Het heeft even geduurd na de nodige juridische voorbereidingen, maar vandaag is stap 1 met voldoende succes afgerond. (…)” Hierop komt van iemand de opmerking: “Geen idee waar t over gaat. Anyway. Good luck!”, waarop [huidige echtgenote van geïntimeerde] reageert: “Over een gemene (h)ex. Er komt een boek over uit dan kun je alles lezen.” 6.1.7. Op 18 juni 2016 schrijft [geïntimeerde] vervolgens in een e-mail aan [appellante] het volgende (productie 5 dagvaarding eerste aanleg): “(…) Ik heb slecht nieuws; binnen enkele weken neem ik de moeilijke beslissing of ik het leven voor jou, jouw kinderen en [naam 3] nog vele malen onmogelijker zal maken als jij al die jaren bij mij doet. Ik heb er de tijd voor, ben al volop bezig met jullie, vlieg deze week naar [plaats 1] , heb contact met de media om jou en jouw handlangers publiekelijk te confronteren, en ik zal ook de rol van admin. kantoor [admin. kantoor] uitgebreid aan de kaak stellen. Na [naam 4] zal binnenkort ook bv. [naam 5] en de rest van de wereld de bedenkelijke rol van jouw dochter [voornaam dochter 2] en haar moeder weten. Het mooiste blijft nog even een verrassing. Er breken voor mij mooie tijden aan; jullie gaan erger doorstaan dan wat jullie mij allemaal hebben aangedaan. Jij laat mij geen andere keuze. Het spijt me voor jullie. (…), vertel mij niet wat mij wel of niet is toegestaan, ik schrijf vanaf vandaag mijn eigen wetten!” 6.1.8. Door de uitgever is op Facebook een pagina over [titel] aangemaakt waarop berichten met betrekking tot het boek worden geplaatst. 6.1.9. Het boek is via boekhandels alsmede online via Bol.com en AKO te verkrijgen, zowel in gedrukte vorm als in een E-bookversie. 6.1.10. [geïntimeerde] overweegt een vervolg op [titel] te schrijven en dit te publiceren. 6.2. Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellante] [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, als voorlopige voorziening, samengevat, [geïntimeerde] : I te verbieden het boek [titel] in de huidige vorm, dan wel in bewerkte vorm, dan wel in een eerdere of latere versie, op welke wijze dan ook (nog verder) geheel of gedeeltelijk te (doen of laten) verveelvoudigen, verspreiden of openbaren, waaronder mede begrepen het (door derden laten) citeren daaruit ten behoeve van enige publicatie, zulks op straffe van een dwangsom; II te veroordelen ervoor zorg te dragen dat binnen twee weken na betekening van het vonnis in eerste aanleg voormeld boek in de huidige dan wel in een door hem bewerkte vorm dan wel in een eerdere of latere versie, op geen enkele wijze (meer) door hemzelf of door derden (te koop) wordt aangeboden, zulks op straffe van een dwangsom; III te gebieden om zich op geen enkele andere wijze, dus ook niet via het internet of ander (openbaar) medium, beledigend, laatdunkend en/of grievend dan wel intimiderend of anderszins onrechtmatig jegens en/of over [appellante] en/of de dochters van [appellante] uit te laten, op straffe van een dwangsom; IV te veroordelen ervoor zorg te dragen dat binnen twee weken na betekening van het vonnis in eerste aanleg de Facebookpagina over [titel] offline is gehaald, dan wel dat de inhoud daarvan niet langer toegankelijk is voor enige derde, op straffe van een dwangsom; V te veroordelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 6.3. Als grondslag voor deze vorderingen voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] met het boek [titel] haar eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer schendt, met name doordat het boek voor een groot deel bestaat uit passages die, in tegenstelling tot hoe het boek wordt gepresenteerd, niet op waarheid berusten, en doordat het boek passages bevat die jegens [appellante] diffamerend en kwetsend zijn en die bovendien zeer privacygevoelige informatie over [appellante] bevatten die eenvoudig tot [appellante] is te herleiden. Derhalve heeft [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar gehandeld door publicatie van het boek, zo stelt [appellante] . 6.4. [geïntimeerde] bestrijdt dat en beroept zich tevens op zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Als rechtvaardiging voor zijn handelen voert [geïntimeerde] aan, mede onder verwijzing naar het nawoord bij het boek, dat hij het boek [titel] heeft geschreven en gepubliceerd om aandacht te vragen voor misstanden in de maatschappij, meer in het bijzonder voor (v)echtscheidingen. Volgens [geïntimeerde] voorziet het boek aantoonbaar in een maatschappelijke behoefte, getuige de reacties van lezers van het boek. Dit maatschappelijk belang dient naar mening van [geïntimeerde] zwaarder te wegen dan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellante] . 6.5. Bij vonnis van 18 juli 2018 waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter het gevorderde afgewezen en [appellante] uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat duidelijk is dat het verhaal is geschreven vanuit de perceptie van [geïntimeerde] . De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit voor het publiek, ieder redelijk denkend lezer, ook duidelijk zal zijn. Door [appellante] is, aldus de voorzieningenrechter, niet inzichtelijk gemaakt hoe de inhoud van het boek, door derden buiten haar kring van intimi, naar haar is te herleiden. De voorzieningenrechter acht het daarom niet aannemelijk dat [appellante] door de (verdere) publicatie van het boek in haar eer of goede naam wordt aangetast. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de belangenafweging dan ook in het voordeel van [geïntimeerde] uit te vallen. 6.6. [appellante] is van voormeld vonnis onder aanvoering van één grief tijdig in hoger beroep gekomen. Met deze grief maakt [appellante] bezwaar tegen de wijze van uitvoeren van de belangenafweging door de voorzieningenrechter en tegen de uitkomst daarvan. [appellante] handhaaft in hoger beroep haar hierboven weergegeven eis (6.2), zij het dat zij - aan de vordering onder (I) toevoegt: “te vermeerderen met een bedrag van EUR 500, dan wel een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt”; - in plaats van de vordering onder (III) vordert: “ [geïntimeerde] te verbieden het boek [titel] in de huidige vorm, dan wel in bewerkte vorm, dan wel in een eerdere of latere versie, op welke wijze dan ook (nog verder) aan te prijzen, te promoten of anderszins bekendheid te geven, zulks op straffe van een dwangsom”; - de vordering onder (IV) aldus wijzigt dat wordt gevorderd: “ [geïntimeerde] te veroordelen ervoor zorg te dragen dat binnen twee weken na betekening van dit arrest gedurende een periode van twee maanden op de Facebookpagina over [titel] uitsluitend nog een rectificatie zichtbaar is die luidt: “Omdat de inhoud van het boek [titel] onrechtmatig is jegens betrokken personen, heeft de rechter bepaald dat het boek niet langer verspreid mag worden” en dat na afloop van die periode van twee maanden de Facebookpagina over [titel] offline wordt gehaald en offline wordt gehouden dan wel de inhoud daarvan niet langer toegankelijk is voor enige derde, zulks op straffe van een dwangsom”; - een vordering toevoegt (vordering (V)) die inhoudt: “ [geïntimeerde] te verbieden enig boek, althans geschrift, dat op soortgelijke wijze als het boek [titel] een inhoud bevat die onrechtmatig is jegens [appellante] , op welke wijze dan ook geheel of gedeeltelijk te (doen of laten) verveelvoudigen, verspreiden of openbaren, waaronder mede begrepen het (door derden laten) citeren daaruit ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm dan ook), zulks op straffe van een dwangsom”. Ten slotte vordert [appellante] [geïntimeerde] te veroordelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van beide instanties, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 6.7. [geïntimeerde] heeft de grief van [appellante] bij memorie van antwoord gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot veroordeling van [appellante] in de proceskosten van beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. 6.8. De grief van [appellante] heeft de strekking het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. 6.9. Het hof oordeelt als volgt. Ontvankelijkheid 6.10. [geïntimeerde] heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat [appellante] niet hem maar de uitgever van het boek had dienen te dagvaarden, aangezien de uitgever gaat over de uitgave en publiciteit van het boek. De voorzieningenrechter heeft dit verweer van [geïntimeerde] verworpen. 6.10.1 [geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld. Indien de grief van [appellante] zou slagen, dient dit verweer echter in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog te worden behandeld. Nu naar zijn aard een beroep op niet ontvankelijkheid als regel als eerste wordt behandeld, kiest het hof ervoor deze kwestie reeds op deze plaats te bespreken. 6.10.2 Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] de verweten mededelingen met het doel van publicatie op schrift heeft gesteld en dat het hof aannemelijk acht dat hij opdracht heeft gegeven tot, althans onmisbare medewerking heeft verleend aan, de uitgave als boek. De voorzieningenrechter heeft bovendien geoordeeld dat, gelet op de omstandigheid dat uitgever [uitgeverij] de eenmanszaak is van de echtgenote van [geïntimeerde] , [huidige echtgenote van geïntimeerde] , sprake is van een zodanig nauwe verwevenheid dat ervan uitgegaan mag worden dat [geïntimeerde] invloed heeft op de publicatie en verspreiding van het boek. Nu [geïntimeerde] daartegen in hoger beroep geen bezwaar heeft gemaakt, gaat ook het hof daarvan uit. Niet gezegd kan dan ook worden dat [appellante] de verkeerde partij heeft gedagvaard. 6.11. Nu de vorderingen - als gegrond op een onrechtmatige publicatie die inbreuk maakt op het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer – voorts naar hun aard spoedeisend zijn, kan [appellante] in haar vorderingen worden ontvangen en is het hof als voorzieningenrechter in hoger beroep bevoegd daarvan kennis te nemen. Daarmee komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Inhoudelijk 6.12. Nu [geïntimeerde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen [appellante] ’s wijzigingen van eis in hoger beroep en het hof ook ambtshalve geen aanleiding ziet deze wijzigingen buiten beschouwing te laten, zal op de gewijzigde eis recht worden gedaan. 6.13. De vraag of een voorlopige voorziening in kort geding toewijsbaar is, hangt af van de voorlopige beoordeling van de merites van de zaak. Voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, is in een geding als het onderhavige geen plaats. Toewijzing van een gevraagde voorziening kan slechts aan de orde komen, indien met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de betreffende vorderingen ook in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. 6.14. Bij een botsing tussen enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een belangenafweging aan de hand van alle ter zake dienende omstandigheden. Bij genoemde afweging geldt niet als uitgangspunt dat steeds voorrang toekomt aan het door artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat één van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 10 lid 2 EVRM dan wel van artikel 8 lid 2 EVRM. 6.15. Het hof komt in dit kort geding tot het voorlopig oordeel dat [geïntimeerde] met het publiceren van het boek [titel] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] en dat haar recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dient te wegen dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] . Bij de afweging betrekt het hof alle door partijen aangedragen feiten en omstandigheden. Ter onderbouwing van het oordeel dient met name het volgende, in onderling verband en samenhang beziend. 6.15.1. De pseudoniemen die [geïntimeerde] in het boek gebruikt voor zowel zichzelf als voor de overige personages, waaronder [appellante] , lijken sterk op de werkelijke namen. Zo heet [geïntimeerde] in het boek [naam 2] , [roepnaam appellante] (appellante) [naam 6] , [voornaam dochter 1] (oudste dochter) [naam 7] en [voornaam dochter 2] (jongste dochter) [naam 8] . Bovendien zijn, naar [appellante] heeft gesteld en door [geïntimeerde] niet (voldoende) is betwist, verjaardagen, woonplaatsen, bedrijven of organisaties waar personen werkzaam zijn, instellingen waar personen een studie volgen, de studies in kwestie, sommige straatnamen en (zelfs) de namen van de in het boek genoemde huisdieren in overeenstemming met de werkelijkheid. Door de namen van de personages minimaal te wijzigen en de overige feitelijke informatie in het boek in stand te laten, heeft [geïntimeerde] dermate weinig afstand gecreëerd dat voor een grote kring van bekenden van [appellante] (en dus niet alleen voor intimi) duidelijk zal zijn dat “ [naam 6] ” [appellante] is. Dit geldt temeer nu de personages in het boek in nauwe relatie staan tot [appellante] , daar het, naast [geïntimeerde] zelf, veelal gaat om familieleden van partijen. Bovendien ligt [titel] , naar [geïntimeerde] bij pleidooi heeft verklaard, (alleen) in de regio waar hij woonachtig is in de boekhandels; partijen wonen slechts enkele tientallen kilometers van elkaar verwijderd, hetgeen eveneens herkenning in de hand werkt. 6.15.2. In [titel] wordt aan de hand van gebeurtenissen die zouden zijn voorgevallen tijdens het huwelijk en tijdens en na de echtscheidingsprocedure van partijen, een zeer negatief beeld van [appellante] geschetst. De kwalificatie door [appellante] van de wijze waarop zij in het boek wordt afgeschilderd - heel kort gezegd: als een boosaardige heks - wordt door het hof gevolgd. Op de achterkant van het boek wordt [appellante] in een samenvatting gekenschetst als “een valse meedogenloze ex-vrouw die nergens voor terugdeinst om haar dreigement van ‘totale destructie’ uit te voeren”. Het boek zelf bevat talloze negatieve en voor [appellante] beledigende kwalificaties. Zo wordt zij uitgemaakt voor “hoer” (pagina 17), “een gewetenloos monsterlijk wezen” (pagina 68), wordt zij een “demoniserende” (pagina 144) en “gruwelijke heks” (pagina 249) genoemd, wordt zij ervan beticht dat zij “alle buren heeft vergiftigd met haar smadelijke leugens” (pagina 129) en wordt zij vergeleken met Hitler (pagina 102) en Kim Jung Un (pagina 149). 6.15.3. Op pagina 2 van het boek is vermeld “Deze thriller is gebaseerd op waargebeurde feiten, vonnissen, aangiftes, correspondentie en getuigenissen”. Hiermee wordt gesuggereerd dat daardoor extra gewicht toekomt aan de (juistheid van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.