GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak : 10 januari 2019 Zaaknummers : 200.246.953/01 en 200.246.953/02 Zaaknummers 1e aanleg: C/02/341918 / JE RK 18-354 (beschikking 30 mei 2018) C/02/341918 / JE RK 18-354 (proces-verbaal 3 juli 2018) C/02/347491/JE RK 18-1313 (beschikking 13 augustus 2018) in de zaken in hoger beroep en de incidentele verzoeken van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. I.M. van den Heuvel, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI. Als belanghebbende wordt aangemerkt: - [belanghebbende], wonende op een bij het hof bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. J. Schuttkowski. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, vestiging: [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar: de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 mei 2018 het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 juli 2018 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 augustus 2018. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 september 2018, heeft de vader verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikkingen te schorsen en de gedane verzoeken (naar het hof begrijpt: de verzoeken in eerste aanleg) af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 november 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden in stand te laten. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4. Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van zijn ouders, de raad en de GI met het hof gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.5.1. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de twee brieven met bijlagen van de advocaat van de moeder van 6 december 2018; de ter zitting door de advocaat van de vader overgelegde pleitnota. 2.5.2. Ter zitting is gebleken dat het behandelplan van 5 november 2018 dat de GI naar het hof had verzonden, het hof nog niet had bereikt. Nu echter is gebleken dat dit behandelplan reeds onderdeel uitmaakte van de stukken die de advocaat van de vader in het geding heeft gebracht, heeft het hof het door de GI ingediende exemplaar, dat is ingekomen op 11 december 2018 (nadat de zitting in hoger beroep reeds had plaatsgevonden) maar aan alle partijen bekend was, volledigheidshalve toegevoegd aan het procesdossier. 3De beoordeling 3.1. Uit het inmiddels ontbonden huwelijk tussen de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – geboren: - [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] . De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Voordat hij uithuisgeplaatst werd, verbleef [de minderjarige] bij de vader. 3.2. [de minderjarige] is bij beschikking van 7 maart 2016 onder toezicht van gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk door de rechtbank bij beschikking van 1 maart 2018 verlengd tot 7 maart 2019. 3.3.1. Binnen de ondertoezichtstelling heeft de GI voor wat betreft de verblijfplaats van [de minderjarige] in een korte tijd meerdere verzoeken ingediend bij de rechtbank die hebben geleid tot meerdere beslissingen. Het hof zal volstaan met het noemen van de verzoeken van de GI die voor de beslissingen in deze procedure relevant zijn. 3.3.2. De GI heeft de rechtbank op 27 februari 2018 verzocht om: een spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp te verlenen ten behoeve van [de minderjarige] voor de duur van vier weken; aansluitend een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor [de minderjarige] te verlenen tot en met 1 september 2018. Op 6 maart 2018 zijn deze verzoeken door de rechtbank behandeld. Bij beschikking van 6 maart 2018 heeft de rechtbank een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 6 maart 2018 tot 6 juni 2018. Het verzoek is voor de resterende termijn (van 6 juni 2018 tot en met 1 september 2018) aangehouden. Op 24 mei 2018 heeft de rechtbank de zaak wederom behandeld. A). bestreden beschikking van 30 mei 2018 3.3.3. Bij deze bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans relevant: ten aanzien van [de minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 6 juni 2018 tot 6 juli 2018; de behandeling van het resterende deel van het verzoek (het hof begrijpt: dat ziet op de gesloten plaatsing in de periode van 6 juli 2018 tot 1 september 2018) wederom aangehouden. Op 3 juli 2018 heeft de rechtbank de zitting voortgezet. B). bestreden mondelinge beschikking van 3 juli 2018 3.3.4. Bij dit proces-verbaal heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – een machtiging gesloten jeugdhulp verleend betreffende [de minderjarige] met ingang van 6 juli 2018 tot uiterlijk 1 september 2018. 3.3.5. De GI heeft de rechtbank vervolgens op 20 juli 2018 (verzoek ingekomen ter griffie op 23 juli 2018) verzocht om uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 7 maart 2019. Dit verzoek is door de rechtbank behandeld op 13 augustus 2018. C). bestreden beschikking van 13 augustus 2018 3.3.6. Bij deze bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 augustus 2018 tot uiterlijk 7 maart 2019. 3.3.7. [de minderjarige] is derhalve sinds 16 februari 2018 onafgebroken uithuisgeplaatst geweest: eerst verbleef hij twee weken in een crisisgezinshuis, daarna ongeveer een half jaar in een gesloten setting van Bijzonder Jeugdwerk Brabant en sinds medio augustus 2018 verblijft [de minderjarige] in de open setting van Stichting Conaction te [vestigingsplaats] . 3.4.1. De vader kan zich met bovengenoemde drie beschikkingen onder A, B en C niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn appelschrift voert hij, kort samengevat, het volgende aan. A. tegen de beschikking van 30 mei 2018 De rechtbank heeft enerzijds vastgesteld dat [de minderjarige] zich goed had ontwikkeld, maar anderzijds zonder deugdelijke motivering beslist dat de GI [de minderjarige] nog langer uit huis mocht plaatsen. De rechtbank motiveert haar beslissing met de niet nader onderbouwde motivering dat er nog sprake is van een “prille” situatie. Waarom ook een prille situatie niet voldoende zou zijn om aan een zo vergaande maatregel een einde te maken in plaats van deze te verlengen, is onbegrijpelijk, temeer nu [de minderjarige] nog steeds geen behoorlijke behandeling (als die al nodig zou zijn) kreeg. Het kwam er op 30 mei 2018 op neer dat degenen die géén verwijt kon worden gemaakt ( [de minderjarige] en de vader) er onder moesten lijden dat de rechtbank het falende en talmende optreden van de GI sanctioneerde met dát verschil dat [de minderjarige] en de vader daar wél wakker van liggen. B. tegen de mondelinge beschikking van 3 juli 2018 De rechtbank heeft haar beslissing niet gemotiveerd. Het heeft er alle schijn van dat de rechtbank deze beslissing heeft genomen, omdat de machtiging tot uithuisplaatsing afliep op 6 juli 2018 en de GI nog niet klaar was met haar werk. C. tegen de beschikking van 13 augustus 2018 De rechtbank heeft haar beschikking ondeugdelijk gemotiveerd. Het tijdsverloop vraagt een nieuwe beschouwing en een nieuwe motivering. De toon zetten zoals de rechtbank doet, geeft een vertekend beeld. Als de rechtbank opmerkt dat er sinds 2010 sprake is van een lange hulpverleningsgeschiedenis mag dat, in zekere mate, juist zijn, maar zo’n geschiedenis is onvoldoende om [de minderjarige] in 2018 uit huis te plaatsen. De rechtbank heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom [de minderjarige] niet bij de vader zou kunnen verblijven. Als de rechtbank verwijst naar een niet verbeterde thuissituatie bij de vader, laat ze na concreet te zeggen wat er verbeterd dient te worden en ten opzichte van welke eerdere situatie de huidige niet verbeterd is. Het is bovendien zeer de vraag, aangenomen dat [de minderjarige] therapie nodig heeft, of de uithuisplaatsing bij Conaction geëigend is voor die therapie. De vader zit niet in waarom [de minderjarige] niet bij hem zou kunnen wonen en de therapie krijgen die hij niet krijgt of mogelijk zal krijgen. 3.4.2 Ter zitting heeft de vader, kort gezegd, hieraan toegevoegd dat in tegenstelling tot wat systematisch door de GI wordt gesteld, [de minderjarige] niet aan autisme lijdt. Het vermeende autisme is steeds één van de hoekstenen voor de ondertoezichtstelling geweest. Conaction is positief over de vader en vermeldt dat de afgelopen periode is gesproken met de vader over de actuele situatie van [de minderjarige] en afspraken daarover met de vader heeft gemaakt. De vader is gestart met psycho-educatie. 3.5. De GI voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. Er is jarenlang hulpverlening ingezet en het heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Vanaf september 2017 totdat hij is geplaatst is bij BJ Brabant heeft [de minderjarige] niet tot nauwelijks onderwijs gevolgd. Op dat moment was de gesloten setting de enige geschikte plek voor [de minderjarige] . Er is hulp ingezet vanuit GZ Jeugd-Fact en MST vanuit de Viersprong ter voorkoming van een uithuisplaatsing. Dit bleek niet passend te zijn, grotendeels omdat de laagdrempelige begeleidingsafspraken nauwelijks werden nagekomen, er onvoldoende inzicht in eigen verantwoordelijkheden was, motivatie ontbrak of wisselend aanwezig was en afspraken met hulpverlening om (praktische) redenen niet werden nagekomen. MST is niet van de grond gekomen, aangezien de agressie vanuit [de minderjarige] toenam, veiligheidsafspraken niet konden worden gemaakt en de draagkracht van de vader minimaal was. De conflicten tussen de vader en [de minderjarige] namen toe waardoor de politie meerdere keren ingezet moest worden om de opvoedsituatie bij de vader weer enigszins rustig te krijgen. Bij [de minderjarige] is sprake van een diagnose die niet of onvoldoende erkend wordt door de vader, waardoor hulpverlening gericht op deze problematiek door de vader niet noodzakelijk wordt geacht. [de minderjarige] heeft veel externe sturing nodig en de vader kan hem dit niet bieden. [de minderjarige] geeft zelf aan last te hebben van traumatische ervaringen en hierdoor belemmerd te worden in zijn dagelijks functioneren, nachtrust en schoolgang. Tijdens de huidige therapie, die op wekelijkse basis plaatsvindt, is gebleken dat [de minderjarige] zich inzet en dat het veel van hem vraagt. De therapie is nu vooral gericht op persoonsversterking en vervolgens traumaverwerking. De verwachting is dat het een lang en intensief traject zal worden. Conaction biedt therapie. Het therapieproces kan niet plaatsvinden als [de minderjarige] weer bij de vader woont. [de minderjarige] wil niet op de groep zijn, hij wil naar huis. [de minderjarige] is moeilijk begeleidbaar, slaapt slecht, heeft moeite met opstaan en het schoolritme. De groep werkt nu vooral aan het bieden van veiligheid en structuur, het opbouwen van een goed dag- en nachtritme, toewerken naar school en het aangeven van grenzen en hulp vragen. Er is sprake van een complexe situatie waarbij de vader en [de minderjarige] het oneens zijn met beslissingen van de rechtbank; zij voelen zich slachtoffers van het systeem. Het wantrouwen richting de hulpverleners is zeer groot. De houding van de vader is niet helpend voor [de minderjarige] . Hulpverlening die wordt ingezet, wordt niet genoten omdat de vader geen erkenning geeft voor de problematiek van [de minderjarige] . De GI vindt het van belang dat de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd, dat [de minderjarige] therapie blijft volgen en hij uiteindelijk weer naar school kan. Tevens dient er aandacht te zijn voor het contact tussen [de minderjarige] en zijn moeder, zeker omdat [de minderjarige] hier met periodes toch enigszins open voor lijkt te staan. Dit alles is een langdurig proces waar [de minderjarige] tijd en ruimte voor moet krijgen. 3.6. De moeder heeft ter zitting van het hof verweer gevoerd. De moeder staat achter de beslissingen van de GI. Er is bij [de minderjarige] sprake van ernstige gedragsproblematiek. [de minderjarige] heeft traumaverwerking nodig en hulp bij zijn depressieve stemmingen. De alternatieven in het vrijwillig kader, zoals MST en een verblijf bij grootouders, zijn al beproefd. Uiteindelijk eindigde [de minderjarige] in een crisisopvanghuis. De moeder heeft geen vertrouwen dat de vader [de minderjarige] kan begeleiden. Zij vreest ook dat zij dan geen rol van betekenis in het leven van [de minderjarige] zal krijgen, terwijl zij mogelijk de sleutel is voor het slagen van de traumaverwerking: zij wil hier graag bij betrokken worden. [de minderjarige] wordt nu begeleid door professionals en dat is meer dan noodzakelijk. [de minderjarige] heeft behoefte aan veiligheid, duidelijkheid en een consequente begrenzing. De vader kan hem dit niet bieden. De problemen van [de minderjarige] worden juist versterkt door de vader. Van [de minderjarige] wordt geen zelfreflectie verwacht, maar wel van de vader. De vader overschat zichzelf, ontkent de problematiek van [de minderjarige] en legt de schuld buiten zichzelf. Het liep erg uit de hand toen [de minderjarige] nog bij de vader woonde. [de minderjarige] ging zijn gang zonder begeleiding. De negatieve ontwikkeling moet worden omgebogen in een positieve ontwikkeling en er is nog een lange weg te gaan. Terug naar huis is terug naar af: dan kan de GI weer opnieuw beginnen. 3.7. De raad heeft ter zitting geadviseerd om alle verzoeken van de vader te verwerpen, voor zover deze nog relevant zijn. Er is bij [de minderjarige] sprake van zware kindeigen problematiek. Tien tot vijftien hulpverleners zijn betrokken geweest bij [de minderjarige] en zij slaan niet allemaal de plank mis, althans er bestaat geen aanleiding om dat te veronderstellen. [de minderjarige] mag niet de dupe worden van het feit dat zijn vader niet begrijpt wat er met [de minderjarige] aan de hand is. De vele hulpverlening heeft er uiteindelijk niet toe geleid dat er iets is afgerond. Dat moet nu gaan gebeuren. In de thuissituatie bij de vader is dat niet mogelijk. Het hof overweegt het volgende. De ondertoezichtstelling 3.8. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de vader opgemerkt dat het hoger beroep ook is gericht tegen (de verlenging van) de ondertoezichtstelling. Aangezien er evenwel geen hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van 1 maart 2019, waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd van 7 maart 2018 tot 7 maart 2019, ligt dit hoger beroep thans niet voor. Aan de opmerking van de advocaat ter zitting wordt derhalve voorbij gegaan. Hoger beroep tegen A) de bestreden beschikking van 30 mei 2018 - betreft: machtiging gesloten plaatsing periode 6 juni 2018 - 6 juli 2018 3.9. Allereerst dient het hof ambtshalve te beoordelen of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de beschikking van 30 mei 2018. Ingevolge artikel 358 lid 2 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) had de vader de gelegenheid om hoger beroep in te stellen tegen deze beschikking binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De vader heeft pas op 28 september 2018, derhalve te laat hoger beroep ingesteld. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep tegen deze beschikking en daarmee ook in zijn incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beschikking. Hoger beroep tegen B) de mondelinge beschikking van 3 juli 2018 - betreft: verlenging machtiging gesloten plaatsing periode 6 juli 2018 – 1 september 2018 3.10.1. Dit hoger beroep is tijdig ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of: er bij [de minderjarige] sprake is geweest van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en; de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [de minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3.10.2. Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.