Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-002987-17 Uitspraak : 15 februari 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 13 september 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-087251-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, wonende te [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van: identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen -na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep- aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal reeds worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts is de tenlastelegging in hoger beroep gewijzigd, waardoor de grondslag van het onderzoek is gewijzigd en komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 16 maart 2017 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten [naam broer] , heeft gebruikt door een rijbewijs op naam van [naam broer] beschikbaar te stellen aan een ambtenaar van politie, met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bespreking van de verweren A. Van de zijde van de verdachte is primair aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat hij het rijbewijs van zijn broer [naam broer] niet heeft gebruikt. De verdachte stelt dat hij het rijbewijs niet aan de verbalisanten heeft afgegeven en ook niet beschikbaar heeft gesteld. De verbalisanten hebben de verdachte direct bij zijn aanhouding gefouilleerd, waarbij het rijbewijs uit zijn broekzak is gehaald. De verdachte ontkent dat de verbalisanten van hem inzage van een identiteitsbewijs hebben gevorderd. Voorts heeft de verdachte verklaard dat de verbalisanten “liegen”, als zij in hun proces-verbaal opschrijven dat hij, verdachte, heeft aangegeven dat zijn identiteitsbewijs in zijn broekzak zat, waarna één van de verbalisanten het rijbewijs op naam van [naam broer] uit zijn broekzak haalde. Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat niet is voldaan aan het delictsbestanddeel van artikel 231b Sr “waardoor enig nadeel kon ontstaan”. Van enig nadeel dat zou kunnen ontstaan voor de tenaamgestelde van het rijbewijs, te weten [naam broer] , is niet gebleken. De raadsman heeft dit verweer als een strafuitsluitingsgrond voor de strafbaarheid van het feit naar voren gebracht, waardoor de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. B. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2017 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 5-6): Op 16 maart 2017 omstreeks 16:00 uur vernamen de verbalisanten dat een collega van hen, [verbalisant 3] genaamd, had gezien dat [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1986, als bijrijder uit een voertuig was gestapt en cafetaria Antalya aan het Brucknerplein 1 te Eindhoven was binnengegaan. Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat [verdachte] buiten heterdaad aangehouden kon worden en dat hij nog een openstaand vonnis had van een aantal dagen. Voorts was het verbalisanten bekend dat er CIE-informatie was dat [verdachte] in het bezit zou zijn van een vuurwapen. [verbalisant 3] vertelde de verbalisanten welke deur [verdachte] was binnengegaan en dat hij nog niet naar buiten was gekomen. Hierop zijn beide verbalisanten, samen met drie collega’s, omstreeks 16:45 uur naar cafetaria Antalya gegaan. De verbalisanten zijn naar binnen gegaan en zagen [verdachte] in een aparte kamer met glazen wanden staan bij een gokautomaat. Hij is direct aangehouden en ter plaatse gefouilleerd op grond van de Wet wapens en munitie. Uit deze fouillering kwamen geen bijzonderheden. Vervolgens werd van verdachte [verdachte] de inzage van een geldig identiteitsbewijs gevorderd. [verdachte] gaf aan dat zijn identiteitsbewijs in zijn broekzak zat. Hierop haalde verbalisant [verbalisant 1] een Nederlands rijbewijs op naam van [naam broer] , geboren op [geboortedag broer] te [geboortplaats broer] uit de broekzak van de verdachte. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] in een proces-verbaal bevindingen d.d. 18 maart 2017 gerelateerd dat hij een geldig legitimatiebewijs had gevorderd, omdat hij recentelijk een broer van [verdachte] had gecontroleerd en toen had gezien dat de broer zeer veel leek op [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 1] wilde zeker weten dat hij te maken had met [verdachte] en dat er geen vergissing in het spel was met een van zijn broers (dossierpagina 7). C. Het hof verwerpt het primaire verweer van de verdediging. Het hof stelt vast, dat de verdachte na zijn aanhouding en fouillering op grond van de Wet wapens en munitie op de vordering tot inzage van een identiteitsbewijs tegenover de verbalisanten heeft aangegeven dat zijn identiteitsbewijs in zijn broekzak zat. Hierop heeft één van de twee verbalisanten op aangeven van de verdachte een Nederlands rijbewijs op naam van [naam broer] uit de broekzak van de verdachte gehaald. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte de identificerende persoonsgegevens van [naam broer] heeft gebruikt door het ter beschikking stellen van diens rijbewijs aan de verbalisant. Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van het op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.