Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-003509-17 Uitspraak : 25 februari 2019 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 november 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-820169-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] , wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partijen – de gemeente Goes en de Gemeenschappelijke Regeling De Bevelanden – niet-ontvankelijk verklaard in de door hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tot schadevergoeding. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust: A. met overneming van de strafmotivering, behoudens de derde alinea onder 6.3 op pagina 5 van het vonnis; B. met uitzondering van de beslissing ter zake van de door de benadeelde partij gemeente Goes ingediende vordering tot schadevergoeding; C. met aanvulling van gronden ter zake van de door de benadeelde partij Gemeenschappelijke Regeling de Bevelanden ingediende vordering tot schadevergoeding; D. met uitzondering van de door de rechtbank opgenomen toepasselijke wettelijke voorschriften. Op te leggen straf en strafmotivering De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot een andere beslissing en andere overwegingen aangaande de aan de verdachte op te leggen straf dan die van de rechtbank. Het hof neemt derhalve de strafmotivering van de rechtbank over, met uitzondering van de overwegingen over het tekortschieten van de interne controle binnen de gemeente en de gemeenschappelijke regeling, te weten de derde alinea onder 6.3 op pagina 5 van het vonnis: ‘De rechtbank stelt (...) een substantieel bedrag’. Vordering van de benadeelde partij gemeente Goes De benadeelde partij gemeente Goes heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 285.209,05, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat de behandeling om te bepalen of de onderzoekskosten (factuur ad € 26.014,50) voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat een onderbouwing c.q. specificatie van de onderzoekskosten van [bedrijf 1] (destijds) niet was overgelegd. Ten aanzien van de overige schadeposten (€ 259.194,55) kan volgens de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat een deel van de schade op grond van eventuele eigen schuld gedeeltelijk voor rekening van de gemeente Goes blijft. Nader onderzoek zou op dat onderdeel nodig zijn. Ook in zoverre is de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Blijkens het op 18 juni 2018 door de benadeelde partij ondertekende wensenformulier is in hoger beroep het verzoek tot schadevergoeding in de strafzaak verlaagd met een bedrag van € 259.194,55 en worden alleen nog de onderzoekskosten van [bedrijf 1] – een bedrag van € 26.014,50 – gevorderd. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit de door [bedrijf 1] gemaakte onderzoekskosten. De gemaakte onderzoekskosten zijn – anders dan in eerste aanleg – middels een specificatielijst onderbouwd en voldoende gespecificeerd, mede gelet op de toelichting ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat het gaat om redelijke kosten ter vaststelling van door handelen van de verdachte veroorzaakte schade – al wordt de omvang van die schade niet in dit strafgeding vastgesteld – en zal daarom de vordering tot schadevergoeding betreffende de gemaakte onderzoekskosten van [bedrijf 1] – een bedrag van € 26.014,50 – toewijzen. Wettelijke rente De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van de niet-vergoede schade plus de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de wettelijke rente is door de benadeelde partij niet nader aangeduid. Nu de benadeelde partij de aanvangsdatum van de wettelijke rente niet nader heeft aangeduid, heeft het hof – bij de bepaling van de aanvangsdatum van de wettelijke rente – aansluiting gezocht bij het moment waarop het onderzoek door [bedrijf 1] was afgerond en de schade, zijnde de betalingsverplichting aan [bedrijf 1] , was ontstaan. Blijkens het door [bedrijf 1] opgestelde rapport is dat 8 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.