GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.218.455/01 arrest van 5 maart 2019 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. J.B.Th. van ’t Grunewold te Roermond , tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. B. van Duijn te Weert, op het bij exploot van dagvaarding van 20 juni 2017 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , gewezen vonnis van 22 maart 2017 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5395203 \ CV EXPL 16-9410) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 20 juni 2017; de memorie van grieven van [appellante] van 12 september 2017 met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 21 november 2017 met producties; de akte van [appellante] van 9 januari 2018 met producties; de antwoordakte van [geïntimeerde] van 6 februari 2018. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis van 22 maart 2017 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt: [appellante] adverteerde op Marktplaats met de verhuur van haar woning aan de [adres] te [postcode] [plaats] . De (inmiddels) ex-partner [ex-partner] heeft op de advertentie gereageerd en heeft samen met [geïntimeerde] de woning bezichtigd. Op 1 oktober 2014 is een schriftelijke huurovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellante] als verhuurder en “ [BV i/o] BV i/o” als huurder. Laatstgenoemde rechtspersoon in oprichting is daarbij vertegenwoordigd door [ex-partner] en deze is medeaansprakelijk in de privésfeer voor het huurcontract. Zowel [BV i/o] BV i/o en [ex-partner] zijn in het contract als huurders genoemd. Het huurcontract is door [ex-partner] , namens [BV i/o] BV i/o en als mede-aansprakelijke in de privésfeer, ondertekend. Op 1 oktober 2014 sluiten [appellante] en [BV i/o] BV i/o en [ex-partner] nog een overeenkomst waarbij [appellante] toestemming verleent aan [BV i/o] BV i/o en aan [ex-partner] tot onderverhuur van de woning aan [geïntimeerde] . [appellante] , [ex-partner] en [geïntimeerde] hebben deze overeenkomst voor akkoord getekend. Bij brief van 29 maart 2015 zegt [ex-partner] de huurovereenkomst op tegen 1 april 2015 en deelt mede dat [geïntimeerde] in de woning blijft wonen en verantwoordelijk is voor het betalen van de huur. Bij brief van 31 mei 2015 bericht [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende: (…)“Op dinsdag 26 mei 2015 is aan u de volgende SMS naar uw nummer [telefoonnummer] gezonden: Mededeling aan: [geïntimeerde] ( [geboortedatum] 1982) Hierbij wordt u medegedeeld dat het pand [adres] te [postcode] [plaats] door u op woensdag 27 mei 2015 om 11.00 dient te zijn ontruimt en definitief verlaten. Hierna komen alle kosten van ontruiming en juridische kosten en overige kosten in de ruimste zin van het woord voor uw rekening en het is u verboden het pand te betreden. Het pand dient verder te worden opgeleverd (eindinspectie). Bij bewoning na 27 mei 2015 is er een vergoeding van euro 300 per dag verschuldigd, onmiddellijk opeisbaar. U heeft het pand tot heden niet ontruimt. Het door u verschuldigde bedrag voor verblijf op 28-29-30-31 mei bedraagt Thans 4 dagen x € 300 = € 1.200 Verzocht wordt dit bedrag binnen 2 dagen te voldoen op [rekeningnummer] (…)”. Bij brieven van 4 juni 2015 en 8 juni 2015 is [geïntimeerde] wederom verzocht het gehuurde te ontruimen en de per dag te verbeuren vergoeding van € 300,= per dag te betalen. [geïntimeerde] heeft de woning op 22 juni 2015 verlaten. Tussen partijen is daarna nog gecorrespondeerd. 3.2 Bij dagvaarding van 16 september 2016 heeft [appellante] de onderhavige vordering tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelde [appellante] in eerste aanleg dat [geïntimeerde] als (mede)huurder van de woning aan de [adres] te [plaats] gehouden is tot betaling van de huur van € 975,= per maand over de periode van april 2015 tot en met november 2015, in totaal € 7.800,=. Subsidiair stelde [appellante] dat [geïntimeerde] over de periode van 28 mei 2015 tot en met 22 juni 2015 een bedrag van € 300,= per dag aan boete met € 300,= aan administratiekosten, in totaal eveneens € 7.800,= verschuldigd is geworden. Daarnaast stelde [appellante] dat [geïntimeerde] de woning niet correct heeft opgeleverd en dat dit voor [appellante] een schade van € 2.000,= heeft opgeleverd. Op grond hiervan vorderde [appellante] in eerste aanleg veroordeling van [appellante] tot betaling van deze bedragen, met € 1.778,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, in totaal € 11.578,70, met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft deze vordering bestreden. Volgens [geïntimeerde] heeft tussen [appellante] en haarzelf geen huurovereenkomst bestaan en is tussen hen evenmin een boete overeengekomen. Tot oplevering van de woning was zij niet gehouden, terwijl zij de gestelde schade eveneens betwist, aldus [geïntimeerde] . 3.3 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen bepaald die op 26 januari 2017 heeft plaatsgevonden. Bij vonnis van 22 maart 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv heeft verzuimd de aan haar vordering ten grondslag gelegde, voor de beslissing van belang zijnde feiten, steeds volledig en naar waarheid aan te voeren. De kantonrechter achtte deze schending niet zodanig ernstig dat dit tot niet-ontvankelijkheid van [appellante] zou moeten leiden, maar zou er wel rekening mee houden bij de beoordeling (r.o. 4.5). Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat [ex-partner] de huurovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd, zodat hij als huurder en [geïntimeerde] als onderhuurder moet worden aangemerkt. De vordering van [appellante] tot betaling van achterstallige huurpenningen is daarom reeds niet toewijsbaar (r.o. 4.6). Over de subsidiair gevorderde boete hebben [appellante] en haar gemachtigde naar het oordeel van de kantonrechter willens en wetens en in strijd met artikel 21 Rv onjuiste informatie verstrekt. De boete en de administratiekosten zijn niet toewijsbaar geoordeeld (r.o. 4.7). De vordering tot betaling van € 2.000,= aan opleveringskosten oordeelde de kantonrechter onvoldoende onderbouwd en daarom niet toewijsbaar (r.o. 4.8). De vordering van [appellante] is geheel afgewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten. 3.4 In hoger beroep heeft [appellante] haar eis verminderd. Zij stelt thans dat [geïntimeerde] haar over de maanden april, mei en juni 2015 de huurprijs van € 975,= per maand verschuldigd is. Subsidiair stelt [appellante] dat [geïntimeerde] haar over die drie maanden een bedrag van € 650,= per maand verschuldigd is, het bedrag dat [geïntimeerde] als onderhuurder aan [BV i/o] BV i/o c.q. [ex-partner] verschuldigd was. Aan opleveringsschade dient [geïntimeerde] volgens [appellante] een bedrag van € 2.783,61 te betalen. Op dit onderdeel vermeerdert zij haar eis met een bedrag van € 783,61. Primair vordert [appellante] nu veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 5.708,61 (€ 2.925,= + € 2.783,61) en subsidiair tot betaling van een bedrag van € 4.733,61 (€ 1.950,= + € 2.783,61), een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf verschillende data, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties met nakosten. Deze vermindering van eis betekent dat in hoger beroep niet langer aan de orde zijn: - huurtermijnen na juni 2015; - boetes; - buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] heeft de verminderde vordering van [appellante] in hoger beroep gemotiveerd bestreden. 3.5 [appellante] heeft vijf grieven aangevoerd. Deze betreffen het oordeel van de kantonrechter over de huurtermijnen, de vergoeding van opleveringsschade en de proceskosten. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling bij de bespreking van de vorderingen zoals deze nu in hoger beroep aan de orde zijn. 3.6 Volgens [appellante] heeft zij met [ex-partner] en [geïntimeerde] gezamenlijk een mondelinge huurovereenkomst gesloten voorafgaande aan de schriftelijke overeenkomst met [BV i/o] BV i/o en [ex-partner] van 1 oktober 2014 die hiervoor in 3.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.