GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerken: 19/00366 tot en met 19/00369 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 juni 2019, nummers BRE 17/7508, 17/8228, 17/8229 en 17/8230 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, hierna: de inspecteur, betreffende hierna vermelde (navorderings)aanslagen. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn onder aanslagnummers [aanslagnummer] H.27.01, [aanslagnummer] H.37.01 en [aanslagnummer] H.47.01 over de jaren 2012 tot en met 2014 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over het jaar 2015 een aanslag IB/PVV met aanslagnummer [aanslagnummer] H.56 opgelegd, berekend naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning: Jaar Belastbaar inkomen uit werk en woning 2012 € 9.928 2013 € 9.425 2014 € 9.463 2015 € 9.507 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak de navorderingsaanslagen en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 5 februari 2020 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur] . Het hoger beroep is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van de echtgenote van belanghebbende, [de vrouw] . 1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1961 en is in de jaren waarop de aanslagen zien gehuwd met [de vrouw] . Hij heeft vijf kinderen geboren in 1983, 1984, 1995, 2007 en 2011. 2.2. Op respectievelijk 19 maart 2013, 26 februari 2014, 6 maart 2015 en 16 mei 2016 zijn namens belanghebbende aangiftes IB/PVV 2012 tot en met 2015 gedaan. In de aangiftes zijn de volgende bedragen als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht door belanghebbende: Jaar Aftrek zorgkosten Aftrek giften Aftrek levensonderhoud kinderen 2012 € 1.273 2013 € 2.089 € 302 € 355 2014 € 2.056 € 626 € 1.000 2015 € 2.740 € 815 2.3. Voor de jaren 2012 tot en met 2014 zijn aan belanghebbende aanslagen opgelegd conform zijn aangifte. Nadat de inspecteur is gebleken dat de toenmalige gemachtigde van belanghebbende namens meerdere belastingplichtigen aangiftes heeft ingediend waarin onjuiste bedragen waren opgenomen, heeft hij belanghebbende gevraagd om de opgenomen aftrekposten aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft hierop de inspecteur geïnformeerd dat hij geen bewijsstukken heeft. 2.4. Aan belanghebbende is vervolgens een voornemen gestuurd om voor de jaren 2012 tot en met 2014 navorderingsaanslagen op te leggen. Belanghebbende heeft niet op dit voornemen gereageerd. Vervolgens zijn op 17 juni 2017 navorderingsaanslagen 2012 tot en met 2014 (hierna: de navorderingsaanslagen) opgelegd waarbij geen rekening is gehouden met de in de aangiftes opgenomen persoonsgebonden aftrek. 2.5. Daarnaast is aan belanghebbende op 19 november 2016 een vragenbrief gestuurd over zijn aangifte IB/PVV 2015. Belanghebbende stelt hierop te hebben gereageerd. De inspecteur ontkent echter deze brief te hebben ontvangen. Op 30 maart 2017 is aan belanghebbende een voornemen gestuurd af te wijken van zijn aangifte ten aanzien van de door hem opgevoerde persoonsgebonden aftrek. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Vervolgens is de aanslag IB/PVV 2015 (hierna: de aanslag 2015) opgelegd eveneens zonder rekening te houden met de persoonsgebonden aftrek. 2.6. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde navorderingsaan-slagen en de aan hem opgelegde aanslag 2015 maar heeft zijn bezwaar tegen de navorderings-aanslagen niet (nader) gemotiveerd, ook niet na diverse aanmaningen daartoe. Belanghebbende stelt bij brief van 26 september 2017 zijn bezwaar tegen de aanslag 2015 te hebben gemotiveerd. De inspecteur bestrijdt dat hij deze brief van belanghebbende heeft ontvangen. De bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen en de aanslag 2015 zijn door de inspecteur kennelijk ongegrond verklaard zonder belanghebbende voorafgaand te horen. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Is belanghebbende ten onrechte niet gehoord in bezwaar? Is sprake van schending van het verdedigingsbeginsel? Zijn de navorderingsaanslagen ten onrechte opgelegd? Is de aanslag 2015 te hoog? 3.2. Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen en verlaging van de aanslag 2015 conform de ingediende aangifte. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Schending hoorplicht 4.1. Op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een bestuursorgaan voordat het op het bezwaar beslist belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Echter, er kan worden afgezien van het horen van belanghebbende als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is, belanghebbende heeft verklaard niet te willen worden gehoord, belanghebbende niet binnen de door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn kenbaar maakt gehoord te willen worden of als in bezwaar volledig aan belanghebbende tegemoet wordt gekomen. 4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd en de aanslag 2015 dient te worden verlaagd omdat hij ten onrechte niet gehoord is. De inspecteur is van mening dat de bezwaren van belanghebbende terecht kennelijk ongegrond zijn verklaard en dat daarom belanghebbende niet gehoord hoefde te worden. Mocht het Hof oordelen dat belanghebbende had moeten worden gehoord in bezwaar, dan stelt de inspecteur zich op het standpunt dat aan deze schending op grond van artikel 6:22 van de Awb voorbij kan worden gegaan. Ook bestrijdt de inspecteur de verzending van de nadere motivering van het bezwaar tegen de aanslag. 4.3. Van een kennelijk ongegrond bezwaar kan alleen sprake zijn wanneer uit het bezwaarschrift zelf al volgt dat het bezwaar ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Het Hof is van oordeel dat, anders dan de inspecteur stelt, de bezwaren van belanghebbende tegen zowel de navorderingsaanslagen als tegen de aanslag ten onrechte kennelijk ongegrond zijn verklaard. Immers, uit de bezwaarschriften zelf volgde niet al dat het bezwaar ongegrond was. Ook uit het overige door de inspecteur aangevoerde blijkt niet dat op grond van een van de andere in artikel 7:3 van de Awb genoemde gronden het horen van belanghebbende achterwege kon blijven. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord. 4.4. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat belanghebbende door het niet horen niet in zijn belangen is geschaad. Ten aanzien hiervan heeft de rechtbank als volgt overwogen: “2.3. De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende is in bezwaar niet gehoord. Belanghebbende heeft, voorafgaand aan liet opleggen van de navorderingaanslagen door de inspecteur, schriftelijk te kennen gegeven dat hij geen bewijsstukken heeft gevonden. Bij de aanslagregeling van het jaar 2015 heeft belanghebbende niet op het verzoek van de inspecteur gereageerd. Belanghebbende heeft ter zitting ook bevestigd dat er geen andere bescheiden zijn dan het stuk uit 2015 uit Tunesië betreffende tandheelkundige hulp en de ontvangstbevestiging van [A] uit 2015 die eerst bij het indienen van de gronden van het beroep over 2015 zijn overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, die ook in de gehele bezwaarfase is bijgestaan door dezelfde advocaat als in beroep voldoende in de gelegenheid is gesteld de benodigde stukken over te leggen aan de inspecteur. Te meer nu hij telkens bij het verlenen van het gevraagde uitstel erop is gewezen dat de inspecteur beslist op het bezwaar zonder dat er is gehoord indien hij niet binnen de nader gestelde termijn alsnog stukken over legt dan wel nader motiveert. Gelet op voormelde omstandigheden is dc rechtbank van oordeel dat, zelfs als de hoorplicht al geschonden is, belanghebbende door het niet-horen niet is benadeeld. De rechtbank gaat derhalve met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb aan deze schending voorbij.” 4.5. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden beslist dat voorbij gegaan kan worden aan de (mogelijke) schending van de hoorplicht. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat belanghebbende ook in hoger beroep geen nieuwe bewijsstukken heeft overgelegd. Het Hof zal dan ook aan de schending van de hoorplicht voorbijgaan. Schending verdedigingsbeginsel 4.6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel en dat daarom de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd en de aanslag 2015 dient te worden verlaagd. 4.7. In het arrest van 9 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2082) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “2.5.3. Het middel gaat uit van de opvatting dat het verdedigingsbeginsel niet geldt in gevallen waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.