GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00518 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 juli 2019, nummer BRE 18/3177 in het geding tussen [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorijtuigenbelasting over de periode 10 januari 2017 tot en met 8 november 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar wat betreft de boete gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.5. De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 4 februari 2020 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 5 februari 2020 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.1. Belanghebbende stond in de periode 9 mei 2016 tot en met 11 februari 2018 als houder van het motorrijtuig [kenteken] (hierna: de auto) ingeschreven in het kentekenregister van de RDW. De geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst van 10 januari 2017 tot en met 9 januari 2018. 2.2. Belanghebbende heeft de auto tijdens de schorsing gestald bij een garage. De garagehouder heeft de auto op 4 november 2017 buiten medeweten van belanghebbende op de openbare weg geparkeerd. Dit is geconstateerd bij een controle. 2.3. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 727. Ook is bij beschikking een boete opgelegd van € 727. Bij uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd, maar is de boete verminderd tot € 363, omdat het weggebruik zonder medeweten van belanghebbende heeft plaatsgevonden. 2.4. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verder verminderd tot € 181. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank de boete terecht heeft verminderd naar € 181. 3.2. De inspecteur is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Vooraf en ambtshalve 4.1. Zoals volgt uit de onder 1.6 vermelde stukken is de uitnodiging op 5 februari 2020 uitgereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Ten aanzien van het geschil 4.2. De hoogte van de naheffingsaanslag is niet langer in geschil. Het gaat alleen nog om de vraag welke boete passend en geboden is. 4.3. Artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat in een geval als hier aan de orde een verzuimboete kan worden opgelegd van ten hoogste € 5.278. In paragraaf 34, lid 2, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is bepaald dat deze boete maximaal 100% van het belastingbedrag bedraagt. 4.4. Voor het opleggen van de boete is niet van belang of belanghebbende opzet of grove schuld kan worden verweten. Alleen indien er sprake is van afwezigheid van alle schuld blijft een boete achterwege. 4.5. Het hof zal eerst beoordelen of er sprake is van afwezigheid van alle schuld. In het arrest van 10 april 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een situatie waarin de belastingplichtige de garagehouder op de hoogte heeft gesteld van de schorsing van het kenteken en de auto buiten medeweten van de belastingplichtige op de openbare weg is gezet, sprake is van afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende heeft in dit geval gesteld dat de auto voor een periode van twee maanden is gestald bij de garage en dat de garagehouder op de hoogte was van de schorsing. Het gebruik van de openbare weg heeft zich voorgedaan na bijna elf maanden. Uit de stukken van geding kan niet worden afgeleid wat voor afspraken belanghebbende na het verstrijken van de twee maanden heeft gemaakt met de garagehouder. Evenmin is komen vast te staan dat de garagehouder op de hoogte was van een langere schorsing dan de aanvankelijk afgesproken twee maanden. Het hof is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende in dat verband voldoende zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem mag worden verlangd. Dit betekent dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld en dat terecht een boete is opgelegd. 4.6. Het hof zal vervolgens beoordelen of de opgelegde boete, zoals die na de uitspraak op bezwaar is vastgesteld, passend en geboden is. De rechtbank heeft de boete gematigd tot 25% van de verschuldigde belasting, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.