GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.261.649/01 arrest van 31 maart 2020 in de zaak van [Infra] Infra B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen, tegen: [Transportbedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. S.L. Smits-Emons te Sittard, op het bij exploot van dagvaarding van 20 juni 2019 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 17 april 2019 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 7312372 \ CV EXPL 18-7479) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 20 juni 2019 met grieven en producties; - de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 10 september 2019 met producties; - de akte van [appellante] van 22 oktober 2019 met een productie; - de antwoordakte van [geïntimeerde] van 19 november 2019. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. [appellante] is een bedrijf dat zich onder meer bezighoudt met wegenbouw. [geïntimeerde] is een bedrijf dat zich onder meer bezighoudt met het transport van grond. In 2017 en 2018 heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] een aantal werkzaamheden uitgevoerd in [plaats 1] en [plaats 2] . Facturering door [geïntimeerde] geschiedde op basis van tegenbonnen/contrabonnen die [appellante] opstelde na ontvangst van overzichten van de in opdracht van [appellante] door [geïntimeerde] uitgevoerde opdrachten. De facturen die [geïntimeerde] in de loop van 2017 via deze werkwijze aan [appellante] heeft gezonden zijn door [appellante] voldaan. Op de facturen van [geïntimeerde] is een betaaltermijn van 30 dagen met een rente van 1% per maand vermeld. Bij e-mail van 20 november 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een drietal tarieven opgegeven voor het depot [plaats 1] , waaronder een tarief voor keuring en een tarief van € 6,20 per ton voor het afvoeren van grond. Bij e-mail van 24 november 2017 heeft [appellante] laten weten dat de prijzen akkoord zijn. Eind 2017/begin 2018 heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] in [plaats 1] een hoeveelheid industriegrond afgevoerd en gestort. [geïntimeerde] heeft deze werkzaamheden bij factuur van 4 mei 2018 ten bedrage van € 10.624,03 inclusief btw aan [appellante] in rekening gebracht, op basis van € 6,20 exclusief btw per ton. Op sommaties van [geïntimeerde] heeft [appellante] aanvankelijk bij brief van 30 augustus 2018 geantwoord dat de factuur niet akkoord was omdat hieraan geen inkoopbon was toegevoegd en nadien bij brief van 13 september 2018 dat de factuur niet in de boekhouding voorkomt. Ondanks de sommaties van [geïntimeerde] is deze factuur onbetaald gebleven. 3.2 Bij dagvaarding van 22 oktober 2018 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellante] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat haar factuur van 4 mei 2018 gebaseerd is op de tussen partijen gemaakte afspraken over de uit te voeren werkzaamheden, waaronder de prijsafspraak, zodat deze factuur ten onrechte niet is voldaan. Op grond hiervan vordert [geïntimeerde] in conventie, samengevat, veroordeling van [appellante] tot betaling van het openstaande factuurbedrag van € 10.624,03, vermeerderd met de contractuele rente dan wel de wettelijke handelsrente en met € 881,24 aan buitengerechtelijke incassokosten. 3.3 [appellante] heeft de vordering van [geïntimeerde] bestreden. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] een tarief van € 6,20 per ton toegepast, terwijl een tarief van € 5,90 per ton was afgesproken. Naar aanleiding van de discussie over de factuur van [geïntimeerde] van 4 mei 2018 heeft zij de eerder door [geïntimeerde] verzonden en door [appellante] betaalde facturen gecontroleerd en daarbij vastgesteld dat bij het project [plaats 1] € 7.084,33 en bij het project [plaats 2] € 12.250,= te veel is betaald omdat ten onrechte transportkosten in rekening zijn gebracht die reeds waren begrepen in het toepasselijke tarief. In conventie beroept [appellante] zich op verrekening, in reconventie vordert [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van deze bedragen (na verrekening), vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vorderde [appellante] in eerste aanleg afgifte van een keuringsrapport. [geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellante] in reconventie op haar beurt bestreden. Zij beroept zich daarbij op rechtsverwerking aan de kant van [appellante] . Afgezien daarvan zijn de facturen die zij heeft toegestuurd in overeenstemming met de gemaakte afspraken, aldus [geïntimeerde] . Het keuringsrapport waarvan [appellante] afgifte vorderde, heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegd. 3.4 In eerste aanleg heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald die op 18 maart 2019 heeft plaatsgevonden. Bij vonnis van 17 april 2019 heeft de kantonrechter in conventie de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en in reconventie de vorderingen van [appellante] afgewezen. [appellante] is in conventie en in reconventie veroordeeld in de proceskosten met de wettelijke rente en nakosten. 3.5 Tegen het vonnis van 17 april 2019 heeft [appellante] acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] in conventie en het alsnog toewijzen van haar vorderingen in reconventie, met terugbetaling van hetgeen [appellante] uit hoofde van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Het hof gaat ervan uit dat [appellante] niet langer de afgifte van het keuringsrapport vordert, nu die vordering in eerste aanleg is afgewezen omdat het keuringsrapport inmiddels was overgelegd en [appellante] daartegen geen grief heeft gericht. 3.6 In eerste aanleg baseerde [appellante] haar standpunten op twee opdrachtbevestigingen van 27 juni 2017, overgelegd bij conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie als productie 3 (project [plaats 1] ) en productie 4 (project [plaats 2] ). [geïntimeerde] heeft de ontvangst van deze opdrachtbevestigingen ontkend en er op gewezen dat deze niet door haar zijn ondertekend. In haar dagvaarding in hoger beroep (punt 9) stelt [appellante] met betrekking tot de tarieven voor de projecten dat de wilsovereenstemming tussen partijen is neergelegd in deze producties die weliswaar niet door [geïntimeerde] zijn ondertekend maar dat het akkoord van [geïntimeerde] voortvloeit uit haar producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie. Productie 1 is een overzicht van prijsafspraken voor beide projecten van 15 juni 2017 en productie 2 een e-mailwisseling van 23 juni 2017 over de prijsafspraken. Het hof leidt hier uit af dat [appellante] deze opdrachtbevestigingen niet meer als grondslag hanteert maar zich baseert op het overzicht van prijsafspraken van 15 juni 2017. Door [appellante] is in ieder geval niet aannemelijk gemaakt of te bewijzen aangeboden dat de opdrachtbevestigingen de wilsovereenstemming tussen partijen weergeven. 3.7 [geïntimeerde] heeft ook de relevantie van het overzicht van prijsafspraken van 15 juni 2017 betwist. Volgens haar zijn de producties 1 en 2 nietszeggend en blijkt niet dat het overzicht aan haar is toegezonden en geaccordeerd. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit standpunt. In eerste aanleg heeft [appellante] bij akte van 18 maart 2019 de e-mailcorrespondentie overgelegd waarvan productie 2 deel uitmaakt. Die correspondentie, die overeenstemming over prijzen inhoudt, begint met een e-mail van [appellante] waarin wordt verwezen naar een bijlage met prijsafspraken. In die akte is dat het overzicht van 15 juni 2017. Door [geïntimeerde] is in hoger beroep de authenticiteit van die correspondentie niet betwist. Evenmin is door [geïntimeerde] gesteld dat bij de eerste e-mail van [appellante] een andere bijlage was gevoegd dan het overzicht van prijsafspraken van 15 juni 2017 noch welke bijlage dat dan geweest zou zijn. Ook heeft [geïntimeerde] niet aannemelijk gemaakt dat partijen zonder een dergelijk geheel van prijsafspraken hebben samengewerkt. Het hof concludeert dat het overzicht van 15 juni 2017 de prijsafspraken betreft waarmee de samenwerking tussen partijen voor de projecten [plaats 1] en [plaats 2] is begonnen zodat dit overzicht het uitgangspunt vormt voor de beoordeling van de vorderingen van partijen. Bij die vorderingen gaat het overigens steeds om de toegepaste tarieven. Dat de gefactureerde werkzaamheden volgens opdracht zijn uitgevoerd, is niet in geschil. Tegen deze achtergrond zal het hof de vorderingen van partijen bespreken. De grieven van [appellante] lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.8 Wat de vordering van [geïntimeerde] in conventie betreft, gaat het allereerst om de vraag of [geïntimeerde] in haar factuur van 4 mei 2018 het juiste tarief heeft toegepast. Voor de werkzaamheden waarop deze factuur betrekking heeft, het vervoer en storten van industriegrond voor het project [plaats 1] , is in het overzicht van prijsafspraken van 15 juni 2017 een bedrag van € 5,90 per ton opgenomen, terwijl de factuur van [geïntimeerde] een bedrag van € 6,20 per ton vermeldt. Volgens [geïntimeerde] is dit gebaseerd op de e-mailwisseling van eind november 2017, die hiervoor in deze uitspraak in 3.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.