GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 16 januari 2020 Zaaknummer: 200.174.001/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/182631 FA RK 13-1574 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. W.C.G.J. Sterk, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Moszkowicz Jr. 5De beschikking d.d. 26 april 2018 Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar: de vraag of - uitgaande van het voorlopig oordeel van het hof dat de aandelen van de man in de Inc niet door de man zijn gekocht maar dat de Inc door hemzelf is opgericht en uitgaande van het feit dat tussen partijen op grond van het Braziliaanse huwelijksvermogensrecht tussen hen het wettelijk systeem van “comunhão parcial de bens” van toepassing was - de waarde van de bij de man in eigendom zijnde aandelen in zijn Amerikaanse vennootschap [Amerikaanse vennootschap] Inc , in de partiële gemeenschap van partijen valt; de vraag of – uitgaande van het feit dat tussen partijen op grond van het Braziliaanse huwelijksvermogensrecht tussen hen het wettelijk systeem van “comunhão parcial de bens” van toepassing was – de schulden van de man wegens aanslagen IB over de jaren 2010, 2011 en 2012, in de partiële gemeenschap vallen. Het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) is benoemd als deskundige. 6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 6.1. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van: - de brief van de advocaat van de man d.d. 8 mei 2018; - de brief van de advocaat van de man d.d. 23 juli 2018; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 23 juli 2018; - de brief van het IJI van 6 augustus 2018; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 17 augustus 2018; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 11 oktober 2018; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 13 november 2018; - de brief van de advocaat van de man d.d. 14 november 2018; - de brief van de advocaat van de man d.d. 11 maart 2019; - de brief van het IJI van 2 april 2019; - de brief van de advocaat van de man d.d. 7 mei 2019 met bijlagen; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 7 mei 2019 met bijlagen; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 15 mei 2019; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 13 juni 2019; - de brief van de advocaat van de man d.d. 26 juni 2019; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 25 juli 2019; - de brief van de advocaat van de man d.d. 13 augustus 2019; - de brief van de advocaat van de man d.d. 21 augustus 2019; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 21 augustus 2019; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 11 november 2019; - de brief van de advocaat van de man d.d. 13 november 2019. 7De verdere beoordeling 7.1. Na het geven van de tussenbeschikking van 26 april 2018 is bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het voorschot van het IJI van € 7.500,--. 7.2. Bij brief van 23 juli 2018 heeft de man het hof bericht dat partijen mogelijk overeenstemming bereiken over de aandelen zodat de deskundige vraag a niet meer hoeft te beantwoorden. Bij brief van 11 oktober 2018 heeft de vrouw het hof bevestigd dat het verzoek met betrekking tot de aandelen wordt ingetrokken zodat vraag a niet meer door de deskundige hoeft te worden beantwoord. 7.3. Bij brief van 6 augustus 2018 heeft het IJI aangegeven dat indien de noodzaak van beantwoording van vraag a komt te vervallen, het IJI in het geheel afziet van het uitbrengen van advies in deze zaak. Reden is dat vraag b een fiscaal component kent en het fiscale recht niet behoort tot de expertise van het IJI, waardoor een advies waarin het fiscale recht centraal staat niet tot de mogelijkheden van advisering behoort. Bij brief van 2 april 2019 heeft het IJI nogmaals herhaald niet benoemd te willen worden tot deskundige ter beantwoording van vraag b, nu die ziet op buitenlands fiscaal recht en dat buiten het experticegebied van het instituut ligt. Wel wil het IJI bemiddelen bij het inwinnen van een advies bij een deskundige op het terrein van het Braziliaans fiscale recht. 7.4. Bij brief van 15 mei 2019 heeft de vrouw het hof bericht niet te begrijpen dat door het IJI een hoogleraar Belastingrecht wordt voorgesteld nu het geschil betrekking heeft op huwelijksvermogensrecht en niet op een belastingkwestie. 7.5. De raadsheer-commissaris heeft het IJI nogmaals gevraagd of zij voornoemde vraag b wil beantwoorden met daarbij de opmerking dat het een huwelijksvermogensrechtelijke vraag en geen fiscaalrechtelijke vraag betreft en dat de te benoemen deskundige kennis moet hebben van het Braziliaanse huwelijksvermogensrecht en dat kennis van het (Braziliaans) fiscaal recht niet vereist is. Het IJI blijft bij haar mening dat een Braziliaans fiscaal deskundige ingeschakeld moet worden. 7.6. Gelet op de hoogte van het door het IJI berekende voorschot en de bezwaren die daartegen door partijen zijn geuit alsmede de vraag die is opgeworpen of het inschakelen van een hoogleraar in het Braziliaans fiscaal recht nodig is, heeft het hof in de brief van 24 juli 2019 aangegeven dat vraag b mogelijk zou kunnen worden voorgelegd aan het T.M.C Asser Instituut te [plaats] dat al eerder in de zaak van partijen advies heeft uitgebracht. Daarbij zal de vraagstelling worden gehanteerd zoals in rov. 7.7.3 van de beschikking van 26 april 2018 weergegeven en zullen een beperkt aantal stukken, te weten de beschikkingen van het hof en de producties inhoudende de aanslagen IB over de jaren 2010 tot en met 2012, alsmede het eerdere advies van het T.M.C Asser Instituut aan de deskundige worden verstrekt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich binnen drie weken na 24 juli 2019 hierover uit te laten. 7.7. Bij voornoemde brief van de advocaat van de vrouw van 21 augustus 2019 heeft de vrouw aangegeven zich te kunnen verenigen met het voorleggen van vraag b aan het IJI of het T.M.C Asser Instituut. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven dat het volgens de Braziliaanse advocaat van de vrouw van belang kan zijn dat de deskundige kennis neemt van de wijze waarop de desbetreffende belastingschulden tot stand zijn gekomen. 7.8. Bij voornoemde brief van de advocaat van de man van 21 augustus 2019 heeft de advocaat van de man aangegeven dat hij, alvorens een voorkeur uit te spreken, wil vernemen tegen welke kosten het T.M.C Asser Instituut advies kan uitbrengen over vraag b. De man is het eens met het oordeel van de raadsheer-commissaris dat kan worden volstaan met toezending van een beperkt aantal stukken. 7.9. Het hof heeft vervolgens aangegeven de vraagstelling te hanteren zoals in rov. 7.7.3 van de beschikking van 26 april 2018 weergegeven (ten aanzien van vraag
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.