GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.275.409/01 arrest van 21 april 2020 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van 1De vennootschap onder firma [de vof] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellante 2] ,wonende te [woonplaats] , 3. [de vennootschap] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , en kantoorhoudende te [kantoorplaats] , appellanten in de hoofdzaak, eiseressen in het incident, hierna te noemen: werkgever, advocaat: mr. M. IJzelenberg te Goes, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, hierna te noemen: werknemer, advocaat: mr. C.A.F. Haans te Goes, op het bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 21 februari 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellanten – werkgever – als gedaagden en geïntimeerde – werknemer – als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8285154 VV 20-9) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven, incident ex artikel 351 Rv en producties 1 tot en met 16; de antwoordconclusie in het incident. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. Het hof gaat voor de beoordeling van het incident uit van de navolgende feiten: - Werknemer is op 1 februari 2019 voor de duur van twaalf maanden in dienst getreden bij werkgever. Werkgever heeft werknemer op 22 december 2019 op staande voet ontslagen, omdat werknemer op 21 december 2019 niet op het werk was verschenen. - Werknemer is van mening dat het gegeven ontslag op staande voet geen stand kan houden. Daarom heeft werknemer in eerste aanleg in een kortgedingprocedure onder meer betaling van achterstallig loon gevorderd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. - In het bestreden vonnis van 21 februari 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het voorshands in grote mate aannemelijk is dat het ontslag op staande voet in een eventueel nog te voeren bodemprocedure geen stand houdt. Op grond daarvan heeft de kantonrechter werkgever onder meer veroordeeld tot betaling van het loon over de maanden december 2019 en januari 2020. 3.2. Werkgever is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij appeldagvaarding heeft werkgever een incidentele vordering ingesteld tot het onmiddellijk schorsen van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in ieder geval voor de duur van de onderhavige procedure en werknemer te veroordelen in de kosten van het incident. Werkgever heeft ter onderbouwing van haar incidentele vordering het volgende aangevoerd. Samengevat stelt werkgever dat er een nieuw feit is waar de kantonrechter ten tijde van het wijzen van het vonnis geen rekening mee heeft kunnen houden. Verder stelt de werkgever dat sprake is van een zeer groot restitutierisico, onder meer vanwege de forse schulden van werknemer. Voorts leidt een betekening en verdere executie van het vonnis tot het hoogstwaarschijnlijk leggen van beslag. Dat zou volgens werkgever grote (financiële) problemen en schade met zich brengen. 3.3. Werknemer heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van werkgever in de kosten van het incident. 3.4. Het hof overweegt als volgt. 3.5. Bij de beoordeling van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv of een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld, heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.