GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 19/00602 tot en met 19/00604 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, hierna: de heffingsambtenaar, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 oktober 2019, nummer BRE 19/639 tot en met 19/641 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZ‑beschikking) en daarbij de waarde van: [adres 1] te [woonplaats] , [adres 2] te [plaats] , en [adres 3] te [plaats] , (hierna: de onroerende zaken) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen (hierna: ozb) voor het jaar 2018 bekendgemaakt. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard ten aanzien van de dwangsom en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord. 1.7. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten. 2Feiten 2.1. Bij beschikkingen van 28 februari 2018 is op grond van artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaken, per waardepeildatum 1 januari 2017 voor het kalenderjaar 2018, vastgesteld. Tegelijkertijd met de beschikkingen zijn aan belanghebbende aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2018 (hierna: de aanslagen) opgelegd. De beschikkingen en de aanslagen zijn op één aanslagbiljet vermeld. 2.2. Belanghebbende heeft op 27 februari 2018 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen. Op 19 december 2018 heeft telefonisch een hoorgesprek plaatsgevonden. 2.3. Bij brief van 2 januari 2019 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld in de zin van artikel 4:17, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), waarin zij de heffingsambtenaar heeft verzocht op korte termijn uitspraak op bezwaar te doen. 2.4. De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling op 18 januari 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat bij brief van 21 december 2018 de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar op grond van artikel 7:10, lid 3, Awb met zes weken was verlengd. 2.5. Bij uitspraak op bezwaar van 1 februari 2019 heeft de heffingsambtenaar de waarde van [adres 2] te [plaats] gehandhaafd en de waarde van [adres 3] te [plaats] en [adres 1] te [woonplaats] verminderd. De aanslagen zijn voor zover van toepassing dienovereenkomstig verminderd. 2.6. Tevens heeft de heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar een kostenvergoeding toegekend van € 508. Deze vergoeding is als volgt opgebouwd: - Indienen bezwaarschrift: 1 punt x € 254 = € 254 - Hoorgesprek: 1 punt x € 254 = € 254 Totale vergoeding: € 508. 2.7. Belanghebbende heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en tegen de (impliciete) weigering van de heffingsambtenaar tot het toekennen van een dwangsom. De rechtbank heeft het beroep over de dwangsom gegrond verklaard, een dwangsom van € 357 toegekend, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld tot een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 640 en teruggave van het griffierecht gelast. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1) Is de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot het juiste bedrag vastgesteld? 2) Heeft belanghebbende recht op een dwangsom? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake de dwangsom, het griffierecht en de proceskosten voor de beroepsfase, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover het betreft de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase berekend voor twee zaken (2 zaken x 2 punten x tarief per punt), subsidiair een kostenvergoeding voor de bezwaarfase berekend voor één zaak maar met een factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het betreft de toekenning van een dwangsom en bevestiging van de uitspraak voor het overige. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Vraag 1 4.1. Belanghebbende betoogt primair, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 juli 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:6930, dat sprake is van twee bezwaren omdat de onroerende zaken in twee verschillenden gemeenten zijn gelegen. Daarom moet volgens belanghebbende een vergoeding voor de bezwaarfase worden toegekend van 2 zaken x 2 punten (1 voor het bezwaarschrift en 1 voor het hoorgesprek) x tarief per punt. In 2020 geldt een tarief van € 261 per punt zodat belanghebbendes primaire standpunt neerkomt op een vergoeding van € 1.044. 4.2. De Hoge Raad heeft beslist dat voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Deze arresten van de Hoge Raad zien op een situatie waarin bezwaar wordt gemaakt tegen op één aanslagbiljet vermelde WOZ-beschikkingen en aanslagen ozb die betrekking hebben op meerdere onroerende zaken die zijn gelegen binnen dezelfde gemeente. De situatie in de onderhavige zaak wijkt daarvan af. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen op één aanslagbiljet vermelde WOZ-beschikkingen en aanslagen ozb die betrekking hebben op drie onroerende zaken die zijn gelegen binnen twee verschillende gemeenten. Het hof is, gelet op de door de Hoge Raad in de vermelde arresten geformuleerde rechtsregel, van oordeel dat ook in een geval als het onderhavige moet worden uitgegaan van één bezwaar. De Hoge Raad heeft de regel algemeen geformuleerd en niet tot uitdrukking gebracht dat daar uitzonderingen op moeten worden gemaakt. Een andersluidend oordeel zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever beoogde eenvoud. Het hof verwijst in dit verband ook naar zijn uitspraak van 21 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4296 waarbij de uitspraak van rechtbank Limburg van 28 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12400, is vernietigd voor zover deze betrekking had op de (proces)kostenvergoeding. In laatstgenoemde uitspraak kwam de rechtbank Limburg tot hetzelfde oordeel als in de uitspraak genoemd in 4.1. 4.3. Het betoog van belanghebbende dat moet worden afgeweken van het arrest ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 omdat sprake is van twee heffingsambtenaren aangezien de onroerende zaken in twee verschillende gemeenten zijn gelegen, wordt door het hof verworpen. De gemeenten [woonplaats] en [plaats] hebben, tezamen met andere gemeenten en een waterschap, ervoor gekozen een gemeenschappelijke regeling te treffen ter behartiging van bepaalde belangen. Bij een dergelijke regeling kan een openbaar lichaam worden ingesteld, dat een rechtspersoon is. In dit geval is dat Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB). In de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking West-Brabant (hierna: de Gemeenschappelijke regeling) is voorzien in overdracht aan het bestuur van de BWB van alle bestuursbevoegdheden, met uitzondering van de verordenende bevoegdheden, die samenhangen met onder meer de taakgebieden heffing en invordering van belastingen en de uitvoering van de Wet WOZ. Het dagelijks bestuur van BWB is bevoegd tot aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BWB als heffingsambtenaar. Bij aanwijzingsbesluit van 22 december 2017 is de directeur van BWB aangewezen als heffingsambtenaar. Naar het oordeel van het Hof is de heffingsambtenaar van BWB dan ook (proces)partij. 4.4. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase moet worden berekend met factor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak. Belanghebbende verwijst naar de uitspraak van het hof van 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, r.o. 4.6.4.5. Daarin heeft het hof het volgende overwogen: “4.6.4.5. Wegingsfactor 1,5 hanteert het Hof in beginsel in de volgende gevallen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.