GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.240.086/01 arrest van 12 mei 2020 in de zaak van [het uitzendbureau] Uitzendbureau B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , appellante, hierna aan te duiden als [het uitzendbureau] , advocaat: mr. V. Holthuizen te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , handelend onder de naam Schilder & Spuitwerken [Schilder & Spuitwerken] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M. Struik te Veldhoven, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 juli 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 6398366\CV EXPL 17-9386 gewezen vonnis van 19 april 2018. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 17 juli 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2018; de memorie van grieven met een productie; de memorie van antwoord; de akte van [geïntimeerde] van 26 maart 2019 met een productie; de antwoordakte van 23 april 2019 van [het uitzendbureau] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De beoordeling 6.1. De feiten Het hof gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten. - [het uitzendbureau] is een uitzendbureau. [geïntimeerde] heeft een schildersbedrijf. [geïntimeerde] had voor een project behoefte aan personeel dat afplakwerkzaamheden voor hem kon verrichten. [geïntimeerde] heeft de heer [de uitzendkracht] (hierna: [de uitzendkracht] ) hiervoor ingeleend van [het uitzendbureau] . - [geïntimeerde] heeft de facturen van de weken 22 en 23 van 2016 voor de uren van [de uitzendkracht] betaald aan [het uitzendbureau] . De werkbriefjes van [de uitzendkracht] van die weken zijn door [geïntimeerde] getekend. [geïntimeerde] heeft de facturen van de weken 24, 25, 26 en 27 van 2016 voor de uren van [de uitzendkracht] niet voldaan. De werkbriefjes van [de uitzendkracht] van die weken zijn niet door [geïntimeerde] getekend. - In de procedure zijn de volgende verklaringen overgelegd: een verklaring van [de uitzendkracht] van 7 juli 2017 (productie 3 inl dagv.), hierna verklaring 1 van [de uitzendkracht] : “Mijn naam is [de uitzendkracht] en ik heb van 6 juni tot 26 juli via [het uitzendbureau] (…) gewerkt voor [geïntimeerde] (..) op een bouwplaats in [vestigingsplaats 2] . In deze periode heb ik gewerkt met Dhr. [geïntimeerde] en Dhr. [de zzp'er] (ZZP’er; [Schilderwerken] Schilderwerken). Telkens zijn mijn urenbriefjes afgetekend door [geïntimeerde] of [de zzp'er] , daarbij heeft [geïntimeerde] bij mij aangegeven dat [de zzp'er] toestemming hiervoor had om deze te ondertekenen. [geïntimeerde] was regelmatig op de bouwplaatsen aanwezig om zelf te werken en we hebben daar ook met elkaar gesproken en hij wist precies dat ik voor hem daar aan het werk was.” een ongedateerde verklaring van [de uitzendkracht] (prod. 1 mvg), hierna verklaring 2 van [de uitzendkracht] : “In eerste instantie dacht ik dat [de zzp'er] de opdrachtgever zou zijn, later werd er door [geïntimeerde] en [de zzp'er] aangegeven dat dit [geïntimeerde] moest zijn omdat hij ook de baten van de bouwplaatsen ontving en hierdoor de administratie “zuiverder” kon houden. Hierdoor ben ik gestart om op urenbriefjes “ [Schilderwerken] ” te vermelden en ben ik later doorgegaan met “ [Schilderwerken] / [geïntimeerde] ” of “ [geïntimeerde] / [Schilderwerken] ” te vermelden. Tijdens mij werkzaamheden bij (…) [geïntimeerde] heb ik te horen gekregen van dhr. [geïntimeerde] dat dhr. [de zzp'er] gerechtigd was om de urenbriefjes te tekenen. Omdat hij op de bouw ook mijn directe aanspreekpunt was en hij mij aanstuurde heb ik hier geen moment over getwijfeld of dit juist was.” een ongedateerde verklaring van [de zzp'er] (hierna: [de zzp'er] ) (prod. 4 verzetdagv.), hierna verklaring 1 van [de zzp'er] : “Hierbij verklaar ik dat ik nooit werkbriefjes heb ondertekend van [het uitzendbureau] (…), en ook ben ik niet gemachtigd door [geïntimeerde] om de werkbriefjes in zijn naam te ondertekenen.” een e-mail van [Schilderwerken] van 12 januari 2018 (prod. 6 bij brief [het uitzendbureau] d.d. 12 januari 2018 aan de rechtbank), hierna verklaring 2 van [de zzp'er] : “Hierbij verklaar ik, [de zzp'er] ex-Compagnon van [geïntimeerde] , dat dhr. [de uitzendkracht] op deze projecten heeft gewerkt. Dit is altijd samen met mij geweest en hier zijn geen klachten vanuit mij of [geïntimeerde] geweest. Week Uren Project/Locatie 25-2016 45,50 [vestigingsplaats 2] 26-2016 47,25 [vestigingsplaats 2] 27-2016 17,25 [vestigingsplaats 2] 23-2016 36,25 [vestigingsplaats 2] & [vestigingsplaats 3] 22-216 39,00 [vestigingsplaats 2] 24-2016 38,00 [vestigingsplaats 2] & [vestigingsplaats 3] . 6.2. Het onderwerp van geschil Het gaat er in deze zaak om of [geïntimeerde] de facturen voor weken 24, 25, 26 en 27 van 2016 voor de uren van [de uitzendkracht] dient te betalen. 6.3. De procedure in eerste aanleg in conventie: [het uitzendbureau] heeft gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 4.921,60, te vermeerderen met handelsrente en kosten. De kantonrechter heeft die vordering bij verstekvonnis van 14 september 2017 (zaak- /rolnummer 6296527/17-8091) toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten. [geïntimeerde] is in verzet gekomen van dat vonnis. Hij heeft gevorderd van de veroordeling te worden ontheven, de vordering van [het uitzendbureau] alsnog af te wijzen en [het uitzendbureau] te veroordelen in de kosten van het verzet. De kantonrechter heeft de vordering van [het uitzendbureau] in conventie afgewezen en [het uitzendbureau] veroordeeld in de proceskosten. in voorwaardelijke reconventie: [geïntimeerde] heeft in voorwaardelijke reconventie terugbetaling gevorderd van het door hem op grond van het verstekvonnis aan [het uitzendbureau] betaalde. De kantonrechter heeft [het uitzendbureau] in voorwaardelijke reconventie veroordeeld om € 4.921,60 te vermeerderen met de wettelijke rente terug te betalen en [het uitzendbureau] in de proceskosten veroordeeld. 6.4. Grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep [geïntimeerde] heeft gesteld dat, nu [het uitzendbureau] geen grieven heeft gericht tegen de afwijzing van de gevorderde factuurbedragen en de veroordeling van [het uitzendbureau] in de proceskosten, die beslissingen van de rechtbank onaantastbaar zijn. Dat standpunt is onjuist. Uit de door [het uitzendbureau] aangevoerde grieven en het petitum (kort samengevat: vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van [geïntimeerde] om de vordering van [het uitzendbureau] alsnog te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties) blijkt genoegzaam dat en welke andere uitkomst van de procedure [het uitzendbureau] wenst. Uit de memorie van antwoord blijkt dat [geïntimeerde] dat ook goed heeft begrepen. Afzonderlijke grieven tegen het dictum van de rechtbank waren dus niet nodig. 6.5. De (ondertekening van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.