GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummers : 200.266.120/01 en 200.266. 121 /01 zaaknummer rechtbank : C/01/334663 / FA RK 18-2645 beschikking van de meervoudige kamer van 14 mei 2020 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.A.M. van Dooren te Galder, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté te Eindhoven . 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 14 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De vrouw is op 12 september 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 juni 2019. 2.2. De man heeft op 5 november 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3. De vrouw heeft op 20 januari 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: het door de vrouw op 24 september 2019 overgelegde journaalbericht aan de rechtbank, ingediend namens de man op 12 juni 2018 met bijlagen (betekeningsexploit, productie 1: huwelijksakte en productie 13: uittreksel BRP van de vrouw); het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 april 2019; een journaalbericht van de zijde van de man van 9 maart 2020 met een brief van diezelfde datum en producties 40 tot en met 44, ingekomen op 9 maart 2020; een journaalbericht van de zijde van de man van 7 april 2020, ingekomen op 7 april 2020; een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 april 2020, ingekomen op 8 april 2020; een journaalbericht aan de zijde van de man van 8 april 2010 met productie 45, ingekomen op 8 april 2020. 2.5. De mondelinge behandeling die op 25 maart 2020 stond gepland heeft in verband met (het gevoerde beleid ten aanzien van) COVID-19 niet plaatsgevonden. Desgevraagd hebben partijen er bij voornoemde journaalberichten van 7 respectievelijk 8 april 2020 mee ingestemd dat de zaak schriftelijk zal worden afgedaan. Op 8 april 2020 zijn vervolgens nog nadere stukken door de man overgelegd (prod. 45). Partijen hebben aan het hof kenbaar gemaakt geen overige nadere stukken over te willen leggen. 3De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. Partijen zijn op 3 mei 2005 te [plaats 1] met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2016. Het verzoek tot echtscheiding is op 1 juni 2018 bij de rechtbank ingekomen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 23 oktober 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.2. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 23 oktober 2019 bepaald op € 294,-- per maand en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 23 oktober 2019 bepaald op € 280,10 per maand. Daarnaast heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap gelast zoals in rov. 2.8.6, 2.8.9, 2.8.10 en 2.8.13 tot en met 2.8.17 van die beschikking is geoordeeld. 4.2. De vrouw heeft het hof in principaal hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover betrekking hebbende op de onderdelen 3.7 (kinderalimentatie), 3.9 (wijze van verdeling) voor wat betreft de echtelijke woning (rov. 2.8.6 en 2.8.7) en het appartement in China (rov. 2.8.9) alsmede onderdeel 3.12 van het dictum van de beschikking (de afwijzing van hetgeen meer of anders is verzocht), en opnieuw rechtdoende, met inachtneming van de grieven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking, samengevat: I. te bepalen dat de man voor het jaar 2019, bij handhaving van de huidige zorgregeling, € 251,-- en bij een ‘standaard’ regeling € 409,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van 23 oktober 2019, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; II. te bepalen dat de man vanaf 2020, bij handhaving van de huidige zorgregeling € 329,-- en bij een ‘standaard’ regeling € 488,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van 1 januari 2020, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; III. de wijze van verdeling van de woning staande en gelegen te [plaats 1] aan [adres] (hierna: de woning) te gelasten, in die zin dat deze aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 290.000,-- alsmede de toedeling aan haar van de hypotheekspaarrekening van [naam 1] , gekoppeld aan de hypothecaire geldlening met nummer [nummer 1] . [leningdeel 1] , onder de opschortende voorwaarde dat de man zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening en met vergoeding van de helft van de overwaarde aan de man; IV. te bepalen dat de man, binnen 14 dagen nadat schriftelijk is gebleken dat de man is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening met nummer [nummer 1] (leningdeel [leningdeel 1] en [leningdeel 2] ) dan wel is gebleken dat de vrouw deze lening zal aflossen door het aangaan van een nieuwe enkel door haar en/of derden aangegane geldlening, zijn medewerking te verlenen aan levering van zijn aandeel in het eigendom van de woning, met bepaling dat deze beschikking in de plaats treedt van de medewerking tot levering bij de notaris indien de man zijn medewerking weigert; V. de wijze van verdeling van het appartement te [plaats 2] (China) te gelasten, in die zin dat deze aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een waarde van € 132.300,-- en met vergoeding aan de man van een bedrag van € 66.150,--, onder de verplichting aan de man om zijn medewerking te verlenen aan levering van zijn aandeel in het eigendom van dit appartement, met bepaling dat deze beschikking in de plaats treedt van de medewerking tot levering indien de man zijn medewerking weigert; VI. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 9.000,-- dient te vergoeden voor de door haar voldane kosten in de huishouding. Kosten rechtens. 4.3. De man heeft het hof in incidenteel hoger beroep verzocht om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft het deel van het dictum waartegen de grieven zijn gericht en opnieuw rechtdoende, samengevat: de (zelfstandige) verzoeken van de vrouw onder sub 3 (kinderalimentatie) en sub 4 (partneralimentatie) gedaan bij verweerschrift in eerste aanleg d.d. 20 september 2018 af te wijzen; de vrouw te veroordelen om, binnen 14 dagen na afgifte van de in deze te wijzen beschikking, in verband met toedeling aan haar van de vordering van partijen op de zus van de vrouw (uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking) ter grootte van € 36.000,-- aan de man te betalen wegens overbedeling een bedrag van € 18.000,--; de vrouw te veroordelen om uiterlijk 4 maanden na 23 oktober 2019, haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van de opdracht tot verkoop van de woningdoor [makelaars] Makelaars te [plaats 1] , alsmede de verkoop van de woning tegen een door de makelaar te bepalen vraagprijs en laatprijs, en voorts – zodra de woning is verkocht – haar medewerking te verlenen aan de levering van haar deel in de eigendom van de woning, met bepaling dat deze beschikking in de plaats treedt van de medewerking tot levering bij de notaris indien de vrouw haar medewerking weigert; de vrouw te veroordelen om binnen 4 maanden na 23 oktober 2019, haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht tot verkoop van het appartement, alsmede de verkoop van het appartement tegen een door de makelaar te bepalen vraagprijs en laatprijs, en voorts – zodra het appartement is verkocht – haar medewerking te verlenen aan de levering van haar deel in de eigendom van het appartement nummer [nummer 2] , staande en gelegen in de gemeente [plaats 2] (China) (hierna: het appartement). 4.4. De grieven van de vrouw zien op de behoefte van [minderjarige] (grieven 1-3), de draagkracht van de man (grieven 4 en 5), het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige] (grieven 6-9), de woning (grief 10), het appartement in China (grief 11) en de huishoudelijke kosten (grief 12). 4.5. De grieven van de man zien op de draagkracht van de vrouw (grieven A en B), het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige] (grieven C en D), de woning (grief I), het appartement in China (grief J) en het bedrag van € 36.000,-- (grieven G en H). 4.6. De man heeft daarnaast grieven gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte en partneralimentatie (grieven E en F). De vrouw heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat zij met ingang van 1 juli 2019 een baan heeft en geen aanspraak meer maakt op een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en de door de vrouw in eerste aanleg verlangde bijdrage in haar levensonderhoud alsnog afwijzen. Het door de man onder 4 (rov. 4.3) gevorderde wordt in zoverre toegewezen. 4.7. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing Kinderalimentatie Ingangsdatum 5.1. De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum – de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking: 23 oktober 2019 – is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt. Hoogte behoefte [minderjarige] (grieven 1 tot en met 3 van de vrouw) 5.2. De bij de bestreden beschikking door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 824,- per maand is in hoger beroep in geschil. 5.3. Volgens de vrouw heeft de rechtbank bij de behoefte van [minderjarige] ten onrechte geen rekening gehouden met de oppaskosten (grieven 1-3). Ter toelichting op de grieven voert de vrouw het volgende aan. Tijdens het huwelijk bedroegen de opvangkosten € 150,-- netto per maand. De vrouw werkt inmiddels 24 uur per week. Op de dag dat de vrouw werkzaam is en [minderjarige] niet bij de man verblijft, gaat [minderjarige] naar de gastouder/opvang voor gemiddeld 108 uur per maand. De opvangkosten bedragen nu gemiddeld (€ 780,-- bruto per maand minus kinderopvangtoeslag van € 709,-- per maand) € 71,-- netto per maand. Over het jaar 2020 is de verwachting dat de opvangtoeslag zal dalen naar € 580,-- per maand. Hierdoor zullen de netto opvangkosten € 200,-- per maand bedragen. Volgens de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen is het gerechtvaardigd om in het geval van een alleenstaande ouder met hoge kosten van kinderopvang de behoefte te verhogen met de netto kosten van de kinderopvang. De oppaskosten tijdens het huwelijk van € 150,-- netto per maand dienen in mindering te worden gebracht op het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) om de hogere oppaskosten vervolgens bij het bij dit lagere NBI behorende tabelbedrag op te tellen. De behoefte van [minderjarige] is dan in 2019 € 869,-- per maand en in 2020 € 998,-- per maand. 5.4. De man voert verweer. Tussen partijen staat vast dat het NBI tijdens het huwelijk € 5.198,-- per maand bedroeg. Partijen maakten tijdens het huwelijk pas kort voor het uiteengaan gebruik van gastouderopvang. Gemiddeld bedroegen de kosten € 150,-- netto per maand. De vraag is of dit bedrag gekwalificeerd kan worden als hoge oppaskosten. Met de rechtbank meent de man dat er geen sprake is geweest van zodanige oppaskosten dat aanleiding bestaat om de behoefte van [minderjarige] te corrigeren. De oppaskosten maken nog geen 1/5 deel uit van de totale kosten van de minderjarige. De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] terecht volgens de NIBUD-tabel becijferd. Hoeveel de kosten na scheiding bedragen is niet duidelijk, althans bewijs daarvan ontbreekt. Kosten van de peuterspeelzaal zijn geen opvangkosten en maken onderdeel van het (standaard) bedrag dat gevonden wordt in de NIBUD-tabel. In maart 2020 gaat [minderjarige] naar school en zullen de kosten van opvang aanzienlijk dalen. De man betwist de gestelde opvangkosten van € 200,-- netto per maand in 2020. 5.5. Het hof overweegt als volgt. Het hof sluit aan bij het Rapport Expertgroep Alimentatie. De in deze richtlijn gehanteerde systematiek voor de bepaling van de behoefte is ontwikkeld om over eenduidige richtlijnen te beschikken voor de vaststelling van de behoefte van kinderen. Dit dient de rechtszekerheid. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat er inhoudelijke discussie tussen ouders moet plaatsvinden over behoeftelijstjes van kinderen, wat de onderlinge verstandhouding niet ten goede zou komen. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de kosten van [minderjarige] hoger zijn dan hetgeen volgt uit het tabelbedrag. Uit de tabellen volgen redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen waarin alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding alsook oppaskosten, zijn begrepen. Slechts in bijzondere omstandigheden worden de daadwerkelijke kosten van belang, waarmee de tabelbedragen kunnen worden verhoogd. Dan moet worden gedacht aan situaties waarin sprake is van kosten van een gehandicapt kind, kosten van door de minderjarige bedreven topsport, privélessen en hoge kosten voor kinderopvang. Van dergelijke bijzondere omstandigheden en van hoge opvangkosten is in deze zaak echter geen sprake. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Dat partijen kosten voor kinderopvang hadden, zoals de vrouw onbestreden aanvoert, betekent niet zonder meer dat het tabelbedrag moet worden verhoogd. Hogere oppaskosten c.q. kosten van kinderopvang worden, zo volgt uit de richtlijn, gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Slechts indien sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag. De door de vrouw aangehaalde kosten van kinderopvang (tijdens het huwelijk € 150,-- per maand) kunnen niet als dermate hoog worden beschouwd dat deze kosten niet worden gecompenseerd met lagere uitgaven op andere posten, hetgeen overigens door haar ook niet is gesteld. Bovendien is thans sprake van een andere opvangsituatie nu [minderjarige] vier jaar is geworden en naar school gaat. De kosten van kinderopvang zullen daardoor lager uitvallen. De grieven 1 tot en met 3 van de vrouw falen. De behoefte van [minderjarige] bedraagt aldus € 824,-- per maand (in 2019). Draagkracht man (grieven 4 en 5 van de vrouw) 5.6. De rechtbank heeft aan de zijde van de man rekening gehouden met een inkomen van € 5.815,82 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag en een jaarlijkse bruto-uitkering van € 18.044,-- . De grieven 4 en 5 van de vrouw richten zich tegen dit oordeel. 5.7. Ter toelichting op haar grieven brengt de vrouw het volgende naar voren. De man had tijdens het huwelijk een bruto- jaarloon van € 110 .617,--. De man heeft er vrijwillig voor gekozen om minder te gaan werken, waarna zijn salaris is gebaseerd op 85% van de normale arbeidsduur vermeerderd met 5% ADV-uren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de keuze om minder te gaan werken samenhangt met de zorgtaken van de man voor [minderjarige] . Deze vrijwillige vermindering mag niet ten koste gaan voor de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] , temeer omdat de man nu gebruik maakt van de opvangmogelijkheden die door de vrouw worden betaald. Er is een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De vrouw verwacht dat uit het onderzoek door de raad zal volgen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij haar zal behouden en dat de huidige zorgregeling voor [minderjarige] een te grote belasting voor haar is (nu de man naar [plaats 3] is verhuisd en de vrouw in [plaats 1] woont). Er is voor de man dan ook geen noodzaak minder te gaan werken. De vrouw stelt dat voor het inkomen van de man gerekend dient te worden met een bedrag van € 110 .617,-- per jaar. Het NBI van de man bedraagt dan € 5.252,-- per maand, zodat de man een draagkracht voor kinderalimentatie heeft van € 1.908,-- per maand. 5.8. De man voert verweer. De man ontkent dat hij tijdens het huwelijk een inkomen had van € 110 .617,-- bruto per jaar. De man had in het laatste jaar van het huwelijk van partijen een bruto jaarinkomen van € 89.329,--. De vrouw heeft een schatting gemaakt van het bruto jaarloon van de man door het cumulatief loon t/m juni 2018 naar een jaarloon door te rekenen. Uit de jaaropgaaf van de man over 2018 blijkt dat het bruto jaarloon € 94.140,-- bedroeg. De rechtbank heeft gerekend met een bruto inkomen van de man van € 93.406,--. Er is sprake van een minimaal verschil. Volgens de man is er geen sprake van een inkomensvermindering, althans niet een die betekent dat het huidige inkomen en daarmee de draagkracht van de man niet toereikend zou zijn [minderjarige] in eenzelfde welstand als zij gewend was tijdens het huwelijk groot te brengen. Het NBI van de man tijdens het huwelijk bedroeg € 4.385,--, terwijl voor de draagkracht door de rechtbank is gerekend met € 4.434,--. Indien het hof van oordeel is dat sprake is van een inkomensvermindering dan is deze het directe gevolg van de voorlopige zorgregeling voor [minderjarige] zoals deze door partijen eerder overeengekomen is en door de rechtbank is overgenomen. 5.9. Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn NBI tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 950,)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.625,-- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 950,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens. 5.10. Als productie 40 bij de brief van 9 maart 2019 is de jaaropgave 2019 van de man overgelegd. Daaruit blijkt dat de man in 2019 een fiscaal loon (bruto loon min pensioenpremies) heeft genoten van € 92.160,--. Uit eerder overgelegde stukken blijkt dat de man in 2018 een bruto inkomen had van € 94.140,--. Dat de man het door de vrouw gestelde inkomen van € 110 .617,-- bruto per jaar heeft genoten, is door de man betwist en blijkt ook niet uit de stukken. Evenmin is gebleken dat de man op enig moment tijdens het huwelijk een dergelijk inkomen heeft gehad. De keuze van de man om minder te gaan werken hangt samen met de omvang van zijn zorgtaken voor [minderjarige] . Als productie 45 bij het journaalbericht aan de zijde van de man van 8 april 2020 is de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 27 januari 2020 overgelegd. Daarin heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw en dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken er kort gezegd op neerkomt dat [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de man verblijft van vrijdag na school tot maandagochtend voor school. Daarnaast is [minderjarige] iedere woensdag na school tot ’s avonds bij de man en gedurende de helft van de schoolvakanties. Nu [minderjarige] op woensdag en vrijdag na school bij de man is, kan van de man niet worden verlangd dat hij weer fulltime gaat werken. Het hof zal dan ook uitgaan van het inkomen zoals dat uit de jaaropgaaf 2019 blijkt: € 92.160,--. De man is alleenstaand. Bij het berekenen van het NBI voor de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het NBI van de man in 2019 vast op € 4.510,--. 5.11. Rekening houdend met een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 2.303,--, stelt het hof de draagkracht voor de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2010, vast op € 1.545,--. Uit het voorgaande volgt dat grieven 4 en 5 van de vrouw in zoverre falen. Draagkracht vrouw (grieven A en B van de man) 5.12. De rechtbank is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.400,-- bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag. Tegen dit oordeel richten zich grieven A en B van de man. 5.13. Ter toelichting op zijn grieven brengt de man het volgende naar voren. De vrouw heeft inmiddels een inkomen van € 5.000,-- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De vrouw heeft een NBI van € 3.852,-- per maand inclusief kindgebonden budget. 5.14. De vrouw voert verweer. Dat zij bij toeval een baan heeft gevonden waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, betekent niet dat de rechtbank een verkeerde inschatting heeft gemaakt van de toenmalige verdiencapaciteit van de vrouw. Het is niet juist om achteraf aan uitsluitend het vinden van een nieuwe baan de conclusie te verbinden dat de verdiencapaciteit van die vrouw al die tijd (dus) veel beter is geweest. 5.15. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank is uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw, gebaseerd op het inkomen tijdens haar promotieonderzoek. Inmiddels blijkt dat de vrouw erin is geslaagd werk te vinden. Met ingang van 1 juli 2019 heeft de vrouw een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een inkomen van € 5.000,-- bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Het hof zal met dit inkomen rekening houden nu de vrouw daadwerkelijk in staat is gebleken dit inkomen te generen en de ingangsdatum van de te betalen partneralimentatie 23 oktober 2019 is, toen de vrouw genoemd inkomen inmiddels bijna vier maanden genoot. Grieven A en B van de man slagen in zoverre. Het hof houdt rekening met de algemene heffingskorting, arbeidskorting, combinatiekorting en het te ontvangen kindgebonden budget. 5.16. Rekening houdend met een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 1.753,--, stelt het hof de draagkracht van de vrouw ten behoeve van de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2010, vast op € 1.227,--. Draagkrachtvergelijking (grief 6 van de vrouw, grief C van de man) 5.17. De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 824,--. De draagkracht van partijen tezamen bezien ten opzichte van de kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn, is voldoende om in de behoefte van alle kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn te voorzien. Het hof verdeelt, alvorens over te gaan tot vergelijking van de draagkracht, de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige naar rato van de behoefte van de kinderen waarvoor een onderhoudsplicht bestaat. 5.18. De draagkracht van partijen vergeleken, dienen de man en de vrouw van hun draagkracht € 459,-- respectievelijk € 365,-- aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van [minderjarige] van € 824,--. In zoverre faalt grief 6 van de vrouw, waar zij het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] op basis van haar grieven 1 tot en met 5 becijfert op € 529,-- per maand. Dat geldt eveneens voor grief C van de man waar hij zijn aandeel in de behoefte becijfert op € 455,-. Vermindering met de zorgkorting (grief 7 van de vrouw) 5.19. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. De rechtbank heeft een zorgkorting toegepast van 35%. Tegen dit oordeel richt zich grief 7 van de vrouw. 5.20. Ter toelichting op haar grief brengt de vrouw naar voren dat de zorgkorting bij de huidige zorgregeling 35% bedraagt maar dat indien de zorgregeling wordt teruggebracht naar een weekend per 14 dagen plus de helft van de vakanties- en feestdagen de zorgkorting 15% bedraagt. 5.21. De man voert verweer. De vrouw betwist niet dat uitgaande van de huidige zorgregeling de zorgkorting 35% bedraagt. Vooruitlopen op de uitkomst van het onderzoek van de raad en de beslissing van de rechtbank is voorbarig. Het is ook niet te verwachten dat de rechtbank een standaard weekendregeling zal opleggen. 5.22. Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof hiervoor in rov. 5.11 heeft overwogen, heeft de rechtbank de zorgregeling inmiddels vastgesteld. Nu sprake is van een zorgregeling van gemiddeld drie dagen per week, zal het hof een percentage van 35% in aanmerking nemen. Grief 7 van de vrouw faalt. 5.23. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de onderhoudsplichtigen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De zorgkorting bedraagt € 288,-- (35% van € 824,--). Conclusie (grieven 8 en 9 van de vrouw, grief D van de man) 5.24. Rekening houdend met de hiervoor becijferde zorgkorting van € 288,-- per maand, dient de man aan de vrouw een bedrag van € 171,-- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen. Het hof zal het door de vrouw onder I en II (rov. 4.2) verzochte afwijzen en het door de man onder 1 (rov. 4.3) verzochte gedeeltelijk toewijzen. Daaruit volgt ook dat grief 8 van de vrouw faalt, waarin zij aanvoert dat de bijdrage van de man (bij een zorgkorting van 35%) € 251,-- bedraagt. Ook grief D van de man faalt, waarin hij aanvoert dat zijn bijdrage € 166,60 per maand bedraagt. Zoals de vrouw onder grief 9 terecht opmerkt, komt het hof niet toe aan het zogenaamde “lussen”. In zoverre slaagt haar grief. Dit heeft echter geen gevolgen voor de hiervoor vastgestelde bijdrage. Terugbetaling 5.25. Uit het verweerschrift op het incidenteel appel van de vrouw maakt het hof op dat de man met ingang van september 2019 geen bijdrage meer in het levensonderhoud van de vrouw heeft betaald. Van een terugbetalingsverplichting is dan ook geen sprake. Uit het voorgaande volgt dat de man met ingang van 23 oktober 2019 geen € 280,10 maar € 171,-- per maand verschuldigd is aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de vrouw het teveel door de man betaald aan hem moet terugbetalen. Daarbij neemt het hof het navolgende in aanmerking. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 17 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:748) gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.