GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.258.665/01 arrest van 26 mei 2020 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. E.R.Th.A. Luijten te Heerlen, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] , advocaat: mr. C.A. Offermans te Hoensbroek, 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , niet verschenen, 3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] , niet verschenen, 4. [geïntimeerde 5] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen, 5. [geïntimeerde 4] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen, geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geintimeerden c.s.] , op het bij de exploten van dagvaarding van 17 en 18 april 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 februari 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geintimeerden c.s.] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/253479 / HA ZA 18-401) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaardingen in hoger beroep; het tegen geïntimeerden 2 tot en met 5 verleende verstek; de memorie van grieven met eiswijziging; de memorie van antwoord met 1 productie. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. Op 28 september 2017 is [de erflaatster] (hierna: erflaatster) te [plaats] overleden. Zij had geen testament opgemaakt. 3.1.2. Partijen in de onderhavige procedure zijn haar zes kinderen. Zij zijn de enige erfgenamen van erflaatster, ieder voor 1/6e deel. 3.1.3. Erflaatster had tijdens haar leven, op 2 september 2014, aan [geïntimeerde 1] een schriftelijke volmacht gegeven om namens haar te beschikken over de banktegoeden bij de Rabobank met rekeningnummer [Raborekeningnummer] . 3.1.4. Op 25 oktober 2017 bedroeg het saldo op voormelde bankrekening € 4.674,13. Van dit saldo heeft [geïntimeerde 1] de begrafenis van erflaatster en de belastingdienst betaald. Het saldo dat resteerde heeft [geïntimeerde 1] onder de erfgenamen verdeeld: ieder van de erfgenamen heeft € 430,25 ontvangen. 3.2. De onderhavige procedure betreft een geschil tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] . [appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde 1] misbruik heeft gemaakt van zijn positie als gevolmachtigde van erflaatster door van de voormelde bankrekening van erflaatster gelden op te nemen en uitgaven te doen die niet ten goede zijn gekomen aan erflaatster. [geïntimeerde 1] heeft deze stelling van [appellante] bestreden. 3.3. In eerste aanleg vorderde [appellante] : 1. [geïntimeerde 1] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording aan haar (en aan de overige erfgenamen) over het door hem gevoerde financieel beheer over het inkomen en vermogen van erflaatster, in het bijzonder over de door hem uitgevoerde transacties via de geldautomaat betreffende de bankrekening van erflaatster onder nummer [Raborekeningnummer] , in het bijzonder over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [geïntimeerde 1] weigert aan deze veroordeling gevolg te geven met een maximum van € 25.000,-; 2. voor zover [geïntimeerde 1] geen volledige en afdoende rekening en verantwoording over genoemde periode kan afleggen, hem te veroordelen tot terugbetaling van de door hem van de rekening van erflaatster in de periode 2014 tot en met 2017 afgehaalde c.q. gepinde gelden, voor zover deze niet aantoonbaar ten goede zijn gekomen aan erflaatster, zulks op de ervenrekening; 3. [geïntimeerde 1] te veroordelen in de kosten van het geding. 3.4. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen jegens geïntimeerden 2 tot en met 5. De vorderingen van [appellante] jegens [geïntimeerde 1] zijn door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd. 3.5. [appellante] kan zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en is in hoger beroep gekomen. Zij heeft vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd. Tegen de niet-ontvankelijk verklaring van [appellante] in haar vorderingen jegens geïntimeerden 2 tot en met 5 zijn geen grieven aangevoerd. Die beslissing is dan ook niet aan de orde in hoger beroep. Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen tegen hen. De grieven van [appellante] hebben betrekking op de verwerping van haar stelling dat erflaatster de laatste jaren van haar leven als gevolg van dementie niet compos mentis was (grieven 1 en 2), tegen het feit dat zij niet in de gelegenheid is gesteld nader bewijs van haar stellingen te leveren over dat onderwerp (grief 3), tegen de verwerping van haar stelling dat [geïntimeerde 1] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt (grief 4) en tegen de afwijzing van haar vorderingen jegens [geïntimeerde 1] (grief 5). [appellante] heeft in haar memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, voor zover daarin haar vorderingen jegens [geïntimeerde 1] zijn afgewezen. Tevens heeft zij (primair) geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, zoals geformuleerd in eerste aanleg. 3.6.1. [appellante] heeft in haar memorie van grieven haar eis vermeerderd, in die zin dat zij tevens (subsidiair) vordert haar toe te laten aanvullend bewijs te leveren van de mate van dementie van erflaatster en sinds wanneer daarvan sprake is geweest en/of [geïntimeerde 1] toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden van misbruik van de genoemde rekening van erflaatster en daarna bij arrest definitief te beslissen over de vorderingen van [appellante] . 3.6.2. [geïntimeerde 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging omdat deze niet met inachtneming van de wettelijke voorschriften en procesreglementen kenbaar is gemaakt en omdat bovendien een standpunt omtrent de bewijslastverdeling niet in het petitum thuishoort. 3.6.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Ingevolge artikel 353 lid 1 in verband met artikel 130 lid 3 Rv is, indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eisende partij de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de voormelde eiswijziging aan de niet in het geding verschenen geïntimeerden 2 tot en met 5 is betekend. Het hof ziet geen aanleiding om [appellante] in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen, dit gelet op het volgende. Het recht van een partij om toegelaten te worden tot bewijslevering volgt uit de wet (artikel 166 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv) en hoeft derhalve niet gevorderd te worden. Voorwaarde is wel dat sprake is van een bewijsaanbod dat ter zake dienend en voldoende gespecificeerd is. Ook het recht op het leveren van tegenbewijs volgt uit de wet (artikel 168 in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv). Op grond van het voorgaande zal het hof de bij eiswijziging geformuleerde subsidiaire vordering van [appellante] buiten beschouwing laten. 3.7.1. Het hof zal thans de primaire vordering van [appellante] tot het afleggen van rekening en verantwoording en de daarmee samenhangende grieven tegen het vonnis van de rechtbank beoordelen. 3.7.2. Het hof neemt hierbij tot uitgangspunt dat volgens vaste rechtspraak een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de ene partij jegens de andere partij verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911 en HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089). Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.