← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2020:169

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team handelsrecht zaaknummer 200.229.096/01 arrest van 21 januari 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. A.F.H. Spoormaker te Zoetermeer, als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 30 januari 2018 en 29 oktober 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer/rolnummer 5071890 CV EXPL 16-3692 tussen partijen gewezen vonnis van 21 december

  1. 8Het verdere verloop van het geding Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 29 oktober
  2. Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. 9De verdere beoordeling 9.
  3. Bij tussenarrest van 29 oktober 2019 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over bepaalde standpunten en producties (tussenarrest, 6.11). [appellant] heeft geen akte genomen. Zijn uitstelverzoek is afgewezen. De zaak is weer op de rol gekomen voor arrest. 9.
  4. Het hof moet nog vorderingen A, B, D en E beoordelen (tussenarrest, 6.11 en 6.21; het hof verbetert de kennelijke schrijffout in 6.11 slotzin: het oordeel over vorderingen A, B en E is aangehouden en vordering C is in hoger beroep niet aan de orde). 9.
  5. Vorderingen A, B, D en E betreffen het volgende (tussenarrest, 6.3, 6.4 en 6.6): A. € 6.050,00 ter zake de factuur van 31 oktober 2015 ter zake de tweede termijn; B. € 2.086,65 ter zake de factuur van 7 december 2015 ter zake meerwerk; D. € 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; E. € 1.496,00 als onverschuldigde betaling. 9.
  6. [geïntimeerde] heeft de vorderingen A en B en zijn verweer tegen vordering E nader toegelicht als volgt (tussenarrest, 6.10): Vordering A (2e termijn) (memorie van antwoord, 16-18): - materiaal voor staalconstructie (factuur, productie 3 bij antwoord); - pvc doorvoerbochten (factuur, productie 4 bij antwoord); - kozijnen (factuur, productie 5 bij antwoord); - materiaal en loodgieterswerkzaamheden (factuur, productie 6 bij antwoord); - werkzaamheden in oktober 2015: lijmwerk begane grond en eerste verdieping, plaatsen balklaag en Fins vuren op de eerste en tweede zolder, plaatsen staalconstructie, plaatsen 5 raamkozijnen en 5 deurkozijnen, loodgieter voorbereidingen voor toiletgroep. Vordering B (meerwerk) (memorie van antwoord, 43-47): - boorwerkzaamheden voor de meterkast (factuur, productie 7 bij antwoord); - stijgleiding wc boven plaatsen, aanleggen water/riool, aanleg warmwaterleiding, werkzaamheden meterkast, watertappunt meterkast, aanleggen waterleiding wastafel (memorie van antwoord, 45; factuur, productie 8); - levering vurenhoutplanken meterkast (factuur, productie 9 bij antwoord). Verweer tegen vordering E (1e termijn, onverschuldigde betaling) (memorie van antwoord, 11-15): - levering diverse ytongblokken, 80 houten balken, 120 m2 Fins vurenhout (ongeveer € 7.000,00, zie facturen leveranciers, producties 1 en 2): - start stel- en lijmwerkzaamheden; - 16 manuren per dag op 29 september 2015 en 2, 3 en 4 oktober 2015 (meet en stelwerk profielen eerste laag Ytong in de specie op de vloer metselen, lijmwerk, steigerwerk). 9.
  7. [appellant] heeft deze standpunten en producties van [geïntimeerde] niet bestreden, ofschoon [appellant] daartoe in de gelegenheid is gesteld. 9.
  8. Het moet bij deze stand van zaken ervoor worden gehouden dat deze standpunten van [geïntimeerde] juist zijn. Het hof gaat er bij gebreke van nadere gegevens van uit dat de door [geïntimeerde] omschreven werkzaamheden en materialen voldoende zijn om de gefactureerde bedragen te rechtvaardigen. Het voorgaande betekent dat vorderingen A en B (in zoverre) gegrond zijn en terecht (gedeeltelijk) door de kantonrechter zijn toegewezen en dat het verweer van [geïntimeerde] tegen vordering E slaagt. Grieven 1 tot en met 4 falen ook in zoverre. 9.
  9. Grief 6 betreft de buitengerechtelijke kosten (vordering D) en de proceskosten. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op goede gronden gedeeltelijk heeft toegewezen. [appellant] is als de in het ongelijk gestelde partij terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Grief 6 faalt. 9.
  10. De conclusie is dat de grieven falen. Het vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld. 10De uitspraak Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,00 aan griffierecht en op € 2.782,00 aan salaris advocaat; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari
  11. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.