Parketnummer : 20-000786-18 Uitspraak : 5 maart 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-984812-11 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag verdachte] 1983 , wonende te [adres verdachte] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde feit en ter zake van ‘medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 1), ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 2 ), ‘als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet’ (feit 3), ‘medeplegen van witwassen’ (feit 4A) en ‘witwassen’ (feit 4B), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de op de aan het vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen onder 1 en 2 onttrokken aan het verkeer, onder 3 tot en met 10 en 15 verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van de voorwerpen die zijn genummerd 11 tot en met 14. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. Door de verdediging is – kort gezegd – primair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair vrijspraak bepleit en meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 1 ten laste gelegde feit voor zover dat feit ziet op zaaksdossier Bosuil , de [adres 1] , en het onder 5 ten laste gelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat: 1.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg en/of Rijen, gemeente Gilze-Rijen, en/of 's-Hertogenbosch en/of Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad in meerdere panden in Nederland grote aantallen hennepplanten en/of delen daarvan en/of grote hoeveelheden hennep, te weten (onder andere): - ( in een pand gelegen aan de [adres 2] ) 321, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan ( zaaksdossier Buizerd ) en/of - ( in een pand gelegen aan het [adres 3] ) 27,4 kilo, althans een grote hoeveelheid, hennep en/of delen daarvan ( zaaksdossier Eekhoorn ) en/of - ( in een pand gelegen aan de [adres 4] , gemeente West Maas en Waal) (in totaal) 1588, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan ( zaaksdossier Leeuw ) en/of - ( in een pand gelegen aan het [adres 5] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan ( zaaksdossier Mus ) en/of - ( in een pand gelegen aan de [adres 6] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan ( zaaksdossier Valk ), in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2 .hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( zaaksdossiers Jaguar en Adder ) 3.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Waalwijk en/of Tilburg en/of Drunen en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe onder meer behoorden [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum 1] ) en/of [medeverdachte 2] (geb. [geboortedatum 2] ) en/of [medeverdachte 3] (geb. [geboortedatum 3] ) en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk - telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep en/of - verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of - aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, aan welke organisatie verdachte leiding heeft gegeven; ( zaaksdossier Sepia ) 4.A. hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) van een voorwerp, te weten een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 550.000 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 550.000 euro), voorhanden had, terwijl hij wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(
- s)zogenaamde (valse) leningsovereenkomst(
- en)opgesteld en aldus een legale herkomst aan genoemde geldbedragen gegeven; en/of B. hij op of omstreeks 24 juni 2011 in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in elk geval alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van ongeveer 33.800,- euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemde(
- e)voorwerp(
- en)gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. ( zaaksdossiers Withoen en Meeuw ) De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Gang van zaken uitlevering Door de verdediging is aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de uitlevering daadwerkelijk door (de bevoegde autoriteit van) Oekraïne is toegestaan, laat staan waarvoor en onder welke eventuele voorwaarden. Vastgesteld kan worden dat er een uitleveringsverzoek door de Nederlandse autoriteiten is gedaan en dat verdachte ook daadwerkelijk is overgeleverd. Aan het feit dat de uitlevering is toegestaan, kan derhalve naar het oordeel van het hof niet worden getwijfeld. Ingevolge artikel 18 lid 1 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9) (‘Overlevering van de uitgeleverde’) geldt het volgende: ‘De aangezochte Partij brengt haar beslissing ten aanzien van de uitlevering op de in art. 12 eerste lid bedoelde wijze ter kennis van de verzoekende partij’. Art. 12 lid 1 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (‘Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan’) bepaalt: ‘Het verzoek wordt schriftelijk gedaan en wordt door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht tot het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij; niettemin kan het verzoek ook langs diplomatieke weg worden gedaan. Twee of meer Partijen kunnen onderling rechtstreeks andere wegen voor het uitwisselen van stukken overeenkomen’. Tijdens de zitting van 2 mei 2012 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de uitleveringsstukken met de verdachte zijn meegekomen toen hij werd overgebracht van Oekraïne naar Nederland. Gezien de tekst van art. 12 lid 1 van het genoemde verdrag kan niet worden vastgesteld dat deze handelwijze in strijd is met het uitleveringsverdrag nu daarin is opgenomen dat Partijen daarin onderling rechtstreeks andere wegen voor het uitwisselen van stukken kunnen overeenkomen en Nederland met deze handelwijze akkoord is gegaan. Bovendien merkt het hof op dat regelingen met betrekking tot het uitwisselen van stukken afspraken betreft tussen staten en geen regeling inhoudt die tot doel heeft om de belangen van verdachte te beschermen. Tijdens de uitlevering zijn van de verdachte de relevante stukken met de verdachte meegestuurd naar Nederland, die later door de Nederlandse autoriteiten zijn vertaald. Het hof heeft – net als het Ministerie van Justitie en Veiligheid of het Openbaar Ministerie – geen reden aan de authenticiteit van deze stukken te twijfelen. Het hof verwerpt dan ook het verweer in al zijn onderdelen. Specialiteitsbeginsel De verdediging heeft het hof verzocht het Openbaar Ministerie ten aanzien van alle feiten, maar in het bijzonder ter zake van feit 5, niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens strijd met het specialiteitsbeginsel. Het hof overweegt als volgt. Voor zover het verweer zich richt tegen de beslissing ten aanzien van feit 5 geldt dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard voor zover het hoger beroep is gericht tegen dat feit, zodat het verweer reeds daarom geen bespreking behoeft. Ten aanzien van de overige feiten geldt dat de uitlevering daarvoor is verzocht en toegestaan, zodat het verweer op de gronden zoals vermeld in de pleitnota in eerste aanleg en hoger beroep niet slaagt. Detentieomstandigheden in Oekraïne De verdediging heeft zich – met verwijzing naar en op gronden als verwoord in de pleitnota in eerste aanleg – op het standpunt gesteld dat de verdachte in de gevangenis in Oekraïne is blootgesteld aan ziektes als TBC en ook aan afpersing en geweld, omdat bekend werd gemaakt dat hij daar zat voor drugshandel. Het was destijds een feit van algemene bekendheid dat de mensenrechten in Oekraïne en in het bijzonder de detentieomstandigheden strijdig waren met artikel 3 van het EVRM. Nu bekend was dat de detentieomstandigheden ronduit vernederend en onmenselijk waren, had het Openbaar Ministerie niet mogen vragen om uitlevering, omdat de verdachte daardoor daaraan zou worden blootgesteld. Het verzoek om uitlevering voor deze feiten was onrechtmatig en in strijd met de goede procesorde. Het hof overweegt in navolging van de rechtbank als volgt. Artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er in dit geval sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. In dit verband kent het hof in het bijzonder betekenis toe aan het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 15 mei 2012, Kaverzin vs. Oekraïne (application no. 23893/03). In die zaak concludeert het EHRM dat er sprake is van schending van artikel 3 EVRM, waarbij het zich onder meer baseert op diverse rapporten over schending van mensenrechten in Oekraïne bij “police custody”. Hoewel dit arrest en de rapporten waarop het is gebaseerd niet specifiek zien op uitleveringsdetentie, is het hof er wel van overtuigd dat de detentieomstandigheden in Oekraïne in 2012 in het algemeen slecht waren en dat veelvuldig sprake was van schending van artikel 3 EVRM. De verdachte heeft zijn stelling dat hij is bedreigd, afgeperst en heel slecht behandeld niet onderbouwd met stukken en/of getuigenverklaringen, maar bezien in het licht van het arrest van het EHRM, acht het hof voldoende aannemelijk dat er tijdens zijn uitleveringsdetentie sprake is geweest van schending van artikel 3 EVRM, zij het dat de exacte ernst daarvan niet kan worden vastgesteld. Gelet op bovengenoemd arrest (en de rapporten waarop het is gebaseerd) is het hof van oordeel dat de Nederlandse autoriteiten er ook van op de hoogte waren of in elk geval hadden kunnen en moeten zijn dat de detentieomstandigheden in Oekraïne van dien aard waren dat schending van artikel 3 EVRM dreigde. Door aan Oekraïne om uitlevering van [verdachte] te vragen, heeft het Openbaar Ministerie hem daaraan blootgesteld. Dat hij zelf naar Oekraïne is gereisd, doet naar het oordeel van het hof op zich niet af aan deze (mede)verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, maar speelt wel een rol bij de vraagt of dit tot niet-ontvankelijkheid moet leiden. De vraag is of een dreigende schending van artikel 3 EVRM voor het Openbaar Ministerie een beletsel had moeten zijn om aan Oekraïne om uitlevering te vragen. Daarbij spelen de volgende aspecten een rol: de aard en ernst van de verdenking, namelijk grootschalige hennepteelt, witwassen en deelname aan een criminele organisatie (proportionaliteit); de periode van uitleveringsdetentie is uit haar aard niet zo lang (proportionaliteit); de mogelijkheden om de verdachte op een andere wijze aan te houden (subsidiariteit). Wat dat laatste betreft gaat het hof ervan uit dat [verdachte] wist dat hij in Nederland werd gezocht. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij via zijn advocaat had gemeld naar Nederland terug te keren, maar dat is niet onderbouwd en in ieder geval feitelijk niet geschied. Omdat Turkije geen onderdanen uitlevert, was een uitleveringsverzoek aan Oekraïne voor het Openbaar Ministerie praktisch gezien de enige mogelijkheid om [verdachte] aan te houden. Het hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het Openbaar Ministerie gezien de (te verwachten) detentieomstandigheden in Oekraïne en een dreigende schending van artikel 3 EVRM, afgezet tegen de aard en ernst van de verdenking, niet om uitlevering mocht vragen. De feitelijke schending van het EVRM is ook niet dermate ernstig dat dit tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te leiden, mede in aanmerking genomen dat [verdachte] er zelf voor heeft gekozen naar Oekraïne te gaan – terwijl hij wist dat hij in Nederland werd gezocht – en dus zelf dit risico heeft genomen. Het hof ziet hierin dan ook geen grond om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Wel zal het hof bij de strafoplegging rekening houden met de schending van artikel 3 EVRM door de detentieomstandigheden in Oekraïne. Start van het onderzoek Door de verdediging is – onder verwijzing naar en op gronden als verwoord in de pleitnota in eerste aanleg – betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, doordat zonder redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zware dwangmiddelen c.q. opsporingsmethoden zijn ingezet, te weten langdurige telefoontaps en stelselmatige observatie. Bovendien is aan de rechter-commissaris informatie onthouden, namelijk dat [verdachte] niet voorkwam in het onderzoek Patrijshond . Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel bewijsuitsluiting van alle resultaten van dit onrechtmatig optreden en de vruchten daarvan. Het hof stelt vast dat de gang van zaken in het onderzoek samengevat als volgt was: er was eerder informatie bij de politie bekend waaruit een verdenking ontstond jegens [medeverdachte 10] . Dit heeft geleid tot het starten van het onderzoek Patrijshond op 3 februari 2011. In dat kader was er een proces-verbaal met CIE-informatie d.d. 1 februari 2011, waarin [medeverdachte 16] werd genoemd in relatie tot [medeverdachte 10] . [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn in dat onderzoek ook naar voren gekomen, maar niet aangemerkt als verdachten. In een overleg op 9 maart 2011, met onder andere de officieren van justitie, is besloten om een apart onderzoek te starten naar [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 16] Vervolgens is op 10 maart 2011 aan de CIE gevraagd om beschikbare informatie te verstrekken die betrekking had op [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] . Daarop zijn diezelfde dag drie processen-verbaal met CIE-informatie verstrekt. De op 10 maart 2011 door de CIE verstrekte drie processen-verbaal bevatten de volgende informatie, die als betrouwbaar is aangemerkt: - “ “Bij het autobedrijf [medeverdachte 16] van [medeverdachte 7] in Tilburg wordt hennep ingekocht en verkocht. De te verkopen hennep ligt opgeslagen in auto’s die buiten bij het autobedrijf staan.” - “ “Vanuit het pand van [medeverdachte 16] te Tilburg worden dagelijks partijen hennep verhandeld. [medeverdachte 7] , bijgenaamd [medeverdachte 7] , maakt daar de dienst uit.” - “ “ [medeverdachte 8] die een garagebedrijf heeft aan de [adres 8] , genaamd [medeverdachte 16] , koopt grote hoeveelheden wiet op. Dat doet hij al enige tijd en gaat daar ook gewoon mee door. Achter het garagebedrijf aan de [adres 8] staat een hok waar alles wordt opgeslagen. Als mensen wiet komen afleveren, dan moet je naast het bedrijf een hek door rijden naar het hok achter het bedrijf waar alles op wordt geslagen. Aan de achterzijde van het bedrijf hangen geen camera’s, aan de voorzijde wel. [medeverdachte 8] werkt samen met [verdachte] en diens compagnon [medeverdachte 2] uit Tilburg.” Vervolgens kwam uit de politiesystemen aanvullende informatie naar boven over mogelijke betrokkenheid van de genoemde personen bij eerdere drugsdelicten: Op 13 januari 2010 was in het autobedrijf van [medeverdachte 16] te Tilburg ongeveer 78 kilo hennep aangetroffen, waarvoor [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] waren aangehouden en als verdachten aangemerkt; [medeverdachte 8] is eigenaar van een pand aan de [adres 7] , waar op 24 juni 2010 een hennepkwekerij was aangetroffen; [verdachte] is eigenaar van het pand aan de [adres 1] . In januari 2011 was in dit pand eveneens een hennepkwekerij aangetroffen, waarvoor [verdachte] als verdachte was aangemerkt. Voorts bleek uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] bestuurders waren van [medeverdachte 16] en dat [verdachte] een voormalig bestuurder was van het bedrijf. Naar het oordeel van het hof kan aan de CIE-informatie, in onderling verband en samenhang bezien met de overige informatie, een redelijk vermoeden worden ontleend dat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 16] zich schuldig maakten aan handel in hennep. De enkele omstandigheid dat [verdachte] in het onderzoek Patrijshond niet voorkwam en maar eenmaal is genoemd in de CIE-informatie doet daaraan niet af. De verdediging heeft een verzoek gedaan tot het horen van de CIE-informant(en). Het hof acht zich in de onderhavige zaak, gelet op verhandelde ter terechtzitting en gelet op hetgeen aan het verzoek tot het horen van de CIE-informant(
- en)ten grondslag is gelegd en in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, voldoende ingelicht en het hof is de noodzakelijkheid van het gevraagde (doen) horen van de CIE-informant(
- en)niet gebleken. Derhalve wijst het hof het verzoek af. Deze verdenking vormt ook voldoende grondslag voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen als telefoontaps en cameraobservatie bij het pand van [medeverdachte 16] Aangezien de verdenking gedurende het onderzoek alleen maar sterker is geworden, zijn deze opsporingsmethoden ook langdurig ingezet. In aanvulling op de rechtbank merkt het hof daarbij op dat de opsporingsmethoden langdurig zijn ingezet om de informatiepositie te versterken, inzicht te krijgen in het handelen van de verdachten en uiteindelijk heeft geleid tot de aanhouding van de verdachten. Anders dan de verdediging suggereert, is geen sprake geweest van misleiding van de rechter-commissaris door het achterhouden van essentiële informatie. Dat [verdachte] niet voorkwam in het onderzoek Patrijshond is geen essentiële informatie die een ander licht op de zaak werpt, zodat niet kan worden gezegd dat deze informatie ten onrechte aan de rechter-commissaris is onthouden. Concluderend is het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim bij de start van het onderzoek en evenmin is gebleken van een onrechtmatige inbreuk op het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 EVRM, zodat dit verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 , 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg en 's-Hertogenbosch en Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad hennepplanten en/of delen daarvan en/of grote hoeveelheden hennep, te weten: - in een pand gelegen aan de [adres 2] 321 hennepplanten en - in een pand gelegen aan het [adres 3] 27,4 kilo hennep en - in een pand gelegen aan de [adres 4] , gemeente West Maas en Waal, in totaal 1588 hennepplanten en - in een pand gelegen aan het [adres 5] een groot aantal hennepplanten en - in een pand gelegen aan de [adres 6] hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. 2 .hij op tijdstippen in de periode 1 april 2011 tot en met 24 januari 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. 3.hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe onder meer behoorden [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 2] (geb. [geboortedatum 2] ) en [medeverdachte 3] (geb. [geboortedatum 3] ) en [medeverdachte 4] , welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk - telen en/of bewerken van hennep en - verkopen en/of afleveren van hennep en - aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, aan welke organisatie verdachte leiding heeft gegeven; 4.A. hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 november 2008 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen van een voorwerp, te weten geldbedragen (in totaal ongeveer 150.000 euro), de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf, immers hebben verdachte en zijn mededader(
- s)zogenaamde (valse) leningsovereenkomsten opgesteld en aldus een legale herkomst aan genoemde geldbedragen gegeven; en B. hij op 24 juni 2011 in de gemeente Haarlemmermeer een voorwerp, te weten een geldbedrag van 33.800,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen 1Telefoonnummers in gebruik bij verdachten Het hof zal allereerst vaststellen welke telefoonnummers in gebruik zijn geweest bij de verdachten. 1.1. [verdachte] Het hof stelt vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (TT-04, TT-24 en TT-40). Dit nummer stond in maart 2011 op naam van [verdachte] . In telefoongesprekken op 22 en 28 maart 2011 geeft de gebruiker van voormeld telefoonnummer op te zijn genaamd [verdachte] . Verder is op 24 juni 2011 onder [verdachte] een telefoon met dit telefoonnummer in beslag genomen. Het hof stelt vast dat [verdachte] dit nummer dus in ieder geval heeft gebruikt tot 24 juni 2011. Voor het hof staat eveneens vast dat hij daarna gebruik is blijven maken van voormeld telefoonnummer. Op 17 juli 2011 komt op dit nummer een sms binnen die is gericht aan [verdachte] , inhoudende: “ [verdachte] , wanneer wordt er gestart bij [medeverdachte 17] ?”. [medeverdachte 17] heeft in zijn verhoor bij de politie d.d. 9 mei 2012 verklaard dat hij zijn huis tegen betaling heeft aangeboden aan [verdachte] om hennep te kweken. Voorts wordt op 30 juli 2011 op dit nummer gebeld door een man die vraagt of hij van [medeverdachte 16] is. De gebruiker antwoordt: “nee, de oude eigenaar”. is van 12 april 2007 tot 27 november 2008 mede-eigenaar geweest van [medeverdachte 16] . Dit telefoonnummer is met ingang van 18 augustus 2011 bij een andere provider ondergebracht, maar stond nog wel op naam van [verdachte] . Uit onderzoek van getapte telefoongesprekken die zijn gevoerd met de telefoonnummers [telefoonnummer 2] (TT-07) en [telefoonnummer 3] (TT-13) kon uit stemvergelijking door een verbalisant, in samenwerking met de tolken Turks, worden vastgesteld dat het woordgebruik, de intonatie en het dialect overeen komen met die van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hieruit kan worden afgeleid dat de gebruiker van bovenstaande telefoonnummers dezelfde persoon is, namelijk [verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1983 te Tilburg. In navolging van de rechtbank verwerpt het hof het verweer van de verdediging om geen acht te slaan op de gesprekken die door middel van stemherkenning aan [verdachte] zijn gelinkt en overweegt daartoe als volgt. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de stemherkenningen die zijn gedaan door verbalisant [verbalisant 1] in samenwerking met de tolken. Weliswaar zijn dit geen gecertificeerde deskundigen op het gebied van stemherkenning, maar de herkenning is gedaan op basis van het beluisteren van een grote hoeveelheid tapgesprekken. Door gedurende een langere periode onder meer naar de woordkeuze, de intonatie en het dialect te luisteren, kon een verband worden gelegd tussen de stem en een persoon. Bovendien worden de stemherkenningen ondersteund door andere bevindingen. Zo wordt op 27 april 2011 met nummer [telefoonnummer 2] (TT-07) gebeld en door de gebruiker gezegd dat vanmorgen de ‘ooms’ hebben gedingest. Hij bevestigt dat ze allemaal zijn opgepakt en meegenomen en zegt: “die dinges van mij…bij mijn broer”. Dit is versluierd taalgebruik over de inval van de politie op 27 april 2011 in een pand van de broer van [verdachte] aan [adres 3] , waar mensen hennep aan het knippen waren ( dossier Eekhoorn ). Verder geeft [medeverdachte 2] in een telefoongesprek op 20 mei 2011 desgevraagd als telefoonnummer van [verdachte] het nummer [telefoonnummer 3] . Ook ziet het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat deze telefoonnummers na de datum van het proces-verbaal van stemherkenning, te weten 20 juni 2011, door andere personen zouden zijn gebruikt. Dit niet nader onderbouwde verweer wordt dan ook verworpen. Voor het hof staat verder vast dat [verdachte] ook de volgende telefoonnummers in gebruik had: [telefoonnummer 4 ] (TT-16), [telefoonnummer 5] (TT-41) en [telefoonnummer 6] (TT-42). Ten aanzien van telefoonnummer [telefoonnummer 4 ] (TT-16) overweegt het hof als volgt. Na zijn aanhouding op Schiphol op 24 juni 2011 belt [verdachte] op 26 juni 2011 om 12.40 uur met ( het hof begrijpt: [medeverdachte 9] ) [medeverdachte 9] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] , en zegt dat hij een Blackberry heeft gekocht en deze probeert te installeren. Diezelfde middag zijn er nog twee gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarbij [verdachte] gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 4 ] . Dit nummer wordt ook gebruikt in het zaaksdossier Buizerd . Op 12 juli 2011 omstreeks 21.34 uur belt [verdachte] met dit nummer naar [medeverdachte 17] (het hof begrijpt hierna telkens: [medeverdachte 17]) en zegt dat hij langskomt en [medeverdachte 17] het adres even moet sms’en naar dit nummer. Twee minuten later sms’t [medeverdachte 17] : ‘ [adres 2] ’. Op 25 juli 2011 belt [verdachte] met [medeverdachte 17] en zegt dat hij woensdag rond 10.00 uur komt. Op woensdag 27 juli 2011 wordt [verdachte] om 10.13 uur gezien bij het pand aan [adres 2] te ’s-Hertogenbosch. Met betrekking tot het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (TT-41) overweegt het hof het navolgende. Op 17 november 2011 belt [medeverdachte 2] naar het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . [verdachte] wordt aan zijn stem herkend als gebruiker van dat nummer. [medeverdachte 2] vraagt of [verdachte] een nieuw nummer heeft. [verdachte] zegt van wel. [medeverdachte 2] vraagt of hij die in plaats van die met ‘51’ heeft genomen. [verdachte] bevestigt dat. Dit sluit aan op de vaststelling hiervoor dat [verdachte] eerder gebruik heeft gemaakt van het nummer [telefoonnummer 4 ] . Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] (TT-42) merkt het hof het volgende op. Het zaaksdossier Valk bevat veel tapgesprekken met dit telefoonnummer. In die gesprekken wordt de gebruiker daarvan aan zijn stem herkend als [verdachte] . Bovendien belt [medeverdachte 17] op 12 januari 2012 naar dit telefoonnummer en zegt dat [verdachte] hem een bericht heeft gestuurd, waarna hij niks van zich heeft laten horen en dat hij daarom ongerust is geworden. [medeverdachte 17] heeft in zijn verhoor bij de politie d.d. 9 mei 2012 over dit gesprek verklaard dat [verdachte] hem toen een aantal keren had gebeld, maar dat hij niet had opgenomen. 1.2. [medeverdachte 2] Uit het onderzoek dat is verricht naar de in de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres 13] aangetroffen en in beslag genomen Nokia telefoons blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (TT-06) is gebruikt door [medeverdachte 2] . heeft dat in zijn verhoor bij de politie d.d. 25 januari 2012 bevestigd. Verder had [medeverdachte 2] het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (TT-14) in gebruik. Dit nummer stond ook in een telefoon van [verdachte] die op 24 juni 2011 in beslag is genomen, onder de naam “ [medeverdachte 2] ”. Het hof stelt voorts vast dat het Turkse telefoonnummer [telefoonnummer 10] door [medeverdachte 2] werd gebruikt. Volgens de uitgewerkte tapgesprekken is hij aan zijn stem herkend. Een aantal gesprekken met dit nummer zijn aan [medeverdachte 2] voorgehouden, waarop hij niet ontkent dat hij degene is die deze gesprekken (met [verdachte] ) voert. Hij heeft voorts verklaard dat hij toen in Turkije zat, terwijl het een nummer betreft dat begint met 90, de landcode van Turkije. 1.3. [medeverdachte 1] Het telefoonnummer [telefoonnummer 11] (TT-28) is in gebruik bij [medeverdachte 1] . Uit de bevraging bij het Centraal Informatiepunt voor het Onderzoek aan Telecommunicatie (CIOT) bleek dat er op voormeld telefoonnummer een abonnement is afgesloten op naam van [medeverdachte 1] , wonende aan de [adres 10] . 1.4. [medeverdachte 3] Bij de aanhouding van [medeverdachte 3] zijn twee telefoons onder hem in beslag genomen. Enkele gesprekken die met het telefoonnummer [telefoonnummer 12] zijn gevoerd zijn aan hem voorgehouden en hij heeft erkend dat hij die gesprekken heeft gevoerd. Uit het onderzoek aan de in beslag genomen telefoons in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 11] blijkt dat hij tevens het telefoonnummer [telefoonnummer 13] (iPhone) heeft gebruikt. 1.5. [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 14] . In gesprekken met dat nummer wordt [medeverdachte 4] veelvuldig met zijn roepnaam [medeverdachte 4] aangesproken. [medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat hij [medeverdachte 4] ( het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) [medeverdachte 4] kent als [medeverdachte 4] , een Bulgaarse jongen, die hij een paar keer met [verdachte] heeft gezien. Daarnaast maakt [medeverdachte 4] gebruik van de telefoonnummers [telefoonnummer 15] en [telefoonnummer 16] , zo blijkt uit het zaaksdossier Valk . In gesprekken met deze telefoonnummers wordt de gebruiker eveneens [medeverdachte 4] genoemd. Verder is bij de tapgesprekken steeds vermeld dat op basis van stemherkenning is vastgesteld dat [medeverdachte 4] de gebruiker is van die telefoonnummers. Dat [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] van een ander telefoonnummer gebruik is gaan maken, kan ook blijken uit een telefoongesprek van [verdachte] op 11 januari 2012, waarin hij zegt dat degene die de ‘ooms’ heeft gezien een nieuw nummer heeft genomen. Omstreeks 19.05 uur die dag belde [medeverdachte 4] , die gebruik maakte van het nummer [telefoonnummer 16] , naar [verdachte] en vertelde dat hij de ooms had gezien. 2Ter zake van feit 1: hennepkwekerijen De verdediging heeft – onder verwijzing naar en op gronden als verwoord in de pleitnota in eerste aanleg – bepleit dat de verdachte van het medeplegen van het onder 1 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken. Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [verdachte] heeft zich ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerijen uit de zaaksdossiers Buizerd , Eekhoorn , Leeuw , Mus en Valk in zijn verhoor bij de politie d.d. 2 mei 2012 beroepen op zijn zwijgrecht. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Artikel 6, tweede lid, EVRM (de onschuldpresumptie) staat daaraan niet in de weg (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584 en HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372, met verwijzing naar EHRM 18 maart 2010, nr. 13201/05 (Krumpholz tegen Oostenrijk) en het daarin opgenomen overzicht van de rechtspraak van het EHRM). Datzelfde geldt, mede gelet op overweging van de preambule bij Richtlijn 2016/343/EU, voor artikel 6 van deze Richtlijn (vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, rov. 2 .3.3.). Het hof stelt vast dat de verdachte geen aannemelijke, ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor de hierna weergegeven omstandigheden die in samenhang beschouwd redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde feit. 2.1. Zaaksdossier Buizerd : hennepkwekerij [adres 2] Op 6 september 2011 is de politie binnengetreden in een woning gelegen aan de [adres 2] , alwaar een in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Op de eerste verdieping aan de achterzijde van de genoemde woning was een kweekruimte (hierna: kweekruimte 1) gelegen. Het raam van deze ruimte was dichtgemaakt en afgeplakt met een witte plastic folie. Op de vloer van de genoemde ruimte was een zwarte rubberen folie gelegen met opstaande randen. Op de rubberen folie waren in totaal 86 kweekpotten met potgrond en hennepplanten geplaatst. Tussen de hennepplanten stond een lege waterton. Aan het plafond boven de planten waren in totaal 10 assimilatielampen van 600 Watt met spiegelkappen gemonteerd. Deze lampen waren in werking en in hoogte verstelbaar. In de hoek van de genoemde kweekruimte was een koolstoffilter met daaraan gekoppeld een slang geplaatst. Deze slang werd door een zijmuur van kweekruimte 1 geleid naar de zolder van de genoemde woning. Op de zolder was een inbouwventilator geplaatst waarop deze slang was gekoppeld. Hiermee werd de vuile lucht vanuit kweekruimte 1 afgezogen. Aan een zijmuur van deze kweekruimte waren in totaal 10 transformatoren van 600 Watt gemonteerd. Aan alle elektrische apparatuur van deze kweekruimte waren elektriciteitskabels gemonteerd. Deze kabels werden geleid naar de zolder en aldaar op een schakelkast aangesloten. Middels deze schakelkast werd de elektrische apparatuur automatisch aan- en uitgeschakeld. De in de schakelaar aanwezige tijdschakelaar stond ingesteld op 12 uur aan en 12 uur uit. Op de voorzolder van de genoemde woning werd een groene container aangetroffen. In deze container was een dompelpomp met slangwerk geplaatst. Naast de groene container stonden flessen met voedingstoffen en een lege jerrycan van 10 liter voor voedingsstoffen. In een hoek van de voorzolder was een staande ventilator geplaatst. Op de cv-ketel van de genoemde woning lag een losse assimilatielamp van 600 Watt. Verder was op de vloer van de voorzolder een inbouwventilator geplaatst. Aan deze ventilatoren waren slangen gemonteerd welke afkomstig waren uit de kweekruimten 1 en 2 . Middels deze inbouwventilator werd de vuile lucht uit de kweekruimten 1 en 2 via het dakbeschot afgevoerd. Op de zolder van de woning werd een ruimte (hierna: kweekruimte 2 ) aangetroffen. Op de vloer van deze ruimte was een rubberen folie met opstaande randen gelegen. Op deze folie waren in totaal 235 kweekpotten met potgrond en hennepplanten geplaatst. Aan het plafond van kweekruimte 2 waren boven de hennepplanten 19 assimilatielampen van 600 Watt met spiegelkappen en 1 koolstoffilter gemonteerd. De assimilatielampen waren in werking en in hoogte verstelbaar. In een hoek van de kweekruimte was een tweede koolstoffilter op de vloer geplaatst. Aan de koolstoffilter waren slangen gemonteerd en deze werden geleid naar en aangesloten op de inbouwventilator op de voorzolder. Aan een zijmuur van kweekruimte 2 waren 19 transformatoren van 600 Watt en 1 temperatuur-/ventilatie regelkast gemonteerd. Aan de buitenzijde van kweekruimte 2 was op de buitenmuur een schakelkast met tijdklok gemonteerd. De tijdklok stond ingesteld op 12 uur aan en 12 uur uit. Aan alle elektrische apparatuur van kweekruimte 2 waren elektriciteitskabels gemonteerd. Deze kabels werden geleid en aangesloten op de schakelkast. Hiermee werd alle elektrische apparatuur automatisch in- en uitgeschakeld. Uit de twee ruimten werden vijf planten geknipt en in beslag genomen. Verbalisant [verbalisant 2] herkende het materiaal van de vijf hennepplanten uit ruimte 1 en de vijf hennepplanten uit ruimte 2 aan de karakteristieke geur en vorm van de plantdelen. De planten uit ruimte 1 hadden een lengte tussen de 75 en 80 centimeter en de planten uit ruimte 1 hadden een lengte tussen de 100 en 110 centimeter. Twee van de vijf planten uit ruimte 1 en twee van de vijf planten uit ruimte 2 werden getest met verdovende middelentests. Het testen leverde twee keer tweemaal een positieve indicatie van hennep/marihuana/hash op. In de woning werd [medeverdachte 17] als verdachte aangehouden. Hij stond ingeschreven en was woonachtig op het adres aan de [adres 2] . Voorts was hij werkzaam als taxichauffeur. In zijn verhoor bij de politie heeft hij verklaard dat hij schulden had en zijn huis tegen betaling aan [verdachte] had aangeboden om hennep te kweken. Hij zou van [verdachte] € 5.000,- krijgen. Hij verklaarde dat de hem getoonde foto op [verdachte] lijkt. Voorts verklaarde hij dat [verdachte] aan hem vertelde dat hij in verschillende woningen hennepkwekerijen had. Op de vraag wie de hennepkwekerijen onderhield, antwoordde [medeverdachte 17] dat [verdachte] af en toe langskwam, soms een Turkse jongen, een kennis van [verdachte] , en soms deed hij dit ook. Hij had met [verdachte] afgesproken dat als er problemen zouden ontstaan, [verdachte] dit zou betalen. Dit had [verdachte] gezegd. [medeverdachte 25] , de echtgenote van [medeverdachte 17] , heeft bij de politie verklaard dat er één keer een Poolse man langs kwam en gelijk naar de zolder ging. Nadat aan haar een foto van [medeverdachte 1] wordt getoond, verklaarde zij deze persoon te herkennen als de Poolse man. Voorts wordt aan haar het volgende telefoongesprek (TT16, sessienummer 1042) voorgehouden: “op 22 augustus 2011 omstreeks 14.19 uur werd [verdachte] , die op dat moment gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 4 ] , gebeld door een onbekende vrouw die op dat moment gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 17] . In het gesprek zegt de onbekende vrouw dat het heel erg droog is bij de wortels. [verdachte] zegt dat dat normaal is”. [medeverdachte 25] heeft verklaard dat zij de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 17] en heeft bevestigd dat zij het bovenstaande heeft gezegd. Zij heeft verklaard dat de persoon die zij aan de telefoon had gesproken over de wortels de man is op het rijbewijs dat de verbalisant aan haar toonde, waarvan de verbalisant heeft gerelateerd dat de persoon op de foto bij hen bekend is als [verdachte] . Hij was een keer langs geweest, nam toen twee jerrycans mee en bracht deze op de zolder. Hij noemde zich [verdachte] . Voorts heeft [medeverdachte 25] verklaard dat zij de Poolse man heeft gebeld om door te geven dat de politie was gekomen en dat zij geld nodig had. Toen zij het vertelde, hoorde zij deze Poolse man zeggen dat hij dit door zou geven. Tien minuten later werd zij gebeld door [verdachte] . Hij zou het geld komen brengen. Later belde hij echter op dat hij het niet zou halen om het geld binnen de gestelde tijd te komen brengen. De eigenaar van de hennepkwekerij was [verdachte] , de man op de rijbewijsfoto. De verklaringen van [medeverdachte 17] en [medeverdachte 25] worden ondersteund door de volgende tapgesprekken en observaties. Opbouw van de hennepkwekerij Op 8 juni 2011 omstreeks 17.58 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] . [verdachte] vraagt: “Wat gaan we over Den Bosch zeggen en gaan we door?”, waarop [medeverdachte 2] zegt dat ze in principe doorgaan, maar vraagt wat ze moeten doen als de stroom er niet tegen kan. Hierop zegt [verdachte] dat het dat wel kan dragen. Verder spreekt [verdachte] over ‘onze materialen’. Op 9 juni 2011 om 18.29 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] . In het gesprek spreken zij hun zorgen uit over de houding van [medeverdachte 17] (ten aanzien van zijn drankgebruik en gokverslaving) en bespreken wat ze moeten doen als het fout gaat. [verdachte] zegt: “Anders slaan we hem in elkaar en nemen wij zijn taxi in en zeggen we dat de taxi hier blijft totdat hij het geld brengt”. Op 17 juni 2011 om 21.27 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] . In het gesprek vraagt [verdachte] of [medeverdachte 2] zijn zakenpartner heeft gemist en of [medeverdachte 2] nog met [medeverdachte 17] heeft gesproken. Op 25 juli 2011 omstreeks 20.13 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 17] , die op dat moment gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 18] . [medeverdachte 17] heeft in zijn verhoor d.d. 9 mei 2012 bevestigd dat hij al vier jaar de gebruiker is van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 18] . In het gesprek zegt [verdachte] dat ze woensdag rond tien uur komen. Op woensdag 27 juli 2011 wordt de woning aan de [adres 2] vanaf 09.00 uur onder observatie genomen. Voor de ramen van de benedenverdieping van de woning is doorzichtig plastic geplakt zodat naar binnen kijken wordt bemoeilijkt. Het lijkt er op dat de benedenverdieping leeg staat. Om 10.13 uur wordt voor voornoemd pand een Opel Zafira, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , geparkeerd. Als bestuurder stapt uit [verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1983 , die wordt herkend van een aan de verbalisant verstrekte foto (hierna: [verdachte] ). [verdachte] loopt naar de woning en belt aan, waarna de deur door een man wordt geopend. [verdachte] loopt terug naar de auto en opent de achterklep. Een andere man stapt als bijrijder uit de auto. [verdachte] en de bijrijder lopen drie- tot viermaal heen en weer tussen de auto en de woning. Zij brengen diverse (sport)tassen, een zogenaamde attachékoffer en plastic zakken met inhoud de woning binnen. Op 28 juli 2011 vindt er een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] waarin wordt gesproken over ‘230 boven’ en ’90 stuks beneden’ en een slang die langs de trap moet gaan lopen. Voorts bespreken zij dat zij meenemen wat er uit komt/geoogst wordt. Uit de inhoud van het telefoongesprek op 28 juli 2011, in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud van de andere tapgesprekken en de overige bevindingen, leidt het hof af dat dit gesprek is te relateren aan de aangetroffen hennepkwekerij in de woning aan de [adres 2] , alwaar 86 hennepplanten op de eerste verdieping (‘beneden’) en 235 hennepplanten op zolder (‘boven’) werden aangetroffen. Voorts liep daarbij een slang van kweekruimte 1 op de eerste verdieping naar kweekruimte 2 op de zolder. Onderhoud van de hennepkwekerij Op 11 augustus 2011 omstreeks 20.00 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 17] . In het gesprek vraagt [verdachte] of ze op de been/overeind blijven. “Momentje”, zegt [medeverdachte 17] . [medeverdachte 17] gaat kijken en zegt: “oh het is nogal warm”. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 17] beneden of boven is. “Ik ben beneden, ze staan goed overeind, ze zijn goed levendig”, zegt [medeverdachte 17] . “Ga ook even boven kijken”, zegt [verdachte] . [medeverdachte 17] loopt kennelijk naar boven. Na een tijdje zegt [medeverdachte 17] dat die boven wel een paar nog liggen en zegt vervolgens dat ook die goed overeind staan. [verdachte] vraagt of de tante/schoonzus (vrouw van [medeverdachte 17] ) daar is. “Ja”, zegt [medeverdachte 17] . Er is op dat moment een Turks sprekende vrouw op de achtergrond te horen. [verdachte] zegt: “ik heb aan tante/schoonzus uitgelegd hoe ze het moet doen, ze moet rustig aan zonder blaadjes nat te maken, beetje water geven, nat maken. Niet te veel en blaadjes niet nat maken, want anders branden zij”, zegt [verdachte] . [verdachte] zegt dat hij morgen daar langs zal komen. “Is goed”, zegt [medeverdachte 17] . Op 13 augustus 2011 omstreeks 16.24 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . In het gesprek overlegt [medeverdachte 1] met [verdachte] over bepaalde instellingen. [verdachte] zegt: “maak/doe beneden op 4 hoor”. [medeverdachte 1] zegt daarop: “het is 11 en 11 he, je hebt dit ingesteld zeker”. [verdachte] zegt daarop: “ja, je moet het alleen in het midden zetten, dat is het”. [medeverdachte 1] zegt: “dat is goed”. Op 14 augustus 2011 omstreeks 00.32 uur en 00.33 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . In het eerste gesprek vraagt [verdachte] of [medeverdachte 1] de 2 stekkers niet uitgetrokken heeft van de 220. In het tweede gesprek zegt [verdachte] : “had jij die dingen niet uitgetrokken uit 220, vandaar dat het bleef branden”. [medeverdachte 1] zegt dat hij dat is vergeten. [verdachte] zegt: “zij nemen de telefoon niet op”. Omstreeks 00.36 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 17] . In het gesprek zegt [verdachte] dat hij net [medeverdachte 1] heeft gebeld en vraagt of [medeverdachte 17] er van op de hoogte is. [medeverdachte 17] zegt van wel. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] dat vergeten is daar, boven staat er 220. Omstreeks 00.56 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 17] . In het gesprek geeft [verdachte] aanwijzingen welke 2 van de 3 eruit getrokken moeten worden. Na de ontmanteling Op 6 september 2011 omstreeks 15.34 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 1] . In het gesprek zegt [medeverdachte 1] dat de plaats in Den (Den Bosch) is “gevlogen”. Verder zegt [medeverdachte 1] dat de vrouw duizend lira nodig heeft voor de elektriciteit. Omstreeks 16.06 uur belt [verdachte] naar de vrouw van [medeverdachte 17] , die op dat moment gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 17] . In het gesprek zegt de vrouw dat ze nu dringend twee duizend lira nodig heeft. Verder zegt ze dat [medeverdachte 17] is aangehouden en dat thuis alles weggehaald wordt en de elektriciteit afgesloten gaat worden. [verdachte] zegt dat zij hun nummers moet wissen en vraagt of de mannen met de pet nog daar zijn. “Ja, zij ruimen momenteel boven”, zegt de vrouw. Omstreeks 16.27 uur belt [verdachte] opnieuw naar de vrouw van [medeverdachte 17] en zegt dat zij binnen tien minuten nooit redden om daarnaartoe te komen. “Kom maar hier naartoe, dan zal ik jou het geld geven”, zegt [verdachte] . Omstreeks 18.01 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] en zegt dat het een tip geweest is en dat er metingen zijn gedaan, waarna men naar binnen is gegaan. Conclusie Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 17] en [medeverdachte 25] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. De verdachten hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 17] en [medeverdachte 25] hun woning ter beschikking hebben gesteld voor het kweken van hennep en in die kwekerij werkzaamheden hebben verricht. Ten aanzien van de rol van [verdachte] kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij de eigenaar was van de kwekerij en een coördinerende en sturende rol had. Hij gaf opdrachten, was zelf bij de hennepkwekerij aanwezig en hield [medeverdachte 2] op de hoogte van de situatie. [medeverdachte 1] had een ondersteunende rol, is in de kwekerij aanwezig geweest en heeft daar de instellingen van de apparatuur aangepast. Voorts fungeerde hij als contactpersoon tussen [medeverdachte 25] en [verdachte] . Dat [medeverdachte 25] verklaarde over een Poolse man, terwijl [medeverdachte 1] niet Pools is maar van Turkse komaf, doet niet af aan haar herkenning van [medeverdachte 1] op een foto als die bewuste man. Verder was [medeverdachte 2] betrokken bij de opbouw van de kwekerij, bepaalde dat werd doorgegaan met de hennepkwekerij en werd na de ontmanteling door [verdachte] op de hoogte gehouden van de situatie. [medeverdachte 2] kan dan ook – in de woorden van [verdachte] – worden aangemerkt als zijn zakenpartner. Zij spreken over ‘hun materialen’, wat zij met [medeverdachte 17] doen als het fout gaat en dat zij meenemen wat eruit komt/geoogst gaat worden. Naar het oordeel van het hof gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij, mede gelet op de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van een beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. 2.2. Zaaksdossier Eekhoorn : hennepkwekerij [adres 3] Aan de hand van tapgesprekken en observaties werd het volgende geconstateerd. Op 18 april 2011 om 20.40 uur werd door leden van het observatieteam gezien dat [verdachte] een pand aan het [adres 3] binnengaat, vermoedelijk nummer [adres 3] . De woning aan het [adres 3] blijkt volgens de gegevens van het kadaster sinds 2 september 2005 eigendom te zijn van [broer verdachte] , geboren op [geboortedatum 4] te Goirle. Uit de beschikbare gegevens van de Gemeentelijke Basis Administratie blijkt dat [broer verdachte] in de periode van 22 juni 2007 tot 18 augustus 2011 op voornoemd adres stond ingeschreven. Hij is de broer van [verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1983 te [geboorteplaats 1] . Op 26 april 2011 om 21.17 uur belt [medeverdachte 4] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 14] naar [verdachte] . De gebruiker van het telefoonnummer is [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum 5] te [geboorteplaats 2] . [verdachte] vraagt hoeveel mensen [medeverdachte 4] morgen kan regelen voor de locatie van [verdachte] . [medeverdachte 4] zegt: “mijn moeder, mijn vrouw, [betrokkene 1] .. (ntv) daar, “ [medeverdachte 11] ” is daar, dus 4, 5, 6 of 7 mensen kunnen wij maken”. [verdachte] zegt: “6 mensen dus, laat het mensen van ons zijn en niet van buiten aannemen”. [verdachte] wil ook dat “ [medeverdachte 12] ” komt. [medeverdachte 4] gaat haar bellen. Om 21.24 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt: “ik heb [medeverdachte 12] al gebeld. Zij zei dat zij zou komen”. Het gesprek gaat verder over hoe laat ze afspreken, over [medeverdachte 11] bellen om te vragen wie op welk tijdstip er uit komt, over het meenemen van schijnwerpers en over tassen die ze binnen nodig hebben. [verdachte] zegt dat drie tassen voor binnen genoeg is. [verdachte] zegt: “laat die ook vannacht niet onbemand he?”. “Nee, dat doe ik niet hoor”, zegt [medeverdachte 4] . Op 27 april 2011 om 07.45 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat iedereen binnen is en hij “het” hen verteld heeft. [verdachte] wil weten of iemand hen gezien heeft bij het binnenkomen. Dat is niet het geval volgens [medeverdachte 4] . [verdachte] wil dat ze er een beetje vaart achter zetten. “Dat is goed”, zegt [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat [echtgenote medeverdachte 4] naar ander werk zou gaan en daarom werkt zij zo hard. [medeverdachte 4] zegt: “omstreeks 8 uur ga ik vuilniszakken voor hen kopen bij Jumbo als die open is”. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] naar die andere Jumbo moet gaan kopen. Op 27 april 2011 omstreeks 09.10 uur wordt gezien dat een Opel Zafira, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , geparkeerd staat op het [adres 3] , ter hoogte van perceel 49-50-51 . Het kenteken bleek op naam te staan van [verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1983 . Om 10.04 uur wordt gezien dat de Opel Zafira wordt geparkeerd op [adres 3] ter hoogte van de aldaar aanwezige Jumbo supermarkt en dat [medeverdachte 4] de bestuurder is van voornoemd voertuig, uitstapt en de Jumbo supermarkt binnengaat. Om 10.13 uur komt hij de Jumbo supermarkt weer uit en rijdt in de Opel Zafira richting [adres 3] en gaat daar naar binnen. Om 10.13 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en wil weten of er buiten stank is. “Dat is er niet”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] wil weten hoe het gaat. “De ene is reeds klaar hoor”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] vindt dat mooi. [verdachte] wil nog weten of zij het “dingessen” zoals hij het zei. [medeverdachte 4] antwoordt dat ze het doen zoals [verdachte] zei. Op 27 april 2011 om 12.00 uur werd binnengetreden in de woning gelegen aan het [adres 3] . Na enkele malen kloppen en bellen werd de deur geopend door een manspersoon. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat deze man aan zijn kleding resten van hennepplanten had en rook een duidelijke geur van hennep in de woning. De man legitimeerde zich later middels een Bulgaars identiteitsbewijs als [medeverdachte 11] , geboren op [geboortedatum 6] te Bulgarije. Verbalisant [verbalisant 3] liep achter deze man de woonkamer in. In de woonkamer zag verbalisant [verbalisant 3] [medeverdachte 11] en [medeverdachte 4] . In de woonkamer bevond zich ook [medeverdachte 14] . Verbalisant [verbalisant 3] zag dat deze vrouw op haar kleding ook resten had van hennepplanten. Na het binnentreden zijn verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] via de trap naar de bovenetage gegaan. Op de trap troffen zij resten van hennepplanten aan. Op de bovenetage troffen zij verschillende ruimtes aan. In de achterste kamer rechts troffen zij vijf vrouwen aan. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zagen dat deze vrouwen aan hun kleding resten hadden van hennepplanten. Op de gang troffen zij een doos met henneptoppen aan. Links van hen troffen zij twee ruimtes aan met een hennepkwekerij. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zagen dat alle planten waren afgeknipt. In de eerste ruimte links van hen stonden potten met afgeknipte hennepplanten. In de tweede ruimte links troffen zij dozen aan met henneptoppen. In deze ruimte troffen zij verder afgeknipte hennepplanten aan. Verbalisant [verbalisant 5] zag dat een van de vrouwen een klein knipschaartje in haar handen had. Omstreeks 12.04 uur hielden de verbalisanten op voornoemd adres de volgende personen aan: [medeverdachte 14] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 32] , [medeverdachte 33] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 26] en [medeverdachte 12] . Over een aantal van de aangehouden personen werd eerder in de hierboven weergegeven tapgesprekken gesproken. Zo werd door [verdachte] en [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] gesproken over “ [medeverdachte 12] ”, waarmee kennelijk [medeverdachte 12] werd bedoeld en over [medeverdachte 11] , van wie de roepnaam “ [medeverdachte 11] ” is. Voorts werd door [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] gesproken over zijn vrouw, te weten [medeverdachte 26] . Bovendien hebben [medeverdachte 14] , [medeverdachte 33] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 26] en [medeverdachte 12] verklaard dat zij hennep hebben geknipt. Er werden in totaal 230 potten met potgrond aangetroffen, 94 in kamer 1 en 136 in kamer 2 . Na weging met een geijkte weegschaal bleek dat in de twee kamers waar een hennepkwekerij aanwezig was 27,4 kilo gedroogde hennep aanwezig was. Drie hennepmonsters, afkomstig uit één ruimte, werden door verbalisant [verbalisant 6] herkend als materiaal van het geslacht cannabis, beter bekend als hennep. De meerdere tests gaven een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj. Ten tijde van de ontmanteling van de kwekerij vonden de volgende telefoongesprekken plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] , die zich op dat moment op voornoemd adres bevond. Op 27 april 2011 om 12.02 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] waarschuwt [verdachte] dat de politie is gekomen. Om 12.28 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] geeft aan dat hij dacht dat [verdachte] kwam. [verdachte] begrijpt [medeverdachte 4] niet. [medeverdachte 4] zegt dat hij dacht dat [verdachte] zou komen en dat “zij” (politie) toen binnenkwamen. [verdachte] wil weten of [medeverdachte 4] praat in “hun” (politie) aanwezigheid. Dat doet [medeverdachte 4] . Om 12.30 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en waarschuwt hem om geen namen te noemen. Voorts heeft kort na de ontmanteling een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] en op een later moment die middag tussen [verdachte] en zijn broer [broer verdachte] en [verdachte] en een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] . Om 12.32 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 2] . [verdachte] zegt dat hij ze vanochtend te werk heeft gesteld en dat hij gisteren had gezegd dat zij morgenochtend binnen mochten komen. “Had ik maar gezegd dat zij dat in de avond moesten doen”, zegt [verdachte] . [verdachte] zegt dat ze net klaar waren en dat hij hen ging ophalen. [medeverdachte 2] wil weten of er nu mensen binnen zijn. [verdachte] zegt dat alles, iedereen daar binnen is opgepakt. Zij waren net klaar. [verdachte] was gebeld dat hij mocht komen. [verdachte] was onderweg daarheen toen hij werd gebeld en te horen kreeg dat hij niet moest komen. Om 13.52 uur wordt [verdachte] gebeld door zijn broer [broer verdachte] . [verdachte] zegt: “zij hebben daar bij jou ‘laten vervliegen’ man”. Broer: “meen je dat?”. [verdachte] vertelt: “vanochtend had ik hen aan het werk gezet en het is gebeurd terwijl iedereen binnen was”, waarop [broer verdachte] zegt: “meen je dat nou”. [verdachte] zegt: “echt waar man”. “Dan zal men het hebben getipt”, zegt [broer verdachte] , waarop [verdachte] zegt: “juist op het moment dat ik het ging ophalen… alles stond gereed… gingen ze naar binnen”. Om 15.03 uur belt [verdachte] naar een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 19] . [verdachte] zegt dat hij de personalia nodig heeft van [medeverdachte 11] . De man zegt dat het goed is en vraagt of er iets is gebeurd. [verdachte] zegt: “ja vanmorgen hebben de ‘ooms’ (politie) gedingest”. De man vraagt: “wie/welke dan?”, waarop [verdachte] zegt: “ [medeverdachte 11] man, precies op het moment toen hij aan het werk was”. De man vraagt: “hebben ze hen allemaal opgepakt en meegenomen?”, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt. De man vraagt: “waar dan?”, waarop [verdachte] zegt: “die dinges van mij… bij mijn broer” en “het lag helemaal gereed en net op dat moment dat ik het ging ophalen. Hij zei: ‘abi ik ga ze dinges doen’ en ik zei ‘ik kom er aan’. Nog geen 10 seconden later belde hij en hij zei: ‘abi niet komen’”. [medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij het pand aan het [adres 3] sinds 15 februari 2011 huurde van [broer verdachte] (fonetisch, het hof begrijpt: [broer verdachte] ) en dat hij eigenaar was van de hennepkwekerij/-knipperij. Op de dag van aanhouding waren er werksters in huis om in de woning hennep te snijden. Hij was samen met de vrouwen boven aan het knippen. Hij heeft ook instructies gegeven hoe de vrouwen moesten knippen. Verder verklaarde hij dat ze hem kennen als [medeverdachte 11] . [medeverdachte 32] en [medeverdachte 33] hebben bevestigd dat [medeverdachte 11] hen aanstuurde bij de kwekerij en [medeverdachte 15] heeft verklaard dat hij de leiding had. [medeverdachte 4] heeft in zijn verhoor bij de politie d.d. 28 april 2011 verklaard dat hij zijn moeder en vrouw naar het huis had gebracht en de vrouwen met schaartjes de blaadjes van de planten afknipten. Voorts heeft hij verklaard dat de Opel Zafira van [verdachte] was en dat hij deze kreeg (het hof begrijpt: mocht lenen), als hij deze nodig had. Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] en [medeverdachte 11] alias [medeverdachte 11] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van de rol van [verdachte] kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij een coördinerende en sturende rol had. Hij gaf opdrachten, bepaalde (mede) wie de hennepplanten zou(den) knippen en heeft instructies gegeven hoe dat moest gebeuren. Voorts was hij degene die na afloop van het knippen de geknipte hennep en/of de knippers zou ophalen. [medeverdachte 11] huurde het pand waarin de hennepkwekerij/-knipperij werd aangetroffen, gaf instructies hoe de vrouwen de hennep moesten knippen, had daarbij de leiding en stuurde hen aan. [medeverdachte 4] regelde de knippers en was zelf eveneens aanwezig bij het knippen. Het hof acht bewezen dat sprake was van een beroeps- of bedrijfsmatige bewerking van hennep, gelet op de grote hoeveelheid hennep en de (professionele) inrichting van de kwekerij. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen te Tilburg, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk 27,4 kilogram hennep heeft bewerkt en aanwezig heeft gehad. 2.3. Zaaksdossier Leeuw : hennepkwekerij [adres 4] Op 12 mei om 17.28 uur werd binnengetreden in een bedrijfsruimte van een bedrijf, gevestigd aan de [adres 4] , gemeente West Maas en Waal. Op de begane grond van de opslagloods bevonden zich veel kartonnen dozen die op elkaar gestapeld waren. In die dozen werden diverse soorten stopcontacten en ander elektrisch schakelmateriaal aangetroffen. Na binnenkomst links in deze loods werden vele kartonnen dozen aangetroffen die op elkaar gestapeld waren en op deze wijze als het ware een corridor van dozen vormden. Na onderzoek bleek, verborgen achter deze corridor/muur van veelal lege dozen, een afgesloten binnendeur aanwezig. Deze binnendeur werd geforceerd, waarna toegang werd verkregen tot drie daarachter gelegen verborgen ruimten op de begane grond. In de eerste ruimte bleken grote plastic vaten die met water waren gevuld aanwezig, alsmede een complete wand met veel elektrische schakelklokken en andere voorwerpen kennelijk bestemd en ten behoeve van een hennepkwekerij. In een tweede en derde ruimte werden twee, op dat moment in bedrijf zijnde, hennepkwekerijen (assimilatielampen brandend en ventilatoren werkend) aangetroffen. Na telling van de hierin aanwezige hennepplanten bleken in deze ruimte respectievelijk 328 en 414 stuks in bloei staande hennepplanten aanwezig. Achter in de eerste ruimte bleek een opening in het plafond aanwezig. Middels een bij die opening staande metalen ladder bleek nog een vierde verborgen ruimte op de eerste verdieping toegankelijk. Na telling van de hierin aanwezige hennepplanten bleken in deze ruimte 846 stuks in bloei staande hennepplanten aanwezig. Ook deze kwekerij was op dat moment in bedrijf. Alle aangetroffen planten (totaal 1588 stuks) hadden een geschatte hoogte van circa 75 centimeter. In iedere kweekruimte werd van een representatief aantal planten monsters genomen en getest, waarbij telkens een sterk positieve reactie werd geconstateerd. Uit deze reactie kan worden afgeleid dat de onderzochte substantie hennep is, dan wel bevatte, als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Het bedrijfspand aan de [adres 4] werd gehuurd door [medeverdachte 36] . Opbouw van de hennepkwekerij Na analyse van de verkeersgegevens van de bij [verdachte] en [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] (TT-04, [verdachte] ) respectievelijk [telefoonnummer 8] (TT-06, [medeverdachte 2] ), kon hun positie worden bepaald. In de periode van 23 maart 2011 tot en met 31 maart 2011 bleek dat deze telefoonaansluitingen een aantal malen de paallocatie aan de [locatie 2] aanstraalde. Aan de hand van observaties en tapgesprekken werd het volgende geconstateerd. Op 31 maart 2011 omstreeks 10.13 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt: “we gaan de potten bij jou in de auto leggen”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “oké, goed”. Om 10.22 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt dat hij achter is, waarna [verdachte] zegt: “laat ik dan dinges bellen zodat ze naar de achterkant komen en zodat we de potten in jouw auto kunnen leggen”. [medeverdachte 1] antwoordt daarop: “oké, goed”. Direct daarna belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] naar de achterkant moet gaan om de potten te doen. “Oké, goed”, zegt [medeverdachte 4] . Om 10.42 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt: “hebben jullie het geregeld?”, waarop [medeverdachte 4] zegt: “er moet nog 1 pallet”. [verdachte] zegt dat hij eraan komt. [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 1] naar hem vraagt. [verdachte] zegt dat hij er aan komt. De gebruiker van het telefoonnummer is [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum 5] te Bulgarije. Omstreeks 13.04 uur wordt gezien dat een witte Mercedes-Benz, type 212D, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , bij een bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] binnenrijdt, waarna het rolluik direct wordt gesloten. Uit onderzoek bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) bleek voormeld kenteken op naam te staan van [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 1] . Op 4 april 2011 omstreeks 09.22 uur belt [verdachte] naar een nummerinformatiebedrijf, vraagt naar het nummer van [growshop] in Tilburg en wordt hiermee doorverbonden. [growshop] in Tilburg is een bedrijf dat in de volksmond een growshop wordt genoemd. Een growshop is een bedrijf gespecialiseerd in producten ten behoeve van de hennepteelt. [verdachte] bestelt een pallet light mix in doos en vraagt of [medewerker growshop] van [growshop] die kan geven aan jongens in een rode bus en dat hij zometeen komt afrekenen. [medewerker growshop] stemt hiermee in. “Er komt een rode Volkswagen LT”, zegt [verdachte] . Op 4 april 2011 vinden voorts diverse telefoongesprekken plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] . Omstreeks 09.25 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt of hij de sleutel al heeft gekregen, waarop [medeverdachte 4] zegt van niet en dat hij nog daar wacht. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] na het krijgen van de sleutels naar de zaak moet gaan waar ze materialen kopen, het busje naar de achterkant moet rijden, daar aanbellen als er niemand is en tegen de betrokkene moet zeggen: “pallet light mix”. De persoon zal dan die pallet in het busje leggen en [medeverdachte 4] moet daarna naar de kant van [medeverdachte 4] ’s vader rijden. [medeverdachte 4] zegt dat het goed is. Omstreeks 12.06 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt: “hoe staat het er mee?”. [medeverdachte 4] zegt: “goed, ze staan mooi verticaal, ze staan recht. [medeverdachte 4] zegt dat de lampen beneden zijn ‘cak’ gebleven. [verdachte] zegt: “oké dan moeten jullie hetgeen doen dat wij zeiden, die dozen moeten jullie doen en de dozen gaan we hergebruiken, dat jullie dat weten. En daarnaast moeten jullie de dozen als pallet aan de achterkant leggen. Jullie moeten dus niet alles binnen leggen”. Omstreeks 14.03 uur wordt [verdachte] wederom gebeld door [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt dat de ventilator boven aan moet staan en vraagt wat het verschil is tussen boven en beneden. [medeverdachte 4] zegt: “steeds zelfde joh… boven is voorlopig 28 à 29 graden. Alles is dus goed”. “Oké, goed”, zegt [verdachte] . [medeverdachte 4] vraagt of hij de lampen, kappen en trafo’s ook moet pakken. [verdachte] zegt van wel: “alle mooie dingen die in de doos passen, moet je pakken”. Twintig minuten later wordt [verdachte] weer gebeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] geeft aan dat zij klaar zijn. [verdachte] zegt dat zij tot 3 uur dozen moeten maken en vraagt hoeveel pallets zij al gemaakt hebben. [medeverdachte 4] zegt dat zij 8 pallets hebben gemaakt. [verdachte] zegt dat zij tot half vier zoveel mogelijk pallets kunnen maken, want ‘wij’ hebben 40 à 50 pallets nodig. [medeverdachte 4] zegt: “oké”. Op 5 april 2011 wordt gezien dat de witte Mercedes-Benz, type 212D, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , in het bedrijfspand aan de [adres 4] staat geparkeerd en dat een rode Volkswagen LT35, voorzien van het kenteken [kenteken 3] , voor het pand staat. Er wordt gezien dat twee Turks uitziende mannen in en uit het bedrijfspand lopen. De mannen rijden weg in de rode Volkswagen. Het kenteken van de Volkswagen staat op naam van [medeverdachte 36] . Verder wordt gezien dat [verdachte] uit het bedrijfspand komt lopen en als bijrijder instapt in de witte Mercedes-Benz die wegrijdt. Nadat [medeverdachte 4] een observatiefoto van die dag werd getoond, verklaarde hij daarop zichzelf en [verdachte] , zijn huisbaas, te herkennen. [medeverdachte 4] huurde een woning van [verdachte] . Het hof stelt vast dat de tijdstippen van de telefoongesprekken aansluiten op de observaties en dat de inhoud van de gesprekken, waarin concreet wordt gesproken over het stapelen van dozen, een ruimte boven en een ruimte beneden, volledig aansluit bij de aangetroffen hennepkwekerij. Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht het hof dan ook voldoende bewijs aanwezig dat [verdachte] , [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bij de opbouw van deze hennepkwekerij betrokken zijn. Onderhoud van de hennepkwekerij In april 2011 belt [verdachte] regelmatig met een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 20] . [medeverdachte 36] heeft in zijn verhoor bij de politie d.d. 24 april 2012 verklaard dat hij voormeld telefoonnummer herkent als zijn telefoonnummer en dat nummer al lange tijd, hij denkt twee jaar, in gebruik heeft. Het hof stelt – bij gebrek aan aanwijzingen die wijzen op het tegendeel – vast dat [medeverdachte 36] in onderstaande telefoongesprekken telkens de gebruiker is van dat telefoonnummer. Op 12 april 2011 omstreeks 10.04 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [verdachte] zegt dat hij een verzoek heeft en dat hij vandaag tot vier uur daar moet wachten. “Om vier uur is een tijdsverandering en wij moeten kijken of de tijdsverandering plaatsvindt of niet”, zegt [verdachte] . “Oké, is geen probleem”, zegt [medeverdachte 36] . [verdachte] vraagt of hij vandaag naar boven naar de kamers is geweest. “Nee, nog niet”, zegt [medeverdachte 36] . [verdachte] zegt: “kijk boven of ze groot zijn geworden”. “Is goed, ik zal straks naar kijken”, zegt [medeverdachte 36] . Omstreeks 15.03 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [verdachte] vraagt wat [medeverdachte 36] gedaan heeft. [medeverdachte 36] zegt dat hij vandaag daar veel werk heeft verricht en dat het heel goed uitziet. [medeverdachte 36] zegt dat er boven een van de lampen blijft branden, dat is de lamp helemaal achterin en dat plekje is nog langer geworden. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 36] naar het kantoorgedeelte moet gaan en een van de lampen daar uit moet trekken. Vier minuten later belt [verdachte] wederom naar [medeverdachte 36] . [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 36] wat hij moet doen om de lamp uit te krijgen. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] verkeerd heeft aangesloten en dat hij daarom morgen daarnaartoe komt om af te doppen. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 36] naar de motor moet kijken of de motor goed werkt. Een minuut later belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt: “wij hebben toch laatst twee lampen opgehangen aan de andere kant?”, waarop [medeverdachte 4] bevestigend antwoordt. [verdachte] zegt: “jij hebt verkeerd aangesloten, het schijnt al die tijd aan te zijn geweest. Nu zullen ze heel lang worden. Wanneer zijn wij voor het laatst daar geweest?”. “Wij zijn zaterdag daar geweest”, zegt [medeverdachte 4] . “Wij moeten de koppen er van afhalen, want ze schijnen erg lang te zijn geworden”, zegt [verdachte] . Omstreeks 15.32 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [medeverdachte 36] zegt dat hij de juiste kabel heeft gevonden en zegt dat deze is doorgeschakeld naar 2x dubbele contactdoos is aangesloten. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 36] de temperatuur weer op 30 moet zetten en er op moet letten of het om vier uur beneden stopt en boven aangaat. “Is goed”, zegt [medeverdachte 36] . Omstreeks 16.09 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [medeverdachte 36] zegt dat het om vier uur beneden is gestopt en boven aan is gegaan. “Is goed”, zegt [verdachte] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 36] goed af moet sluiten. Omstreeks 17.22 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt of zij vandaag aarde hebben gebracht, waarop [medeverdachte 4] zegt van niet. Op 16 april 2011 omstreeks 12.56 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [medeverdachte 36] vraagt of [medeverdachte 1] daar geweest is (waar [medeverdachte 36] nu is). “Nee, hij komt zo”, zegt [verdachte] . [medeverdachte 36] zegt dat er een van de lampen niet werkt. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] onderweg is daarnaartoe en hij denkt dat [medeverdachte 1] wel wat gaat geven. Omstreeks 13.54 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat volgens hem die regelaar van boven stuk is en niet reageert op programma’s die hij invoert. [medeverdachte 1] spreekt over temperatuurregelaar wat niet goed is. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] toch maar wat moet geven zodat zij de medicijnen kunnen proeven. Omstreeks 15.03 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vraagt of die klok van beneden constant op 1 moet blijven. “Nee, die klok doet niet mee”, zegt [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt dat de regelaar van beneden goed er op reageert, maar die van boven niet. “De plaats van die van beneden is niet goed, er komt te veel geluid uit”, zegt [medeverdachte 1] . “Ik zal tegen de jongens zeggen dat zij volgende week van plaats moeten veranderen”, zegt [verdachte] . Omstreeks 16.11 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat er 1250 stokjes gekocht moeten worden plus een nieuwe regelaar. [verdachte] zegt dat die regelaar nieuw is en dat zij die er uit moeten halen om te gaan ruilen. [medeverdachte 1] zegt dat de stop ging afslaan toen hij beneden boven wat ging toe (het hof begrijpt: doen). [verdachte] zegt dat het gevaarlijk is. Op 21 april 2011 omstreeks 17.39 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] . [verdachte] zegt: “er zou een meisje van de milieudienst bij [medeverdachte 10] zijn gekomen. Bij ons dus! Zij heeft voor dinsdag afspraak gemaakt. Op dinsdag ben ik dus daar zelf. Ik laat het van binnen en buiten zien joh”. [medeverdachte 2] zegt: “dan moet je de lampen uitzetten!”, waarop [verdachte] zegt: “natuurlijk man, op die wijze. En die dingen zet ik op lage stand. Ik ga sowieso de entree teniet doen. Ik ga pallets er voor leggen. Dus alsof daar niet bestaat!”. Op 26 april 2011 omstreeks 12.22 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] . [medeverdachte 2] vraagt wat zij gedaan hebben. [verdachte] zegt dat er nog niemand is geweest. [medeverdachte 2] zegt dat [verdachte] beter naar de gemeente kan bellen om te vragen wie en wat. [verdachte] vindt het niet nodig dat zij de gemeente bellen, want straks gaan zij ook brandweer bij betrekken en als dat gebeurt, zou dat pas slecht uit kunnen pakken, zegt [verdachte] . Op 28 april 2011 omstreeks 11.35 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [verdachte] vraagt of [medeverdachte 36] daar is. Dat is het geval. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 36] naar achteren gegaan is. “Ik ben een keer in- en uitgegaan”, zegt [medeverdachte 36] . [medeverdachte 36] vraagt of hij nog water moet geven. [verdachte] zegt dat het moet gebeuren, maar dat hij misschien zelf daarnaartoe komt. “Mocht ik niet komen, kan jij dat doen”, vraagt [verdachte] . “Moet in elke ruimte drie gegeven worden?”, vraagt [medeverdachte 36] . [verdachte] zegt: “boven moet je drie aan de ene kant en drie aan de andere kant geven, dus overal moet je 300 er in doen”. [medeverdachte 36] zegt: “en beneden 1,5 plus 1,5 bij elkaar ook 300”, waarop wordt geantwoord: “Ja, anderhalf, anderhalf, dus driehonderd, driehonderd”. Verder zegt [medeverdachte 36] : “zij hebben mij gebeld en gaan over anderhalve week afspraak maken” en dat de man zei dat zij elke tien jaar controle doen. “Dus om de tien jaar en het moet precies bij ons gebeuren”, vraagt [verdachte] . “Ja, hij zei: ‘ik ga je over 1,5 week bellen, dan maken wij een afspraak’”. [verdachte] zegt: “Als hij jou belt, moet je zeggen dat je in de auto bent en dat je later in je agenda zal kijken en hem terug zal bellen”. Op 6 mei 2011 wordt gezien dat een witte Opel Combo, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , ter hoogte van het bedrijfspand aan de [adres 4] parkeert en een Turks uitziende man uitstapt en het pand binnengaat. Dit kenteken bleek te staan op naam van [medeverdachte 36] . Later die dag wordt gezien dat de Opel in het pand staat geparkeerd. Kort daarna wordt gezien dat [verdachte] als bestuurder komt aanrijden in de rode Volkswagen LT35, voorzien van het kenteken [kenteken 3] op naam van [medeverdachte 36] , en deze in het bedrijfspand naast de Opel parkeert, waarop het rolluik wordt gesloten. Op 12 mei 2011 omstreeks 10.00 uur wordt waargenomen dat een man die door verbalisant is herkend als [medeverdachte 36] een witte Opel Combo, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , het bedrijfspand binnenrijdt en een tijd later weer naar buiten rijdt. Na de ontmanteling Op 12 mei 2011 is de politie om 17.28 uur binnengetreden om de hennepkwekerij te ontmantelen. Diezelfde dag omstreeks 18.24 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] . [medeverdachte 2] zegt: “er is vanuit daar alarm gekomen, daar is alarm afgegaan verdomme”, waarop [verdachte] vraagt: “vanuit welke kant is alarm over gegaan?”. [medeverdachte 2] vraagt op de achtergrond aan iemand vanuit welke kant het alarm is afgegaan. [medeverdachte 1] , de zoon van [medeverdachte 2] , zegt: “van beide kanten”, waarop [verdachte] zegt: “dan moet er meteen gedingest worden, dan moet men meteen er naartoe”. Er is vervolgens druk telefoonverkeer. Omstreeks 18.37 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [verdachte] zegt dat het alarm is afgegaan daar en dat hij daarheen moet en zij ook die kant op zijn. [verdachte] vraagt hoe laat hij daar vandaan is vertrokken en of hij alles goed op slot heeft gedaan. [medeverdachte 36] zegt dat hij om drie uur is weggegaan en alles goed op slot heeft gedaan. Een minuut later belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] . [verdachte] zegt dat hij net met [medeverdachte 36] heeft gesproken en dat deze heeft gezegd dat hij om drie uur daar weg is gegaan. Om 19.07 uur wordt gezien dat een grijze Toyota Prius, voorzien van het kenteken [kenteken 5] , over de Beatrixstraat rijdt en dat de bestuurder grote gelijkenis vertoont met het signalement van [medeverdachte 1] . De Toyota bleek op naam te staan van [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 2] . Omstreeks 19.09 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 36] . [medeverdachte 1] zegt: “he niet komen jongen, ze zijn aan het opruimen”. [medeverdachte 1] overlegt op de achtergrond en [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 36] morgenmiddag naar kantoor moet komen, want dan komt [verdachte] ( [verdachte] ) ook terug. Omstreeks 19.11 uur belt [medeverdachte 2] met [verdachte] . [medeverdachte 2] zegt: “het zijn ooms, ooms, ooms zijn aan het ruimen. Wij zijn daar langs gegaan, wij hebben helemaal niet dinges gedaan. Wij zijn niet naar binnen gegaan. Zij hebben de container tegen aangezet en wij zijn teruggekeerd en gaan nu weg”. Het telefoonnummer van [medeverdachte 2] straalt dan aan bij de paallocatie [locatie 2] . Om 19.15 uur wordt gezien dat de Toyota Prius, voorzien van het kenteken [kenteken 5] , staat geparkeerd bij het Esso benzinestation, gelegen aan de [adres 15] . Naast het voertuig loopt een Turks uitziende man, leeftijd ongeveer 50-60 jaar, gekleed in een lichtkleurig kostuum, die de verbalisant grote gelijkenis vindt vertonen met het signalement van [medeverdachte 2] , de vader van [medeverdachte 1] . Omstreeks 19.14 uur wordt [medeverdachte 36] gebeld door [verdachte] . [medeverdachte 36] vertelt dat de ooms (Amcalar = politie) naar binnen zijn gegaan, waarop [verdachte] zegt dat hij het weet. [verdachte] zegt dat als zij over compagnons hebben, hij moet zeggen dat zij met compagnons uit elkaar zijn gegaan. [verdachte] zegt dat als de makelaar gaat zeggen zus en zo, dan moet hij zeggen: ‘wij zijn niet eens geworden, ik ben zelf er mee doorgegaan’. [verdachte] zegt dat als ze vragen wie was het dan, moet hij maar een naam verzinnen. Omstreeks 20.47 uur belt [medeverdachte 2] uit naar een vrouw die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 21] . De vrouw vraagt of het weer goed gaat komen. “Nee, de ooms, het ziet er niet naar uit want de ooms zijn om zes uur naar binnen gegaan, om zes uur is het alarm afgegaan”, zegt [medeverdachte 2] . “Ja, het alarm is gegaan, wij zijn daarnaartoe gegaan en zagen dat ze aan het ruimen waren”, zegt [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt: “ik heb zoveel geld ingestoken, je zult er versteld van raken, maar goed, laten we het beste hopen”. Op 13 mei 2011 omstreeks 09.06 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 9] ( het hof begrijpt: [medeverdachte 9] ) , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] . [verdachte] zegt: “kan jij even op internet kijken, mijn grote locatie/plaats is gevlogen. Ze zijn gisteravond naar binnen gegaan. De ooms zijn gisteravond rond half zeven naar binnen gegaan. Ik ben benieuwd waardoor zij daar naar binnen zijn gegaan”. [medeverdachte 9] zegt dat hij daar nog niet naar de zaak is gegaan en vraagt of het in Tilburg was. “Nee, in Beneden- Leeuw ”, zegt [verdachte] . Op 14 mei 2011 omstreeks 15.23 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 36] . [medeverdachte 36] zegt dat hij thuis is geweest, maar er is helemaal niets thuis/aan de hand thuis. [verdachte] zegt: “zij komen eerste twee dagen nog niet, maak je daar niet zo druk over, dat kan pas na maandag gedingest worden. Zij gaan nog een en ander onderzoeken wie dat is en waar die is”. [verdachte] zegt dat maandag er beslist gegaan moet worden, “anders gaan zij naar de makelaar en zo en dat kan problemen voor ons geven”. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 36] eerst moet komen om het te bespreken. [verdachte] zegt dat het beter is als hij daarheen gaat, want zij krijgen info van hen. [verdachte] zegt dat [verdachte] daar moet zeggen: ‘het zit zus en zo in elkaar, er heeft een incident plaatsgevonden en ik kom de sleutels ophalen’. “Hoe het ook zij, kom maar morgen even langs opdat wij het even kunnen bespreken”, zegt [verdachte] . Op 8 juni 2011 omstreeks 22.04 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en vraagt hoeveel [medeverdachte 1] heeft uitgegeven voor Beneden- Leeuw , dus toen [verdachte] naar Oekraïne ging en daarna. [medeverdachte 1] belt zo terug. Tien minuten later belt [medeverdachte 2] wederom met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt nogmaals dat het om kosten gaat nadat [verdachte] naar Oekraïne ging. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] in ieder geval vier voedingen daarheen heeft gebracht. [medeverdachte 1] zegt een bedrag van 250 aan medicijnen en iets van 180 voor kleine dingen zoals stokjes, meters etc. [medeverdachte 1] komt op een bedrag van 530. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] die nu kan vernietigen, maar ze moeten wel worden genoteerd, “want we zijn compagnons van elkaar”. Bij de ontmanteling van de hennepkwekerij bleek dat in het bedrijfspand een alarm- en beeldregistratiesysteem was aangelegd. Dit systeem was gekoppeld aan een module, die was voorzien van een simkaart. Uit onderzoek door de digitale expertise van de Dienst Nationale Recherche bleek dat in het geheugen van de simkaart het telefoonnummer [telefoonnummer 22] stond voorgeprogrammeerd. Tevens bleek uit het onderzoek dat, indien het alarmsysteem geactiveerd zou worden, de module automatisch het voorgeprogrammeerde telefoonnummer zou bellen. De bezitter van dit telefoonnummer wordt dan gealarmeerd. In de periode van 8 mei 2011 tot en met 13 mei 2011 bevond [verdachte] zich in Oekraïne. Dit telefoonnummer bleek gekoppeld te zijn geweest aan het IMEI-nummer van een van de mobiele telefoons in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 4] . Voordat hij vertrok, liet hij zijn alarmtelefoon, welke later in verbinding bleek te staan met de alarminstallatie in het pand aan de [adres 4] , achter voor [medeverdachte 1] . Bij onderzoek van de desktopcomputer die op 24 januari 2012 in de woning van [medeverdachte 1] in beslag was genomen, bleek dat de volgende documenten in de computer digitaal waren opgeslagen: een mailwisseling met een makelaars- en assurantiekantoor “ [makelaarskantoor] ” met betrekking tot het bedrijfspand aan de [adres 4] ; een huurovereenkomst tussen de verhuurder [verhuurder] en [medeverdachte 36] aangaande het bedrijfspand, gevestigd op de [adres 4] , ingaande 1 maart 2011; een inspectierapport/proces-verbaal van oplevering van de bedrijfsruimte aan de [adres 4] . Bij onderzoek van de inbeslaggenomen losse papieren (IBN-code BE1.01.002) in het bedrijfspand van [medeverdachte 2] aan de [adres 9] bleek dat daartussen een factuur aanwezig was van een levering van een auto van het merk Volkswagen, type LTT, kenteken [kenteken 3] , de hiervoor vermelde auto op naam van [medeverdachte 36] . Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] en de huurder van het pand, [medeverdachte 36] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. Het hof gaat voorbij aan de verklaring van [medeverdachte 36] waarin hij de volledige schuld op zich neemt. Het hof concludeert dat hij daartoe is geïnstrueerd door [verdachte] . De verdachten hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt. In het bijzonder overweegt het hof daartoe dat [verdachte] als eigenaar van de hennepkwekerij kan worden aangemerkt, gelet op het telefoongesprek van 13 mei 2011 omstreeks 09.06 uur met [medeverdachte 9] waarin hij spreekt over zijn grote locatie/plaats in Beneden- Leeuw die is gevlogen en waarbij de ooms zijn binnengegaan op een dag en tijdstip dat (vrijwel) overeen komt met de ontmanteling. Hij is betrokken geweest bij de opbouw van de hennepkwekerij en is meermalen in het bedrijfspand gezien. Voorts werd hij desgevraagd op de hoogte gehouden van de status van de planten en heeft hij bevelen gegeven met betrekking tot onder meer het regelen van de temperatuur in de ruimtes. [medeverdachte 2] kan – in zijn eigen woorden – worden aangemerkt als compagnon van [verdachte] . Hij had een rol bij de financiering van de hennepkwekerij en had de beschikking over de alarmtelefoon van het pand waar de hennepkwekerij zich bevond. Voorts waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] betrokken bij de opbouw van de hennepkwekerij en het onderhoud daarvan. Zo heeft [medeverdachte 1] spullen ten behoeve van de hennepteelt op de locatie gebracht en heeft [medeverdachte 4] bij de growshop [growshop] producten ten behoeve van de hennepteelt gehaald. Verder hebben zij werkzaamheden in de kwekerij verricht. Ten aanzien van [medeverdachte 36] overweegt het hof dat hij de huurder was van het pand en eveneens betrokken is geweest bij het onderhoud van de kwekerij. Voorts acht het hof bewezen dat sprake was van een beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, gelet op het grote aantal planten en de professionele inrichting van de kwekerij. 2.4. Zaaksdossier Mus : hennepkwekerij [adres 5] Op 14 juni 2011 om 08.57 uur werd in de woning aan het [adres 5] binnengetreden. Op de eerste verdieping van de woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Deze hennepkwekerij bestond uit drie ruimtes, waarvan in twee ruimtes een in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. In de kwekerij bevonden zich in totaal 242 hennepplanten die volgroeid waren. De kweekruimte was afgedicht met hout en plastic. In ruimte I werden de navolgende goederen aangetroffen: 148 oogstrijpe hennepplanten gekweekt in potten en potgrond, 10 assimilatielampen à 600 Watt, 10 verlichtingsarmaturen, 16 transformatoren à 600 Watt bevestigd op een houten plank, 1 fancontroller en 1 klimaatcontroller, 1 koolstoffilter en 1 thermo-/hygrometer. In ruimte II werden de navolgende goederen aangetroffen: 16 assimilatielampen à 600 Watt, 16 verlichtingsarmaturen, 16 transformatoren à 600 Watt bevestigd op een houten plank, 6 koolstoffilters en 1 klimaatregelaar. In ruimte II werden de navolgende goederen aangetroffen: 94 oogstrijpe hennepplanten gekweekt in potten en potgrond, 6 assimilatielampen à 600 Watt, 6 verlichtingsarmaturen, 1 tijdschakelaar, 1 schakelkast, 1 koolstoffilter, 1 thermo-/hygrometer, 1 tafelventilator die aan de bedrading was getapet. Op de overloop werden een container met dompelpomp, een thermo-/hygrometer, een lege kan, vermoedelijk voeding 10 liter en een aantal bamboestokken aangetroffen. Op de zolder werden 3 afzuiginstallaties en lege potten aangetroffen. Op grond van de volgende indicatoren bestaat het vermoeden dat er in het verleden eerder hennepoogsten in voornoemd pand zijn geweest: de aanwezige vervuiling op de houten toegangsdeur tot de kwekerij, op de houten dorpels van de toegangsdeur naar de kwekerij, een dikke en sterk aanwezige laag kalk aan de onderzijde van de kweekpotten en op de bodem van het zeil van de kweekbakken, sterk vervuilde koolstoffilters en stof op de meeste lampenkappen. Voorts was afvalmateriaal aanwezig, te weten restanten gebruikte bloempotten in ruimte II en op zolder en bamboestokken op de overloop. Ambtshalve is de verbalisant bekend dat deze bamboestokken worden gebruikt wanneer hennepplanten zodanig groot en zwaar zijn dat zij ondersteund moeten worden. De zes inbeslaggenomen planttoppen met een lengte van ongeveer 3 centimeter en voorzien van voldragen bloemknoppen uit ruimte I en III werden herkend als materiaal van het geslacht cannabis, beter bekend als hennep. Van voornoemde aangeboden materiaal werden representatief twee monsters genomen en getest. Deze test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet. In de woning werden [medeverdachte 13] en [medeverdachte 15] aangehouden. Zij verklaarden dat de woning eigendom was van [medeverdachte 18] en dat zij van de eigenaar niet boven mochten komen. Aan de hand van tapgesprekken, observaties en andere bevindingen werd met betrekking tot de rol van de verdachte bij deze hennepkwekerij het volgende geconstateerd. Op 4 april 2011 om 15.04 uur wordt [verdachte] gebeld door zijn broer [broer verdachte] . [verdachte] vraagt of hij ene [medeverdachte 18] kent. Zijn broer zegt van wel. [verdachte] vraagt wat voor een jongen dat is, waarop zijn broer zegt dat het een goede jongen is. [verdachte] zegt: “ik dinges zijn plaats” en dat ‘wij’ zaken doen met [medeverdachte 18] ’s vrouw. [medeverdachte 18] weet ook er vanaf. “Morgen begin ik aan daar en daarom is er een auto nodig”. Op 8 april 2011 om 11.25 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 18] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 23] . [verdachte] zegt: “ [medeverdachte 18] , onze medewerkers komen nu naar de kant van jouw huis. Met 5 à 10 minuten zullen ze daar zijn. Je kunt ze daar op de parkeerplaats zien”, waarop [medeverdachte 18] zegt: “oké, abi”. De volgende dag, op 9 april 2011, om 21.20 uur belt [medeverdachte 2] naar een vrouw, die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 24] . [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 18] hen wel moet helpen om de materialen daar naar binnen te brengen. “ [medeverdachte 18] zal dat wel doen als hij dat gezegd heeft”, zegt de vrouw. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 18] laatst aan hem geld heeft gevraagd en dat hij duizend aan [medeverdachte 18] heeft gegeven. [medeverdachte 2] zegt: “wij hebben duizend al gegeven, wij moeten hem nog tweeduizend geven, binnen twee maanden zullen wij dat ook geven, en de huur begint op de dag dat ik de lampen ga aanzetten”. [medeverdachte 2] zegt dat zij van plan zijn om de 15e de lampen aan te zetten en dat vanaf die dag ook de huur begint. “Is goed, als jij deze week dat andere, die tweeduizend, wil regelen”, zegt de vrouw. [medeverdachte 2] zegt dat hij woensdag en volgende week zaterdag het geld zal geven. Op 14 april 2011 om 11.01 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] . [verdachte] vraagt of hij ( [medeverdachte 2] ) aan [medeverdachte 18] en [medeverdachte 19] geld had gegeven. “Ja, twee in totaal”, zegt [medeverdachte 2] . Op 18 april 2011 om 14.55 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 14] . De gebruiker van het telefoonnummer is [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum 5] te Bulgarije. [verdachte] vraagt wat zij aan het doen zijn. “Wij zijn aan het werk”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt: “en wij wachten nog op de kleintjes”, waarop [medeverdachte 4] vraagt: “is die er nog niet?”. [verdachte] zegt: “nog niet. Ik ga jou straks bellen. Laten we dan voor 5 uur dinges gaan halen, 20 stuks dinges”. “Oké, goed”, zegt [medeverdachte 4] . Om 14.55 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt dat hij nu [medeverdachte 4] gaat opbellen omdat de aarde niet voldoende zou zijn. Er moet aarde worden gehaald. [medeverdachte 1] zegt: “hij is er, hij is er nu. Ik ga nu vertrekken”. [verdachte] vraagt of hij nu direct naar daar gaat. [medeverdachte 1] weet niet waar het is en zegt: “was toch Goes(Gus) pleine.. en het nummer?”, waarop [verdachte] zegt: “ik dacht 2 , maar jij ziet mijn busje wel”. Om 14.58 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] nu met de kleintjes daarheen komt en zegt dat het ook via de achtertuin kan als de situatie het toelaat. [verdachte] zegt dat ‘jullie’ met zijn drieën zijn en dat het geen probleem moet zijn. [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 13] en [medeverdachte 11] nog vuil gaan wegbrengen. [verdachte] zegt dat ze dat morgenochtend kunnen doen. Verder zegt [verdachte] : “nadat die naar binnen zijn gebracht, kun jij met het busje komen en we kunnen zand kopen. Die kunnen dan in de auto blijven en morgenochtend kunnen jullie die er in doen en dan kunnen jullie 1 kamer morgen doen”. [verdachte] gaat morgen een klok kopen voor daar. Uit eerdere soortgelijke onderzoeken waarbij er middels versluierd taalgebruik werd gesproken in relatie tot het bouwen en inrichten van hennepplantages is gebleken dat met het woord ‘kleintjes’ veelal de stekjes van hennepplanten wordt bedoeld. Een andere schrijfwijze van het woord Gus/Goes zou het Turkse woord ‘ Kus ’ kunnen zijn, dat in het Nederlands ‘ Vogel ’ betekent. Op het adres [adres 5] stond [medeverdachte 18] ingeschreven en uit gegevens van het Kadaster blijkt het perceel als gerechtigd eigendom te staan geregistreerd van [medeverdachte 18] . Uit de gegevens van de Gemeentelijke Basis Administratie bleek dat de vrouw van [medeverdachte 18] is genaamd [medeverdachte 19] . Op 19 april 2011 om 18.16 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt wanneer [verdachte] komt. [verdachte] zegt dat hij straks die kant op zal komen, maar daar niet naar binnen zal komen. Omstreeks 20.58 uur wordt gezien dat [verdachte] zijn Mercedes-Benz, voorzien van het kenteken [kenteken 6] , parkeerde op de [adres 14] en een steeg rechts naast perceel 8 in liep. De achterzijde van de woning aan [adres 5] is bereikbaar via die steeg. Om 20.05 uur (het hof begrijpt, gelet op het tijdstip van zijn aankomst: 21.05 uur) stapt hij weer in zijn Mercedes-Benz en rijdt weg. Op 20 april 2011 belt [verdachte] naar een man, die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 25] , die zegt dat hij [medeverdachte 13] heet en dat dit zijn nummer is. Het hof leidt uit de inhoud van de hierna volgende tapgesprekken af dat dit [medeverdachte 13] is, de persoon die is aangehouden in de woning waar de hennepkwekerij was. Onderhoud van de hennepkwekerij Op 2 mei 2011 om 10.49 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 13] . [verdachte] vraagt hoe het gaat. [medeverdachte 13] zegt dat het nu goed met alles is. [verdachte] vraagt of zij nu aanzienlijk groter zijn geworden. [medeverdachte 13] zegt van wel. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] gisteren langs is geweest. [medeverdachte 13] zegt: “ja abi, hij keek naar hen”, waarop [verdachte] vraagt: “zei hij dat het goed met hen was?”. [medeverdachte 13] zegt: “hij zei: alles is normaal, die moeten nu dinges, het middel [fonetisch] geven”. Op 3 mei 2011 om 13.00 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt dat er vandaag naar [medeverdachte 18] gegaan moet worden en vraagt of [medeverdachte 1] even wil gaan. “De werkers gaan ook”, zegt [verdachte] . “In de avonduren. Er moeten ook bepaalde dingen er in gaan. Ik heb de tassen gehaald/gekocht. Er moet vat, medicijnen/middel naar binnen gaan”, zegt [verdachte] . [medeverdachte 1] vraagt: “het was toch aan Kusplein toch?”, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt. Op 3 juni 2011 om 15.17 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 13] . [verdachte] vraagt: “wat ben je aan het doen?”, waarop [medeverdachte 13] zegt: “ik ga de kinderen water geven”. [verdachte] zegt: “oké doe de kinderen in bad, maar normaal he”. [medeverdachte 13] zegt: “ja normaal abi. Ik heb van de andere medicijn gegeven, maar de kinderen zijn niet recht geworden. De medicijn die je had gekocht voor de kinderen he… ik heb een beetje van die gegeven/toegediend, maar het is niet al te best, het is er nog”. [verdachte] zegt en vraagt: oké dat wel, maar er is geen sprake van geel worden he… zij zelf?”, waarop [medeverdachte 13] zegt: “aan de uiteinden van sommigen is er heel weinig iets”. Daarop zegt [verdachte] : “je moet dus spuiten op de uiteinden en proberen die teniet te doen. Je moet met stromend water er op spuiten. Maar dat doe je nadat de lampen uit zijn he!”. [medeverdachte 13] zegt: “ja dat doe ik ook zo”, waarop [verdachte] vraagt: “vandaag moet je weer spuiten, alles, zodat ze helemaal nat worden oké?”. [medeverdachte 13] zegt: “oké”. [verdachte] zegt: “een voor een alles nat maken. Met 2 à 3 liter moet je dat af hebben”, waarop [medeverdachte 13] zegt: “oké abi”. Op 8 juni 2012 (het hof begrijpt: 2011) om 22.40 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] . [verdachte] zegt: “die flikker [medeverdachte 18] , die maakt een fout bij het betalen van de salarissen/maandelijkse vergoedingen”. [medeverdachte 2] vraagt wat hij daarmee bedoelt. [verdachte] zegt dat er een tekort is van 100 lira bij de hypotheek en hij geen problemen wil hebben. [verdachte] zegt: “wat zij betalen is iets van 400 lira, weer enkele maanden achterstand, zij hebben op 2 mei 653 euro, 25 mei 650 euro en 30 mei nog eens”. [medeverdachte 2] zegt dat het wel in orde lijkt. [verdachte] zegt: “hij zou nog een achterstand hebben van 1800 lira. Dat moeten wij bespreken. Op 1 juni had 375 lira betaald worden, maar is niet betaald”. [medeverdachte 2] vraagt waarvoor deze bedragen betaald worden. [verdachte] zegt dat het voor de hypotheek is. [verdachte] zegt: “zij hebben geprobeerd de achterstand weg te werken. Er zou een achterstand van 2546 lira zijn en er zou nu een achterstand zijn van 1888 lira”. [verdachte] zegt dat zij dit moeten bespreken. “Dat is goed”, zegt [medeverdachte 2] . Bij een doorzoeking in de (het hof begrijpt: woning van) [verdachte] aan de [adres 12] werd een schrijven van de ABN Amro aangetroffen, betreffende een betalingsachterstand hypothecaire lening van € 1888,21. De brief was gedateerd op 1 juni 2011 en gericht aan de heer en mevrouw [medeverdachte 18] , [adres 5] . Na de ontmanteling Op 14 juni 2011 om 08.57 uur werd in de woning aan het [adres 5] binnengetreden. Op diezelfde dag vinden de volgende telefoongesprekken plaats. Om 14.52 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] . [verdachte] zegt: “is weg abi, die is ook weg”, waarop [medeverdachte 2] vraagt: “hebben ze die ook meegenomen?”. [verdachte] antwoordt bevestigend en zegt: “zij hebben het opgehangen”. Om 15.52 uur belt [verdachte] naar [broer verdachte] en zegt: “het is weer weg, weer weg.. de nieuwe auto is ook weg. Er is dus geen een overeind gebleven. Wij moeten weer vanaf nul beginnen”, waarop [broer verdachte] zegt: “je moet niet meer deze werkzaamheden doen”. Om 15.53 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en zegt: “Sora gebombardeerd”, waarop [medeverdachte 1] vraagt: “nee toch?”. [medeverdachte 2] zegt: “ik zei dat Sora gebaald is. Vanmorgen hebben ze er op geschoten met de bal”. [medeverdachte 1] zegt: “onbegrijpelijk, ik weet het niet”. [medeverdachte 2] zegt: “ik weet het niet zoon” en vraagt of hij nog wat gehoord heeft over dat andere huis. Om 16.41 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 13] . [medeverdachte 13] zegt thuis te zijn. “Zijn jullie zelf naar huis gekomen?”, vraagt [verdachte] . “Ja, ik ben met mijn vrouw samen thuis gekomen”, zegt [medeverdachte 13] . [verdachte] vraagt hoe het is gebeurd. [medeverdachte 13] zegt dat zij vanmorgen zijn gekomen. “Waren ze voorbereid gekomen?”, vraagt [verdachte] , waarop [medeverdachte 13] bevestigend antwoordt. “Hebben ze jouw telefoon gepakt?”, vraagt [verdachte] . [medeverdachte 13] antwoordt daarop: “Nee alles lag hier, mijn telefoon lag hier. Zowel aan de voordeur als bij de achterdeur waren politiemensen”. [medeverdachte 13] zegt dat hij de deur voor hen open heeft gedaan. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 13] ‘ [medeverdachte 18] ’ heeft genoemd. “Ja, ik heb gezegd dat er hier post is en dat daar de naam ‘ [medeverdachte 18] ’ op staat en dat hij de huiseigenaar is en dat zij aan [medeverdachte 18] moeten vragen”. “Vroegen ze hoelang je hier was?”, vraagt [verdachte] . “Ja, ik zei dat ik al een maand hier was, maar dat ik nooit naar boven ben gegaan en dat ik 100 euro huur betaalde voor de woning. Ik dacht dat ik wel een dag of twee zou vastgehouden worden maar dat blijkt niet het geval te zijn”. [verdachte] zegt daarop: “ [medeverdachte 4] haalt jou vanavond op, anders moet je een dag later samen met [medeverdachte 4] gaan”. Om 22.04 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] . [medeverdachte 2] vraagt hoe laat [verdachte] vertrekt. [verdachte] zegt dat hij omstreeks half 2 vannacht van huis gaat vertrekken, maar dat hij om 11 uur vanavond [medeverdachte 18] gaat spreken. [medeverdachte 2] zegt dat hij ook daarvoor belt en zegt dat zij naar kantoor mogen komen. [verdachte] zegt dat hij die jongen gaat bellen. [verdachte] zegt: “hij belt mij nadat hij om 11 uur vertrekt” en “dan zeg ik dat hij naar kantoor moet komen”. Daarop zegt [medeverdachte 2] : “ja, laat hem naar kantoor komen zodat wij daar kunnen praten”. [verdachte] zegt: “ik heb de andere landgenoten gesproken” en “met [medeverdachte 13] ”, waarop [medeverdachte 2] vraagt: “hoe zou het gegaan zijn dan?”. [verdachte] zegt daarop: “normaal, zoals elke keer, standaard dus”. [medeverdachte 2] vraagt: “er is een tip/klacht?”, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt en zegt: “ze zijn omstreeks 4 of 5 uur vrijgelaten hoor”. [medeverdachte 2] vraagt: “hoe laat zouden ‘zij’ ’s ochtends gekomen zijn?”, waarop [verdachte] zegt: “omstreeks kwart over 9 en dat het voorbereid was. Om 23.04 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 18] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 26] . [verdachte] vraagt of [medeverdachte 18] naar kantoor wil komen. [medeverdachte 18] zegt dat hij over 10 minuten daar zal zijn. [verdachte] zegt dat hij op hem gaat wachten. Enkele dagen later, op 18 en 19 juni 2011, vinden verder de volgende telefoongesprekken plaats. Op 18 juni 2011 om 10.29 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat hij gisteren door [medeverdachte 18] is gebeld die naar de sleutels heeft gevraagd. [medeverdachte 4] zegt dat hij de sleutels aan [medeverdachte 2] had gegeven. “ [medeverdachte 18] vroeg waarom wij de woning niet schoon hebben gemaakt”, zegt [medeverdachte 4] . “Laat hem oprotten, waarom moet hij dat tegen jullie zeggen”, zegt [verdachte] . Op 19 juni 2011 om 22.43 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] . [medeverdachte 2] zegt dat [verdachte] zijn broer moet bellen, want [ betrokkene 2] heeft de sleutel van het huis gebracht. De sleutel van het huis van [medeverdachte 18] zou namelijk ook daar liggen. [medeverdachte 2] gaat de sleutel teruggeven. [medeverdachte 18] zou [medeverdachte 4] hebben gebeld om te vragen waarom hij het huis niet heeft schoongemaakt. Men zou de sleutel aan [medeverdachte 13] hebben gegeven en [medeverdachte 13] zou die aan [medeverdachte 4] hebben gegeven. Men wilde geld om het huis te laten schoonmaken. “We hebben geen winst gemaakt. Onze naam komt toch niet voor in het contract. We hebben zoveel verlies geleden en hij heeft 5.500 winst gemaakt. Hij heeft zijn huur van 1 jaar gekregen, wat wil hij nou nog meer”, zegt [medeverdachte 2] . [verdachte] is het daar volledig mee eens. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] , [medeverdachte 13] en de eigenaar van het pand, [medeverdachte 18] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. De verdachten hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben een leidende rol gehad in de organisatie en financiering van de kwekerij en de afhandeling hiervan na de ontmanteling. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] alias [medeverdachte 4] en [medeverdachte 13] hebben een meer uitvoerende rol gehad en voerden de instructies van [verdachte] en [medeverdachte 2] uit. Naar het oordeel van het hof gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. 2.5. Zaaksdossier Valk : hennepkwekerij [adres 6] Op 11 januari 2012 omstreeks 18.30 uur kregen verbalisanten de informatie dat er op het adres aan de [adres 6] vermoedelijk een hennepkwekerij aanwezig zou zijn. Hierop zijn de verbalisanten naar voornoemd adres gegaan om een onderzoek in te stellen. Omstreeks 20.00 uur hebben zij het onderzoek ingesteld. Aan de voorzijde van het pand zagen zij dat de begane grond was ingericht als een schoenenzaak en dat het pand verder bestond uit een eerste en een tweede verdieping. Door de aanwezige slotenmaker werd de cilinder uit het voordeurslot verwijderd en werd het pand betreden. Door de verbalisanten werd vervolgens de winkel betreden en werd via een vaste trap, gelegen aan de achterzijde van de winkel, naar de eerste verdieping gegaan, alwaar zich een magazijn bevond, hoofdzakelijk bestaande uit schoenendozen. Via deze etage werd vervolgens via een vaste trap naar de tweede etage gegaan. Hier bevond zich bovenaan de trap een afgesloten deur. Deze deur is door de verbalisanten geforceerd. Nadat deze deur was geforceerd, kwamen de verbalisanten in een ruimte waar 6 grote witte netten ophingen die voorzien waren van meerdere vakken onder elkaar. De verbalisanten zagen dat deze vakken gevuld waren met plantmateriaal. Ambtshalve is hen bekend dat dit plantmateriaal bestond uit henneptoppen. Verder roken zij de geur van hennep, afkomstig van deze toppen. Zij zagen in elk vak van deze netten een hoeveelheid henneptoppen liggen. Zij zagen en hoorden dat onder deze netten een kacheltje met ventilator stond, kennelijk met de bedoeling om de vermoedelijk pas geoogste toppen te drogen. Later bleek bij weging dat het totale gewicht van deze henneptoppen 32,5 kg bedroeg. Dit gewicht is exclusief de witte netten. Verder zagen de verbalisanten dat in de droogruimte een zogenaamde kliko stond, welke gedeeltelijk gevuld was met water en dat in deze kliko een dompelpomp met slang aanwezig was. Ambtshalve is hen bekend dat de watertoevoer van hennepplanten met soortgelijke apparatuur wordt geregeld. Vervolgens zagen zij dat via de droogruimte een tweede kamer kon worden bereikt en dat deze kamer bestond uit twee gedeelten. De verbalisanten zagen dat beide gedeeltelijk waren ingericht als een hennepplantage doch dat er geen hennepplanten meer in de met aarde gevulde potten aanwezig waren. In de kweekruimte, gelegen direct naast de droogruimte, (hierna: kweekruimte 1) waren de wanden geheel bekleed met zwart plastic. In deze ruimte hing een houten plaat met daarop een volautomatische groepenkast, alsmede een geïntegreerde tijdschakelaar. Boven de groepenkast hingen voorschakelapparaten. Elk van deze voorschakelapparaten bleek te zijn aangesloten op assimilatielampen. In totaal bleken dit 21 stuks assimilatielampen te zijn. Op de grond in kweekruimte 1 stonden ongeveer 138 zwarte plastic plantenbakken gevuld met aarde. In de kweekruimte hing 1 koolstoffilter. Via een flexibele buizensysteem stond dit filter in verbinding met een luchtfilter, welke in de ruimte hing. Zowel het koolstoffilter als het luchtfilter hingen door middel van metalen kettingen aan haken, welke in het plafond waren bevestigd. De assimilatielampen hingen in twee rijen achter elkaar, vastgemaakt aan houten blaken, welke eveneens met metalen kettingen waren opgehangen aan het plafond. Op de grond lagen bamboestokken van ongeveer 1 meter lang en een grote hoeveelheid hennepresten al dan niet in vuilniszakken. Via kweekruimte 1 kom je in kweekruimte 2. In kweekruimte 2 waren de wanden en ramen geheel bekleed met zwart plastic. In deze ruimte hingen 15 assimilatielampen achter elkaar in twee rijen, vastgemaakt aan houten balken, welke eveneens met metalen kettingen waren opgehangen aan het plafond. Op de grond stonden ongeveer 86 zwarte plastic plantenbakken gevuld met aarde. In de ruimte hing een houten plaat tegen de muur aan de rechterzijde bij binnenkomst. Op deze plaat was een volautomatische groepenkast gesitueerd. Boven de groepenkast hingen 10 verdelers. Elk van deze verdelers bleek te zijn aangesloten op de assimilatielampen. Van de inbeslaggenomen henneptoppen is een monster genomen en getest. De geteste stoffen reageerden positief op de aanwezigheid van hennep/THC, zijnde een middel voorkomende op lijst II van de Opiumwet. Het pand werd vanaf september 2011 gehuurd door [medeverdachte 17] . [medeverdachte 17] heeft bij de politie verklaard dat het huurcontract van het pand aan de [adres 6] op zijn naam stond, maar dat hij verder van niets weet. Hij had geen sleutels van het pand. Het contract was op verzoek van [verdachte] op zijn naam gezet. [verdachte] had hem daarvoor benaderd. In het begin had hij € 1.000 gekregen. Na afloop zou [verdachte] nog niets (het hof begrijpt, gelet op het hiernavolgende: iets) voor mij regelen. Hij wist niet hoeveel dit zou zijn. De huur van het pand werd door [verdachte] betaald. Voorts heeft hij verklaard dat hij werkt als taxichauffeur. Aan de hand van tapgesprekken werd het volgende geconstateerd. Op 9 januari 2012 omstreeks 19.19 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] , die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 15] . [medeverdachte 4] vraagt: “Om 7 uur zullen we dan bij jouw dinges zijn?”, waarop [verdachte] zegt: “oké, goed”. Op 10 januari 2012 om 13.32 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt: “houd die in kartonnen dozen he?”. [medeverdachte 4] zegt dat die nog daar liggen. Om 15.49 uur belt [verdachte] wederom naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat de achterkant nog gedaan moet worden. [verdachte] vraagt of dat nog compleet gedaan moet worden. [medeverdachte 4] zegt van wel. [verdachte] zegt: “jij zei de helft toen. Ik dacht dat je klaar was”. [medeverdachte 4] zegt dat zij nog 10 stuks aan de voorzijde hebben. [verdachte] zegt dat zij moeten opschieten. [verdachte] zegt: “zeg tegen hen dat zij een beetje tempo moeten houden”. “Dat is goed”, zegt [medeverdachte 4] . Ten tijde van en kort na de ontmanteling vonden de volgende telefoongesprekken plaats. Op 11 januari 2012 omstreeks 19.05 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] , die dan gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 16] . “Dinges staan voor de deur, onze ooms zijn er toch”, zegt [medeverdachte 4] . “Ooms”, vraagt [verdachte] . “Ja, ze staan naar boven te kijken”, zegt [medeverdachte 4] . “Hebben ze jou gezien”, vraagt [verdachte] . “Nee, dat hebben ze niet gedaan”, zegt [medeverdachte 4] . “Ze zijn aan het wachten dus he, kijken ze naar het gebouw?”, vraagt [verdachte] . “Ja”, zegt [medeverdachte 4] . “Laat ze jou niet zien he”, zegt [verdachte] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] zijn telefoon op stil moet zetten. Omstreeks 19.33 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt wat er is gebeurd. “De auto staat er nog steeds en zij zijn nog niet teruggekomen”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt of de auto precies er voor staat. “Ja”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt dat hij onderweg is en er aan komt. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] zeker weet dat het ooms zijn. “Ja”, zegt [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt hoe de naam heet van die taxichauffeur die daar huurt. “Zijn naam is [medeverdachte 17] ”, zegt [verdachte] . “Ok”, zegt [medeverdachte 4] . Omstreeks 19.59 uur belt [verdachte] uit naar [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt of hij het dak al op is gegaan. “Ja, ik sta al op het dak”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] uit moet kijken dat niemand hem ziet. “Niemand kan mij zien”, zegt [medeverdachte 4] . Omstreeks 20.01 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] . “Ze zijn waarschijnlijk naar binnen gegaan”, zegt [medeverdachte 4] . “Echt waar”, vraagt [verdachte] . “Ja, volgens mij hebben zij het licht van de garage aangezet”, zegt [medeverdachte 4] . “Ok (diepe zucht), zet je telefoon uit”, zegt [verdachte] . Omstreeks 20.24 uur wordt [verdachte] opnieuw gebeld door [medeverdachte 4] . “Ze zijn al binnen, ik kan ze horen”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] moet wachten. Omstreeks 00.08 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt waar [medeverdachte 4] is. [medeverdachte 4] zegt in het pand te zijn. “Ze zijn weg en hebben ze alles meegenomen”, vraagt [verdachte] . “Ja”, zegt [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] moet proberen via het raam naar buiten te komen waar de schoenen staan. “Dat gaat mij niet lukken”, zegt [medeverdachte 4] . “Ze hebben dus alles meegenomen”, vraagt [verdachte] . “Ja, alles”, zegt [medeverdachte 4] . Het hof gaat ervan uit dat het hier steeds gaat om [medeverdachte 4] . Zoals hiervoor is vastgesteld, is hij de gebruiker van bovenstaand telefoonnummer. Het hof leidt uit de inhoud van de hierboven weergegeven tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien met de bij het binnentreden aangetroffen situati