GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.245.985/01 arrest van 9 juni 2020 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, hierna: de vrouw, advocaat: mr. E.Ph. Roelofs te Heerlen, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, hierna: de man, advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard , op het bij exploot van dagvaarding van 11 september 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 juli 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/236515 / HA ZA 17-309) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis en provisionele eis met producties 31 tot en met 46; de memorie van antwoord in appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties 4 tot en met 6; de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties 47 tot en met 50; het pleidooi van 22 januari 2020, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd; de bij brief van 23 december 2019 door de advocaat van de vrouw toegezonden producties 51 tot en met 56, die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht; de bij brief van 2 januari 2020 door de advocaat van de man toegezonden producties 7 tot en met 13, die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In deze zaak gaat het over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waarbij met name een rol spelen de certificaten van aandelen van partijen. 3.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Partijen zijn op 12 mei 1989 met elkaar gehuwd na het sluiten van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in: “(…) Artikel een. Tussen de echtelieden zal generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan. (…) Artikel drie. De kosten der huishouding (…) zullen door de echtgenoten ieder naar evenredigheid van hun inkomsten worden gedragen, zonder dat dienaangaande enige verrekening zal plaats hebben, ook niet met eventuele inkomsten in vroegere of latere jaren. (...) Artikel vijf. Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden enig goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren. Artikel zes. 1. Per een juli van elk jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen, hetgeen van hun inkomen over het voorafgaande jaar onverteerd is of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen. 2. Wat een echtgenoot in het betrokken jaar uit zijn vermogen aan lasten van het huwelijk heeft betaald kan hij vóór deling vooruitnemen. 3. De verplichting tot bijeenvoeging en verdeling geldt niet met betrekking tot de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest. (…)” Op 3 december 1993 zijn [vader van de man] (vader van [de man] ), [moeder van de man] (moeder van [de man] ) en de man overeengekomen dat zij met ingang van 1 januari 1993 een vof zijn aangegaan onder de naam [VOF] VOF (hierna: de vof) te [vestigingsplaats] . Op 11 maart 1996 zijn de vader, de moeder en de man in aanvulling op de overeenkomst van 3 december 1993 overeengekomen dat de vrouw per 1 januari 1996 is toegetreden tot de vof. Op 5 oktober 1998 zijn de moeder, de vader en partijen overeengekomen dat de moeder en de vader per 1 januari 1999 uit de vof treden. Partijen hebben in deze overeenkomst verklaard ‘deze overdracht’ te accepteren. Partijen zouden zich ter zake nog nader beraden, wie welk gedeelte afzonderlijk zou overnemen. Partijen zouden de vof na 1 januari 1999 voortzetten. Per diezelfde datum zouden de zekerheden die de moeder en de vader hebben verstrekt aan de bank ten behoeve van de schulden van de vof dienen te vervallen. Op 25 mei 1999 hebben partijen een woning aan [adres] te [plaats] in gemeenschappelijk eigendom verworven. Bij notariële akte van 29 maart 2007 hebben partijen [holding] Holding B.V. (hierna: Holding BV) opgericht. Daarbij is de vof geruisloos ingebracht in Holding BV (p. 17 e.v. oprichtingsakte (prod. 13 inl. dv.). Het kapitaal van Holding BV bestaat uit 702.000 aandelen. De vrouw is (afgerond) 40% aandeelhoudster en zij houdt 280.000 aandelen. De man is (afgerond) 60% aandeelhouder. Hij houdt 422.000 aandelen. Partijen hebben op 15 juni 2009 een hypothecaire geldlening afgesloten bij Rabohypotheekbank N.V. en Rabobank [vestigingsplaats] U.A. ter hoogte van € 405.000,-- waarvoor beide partijen zowel samen als ieder van hen afzonderlijk aansprakelijk zijn. Bij notariële akte van 6 november 2012 hebben partijen de Stichting Administratiekantoor [holding] Holding (hierna: STAK) opgericht. De aandelen van partijen in Holding zijn ‘ondergebracht’ in STAK. De vrouw bezit 280.000 certificaten. De man bezit 342.222 gewone certificaten en 79.778 cumulatief preferente certificaten. Dit houdt in dat de vrouw 39,88% van de certificaten houdt en de man 60,12% van de certificaten houdt. Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 7 maart 2016 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond ontvangen. Bij beschikking van 21 september 2016 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 januari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert de vrouw (in conventie): te bepalen dat de vrouw een verrekenvordering op de man heeft ter grootte van 10,12% van de waarde aandelen/certificatenkapitaal in Holding BV; een deskundige te benoemen om de waarde van de aandelen/certificaten in Holding BV vast te stellen per 31 december 2015, dan wel een datum die de rechtbank juist acht; de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen 10,12% van het door de deskundige vastgestelde bedrag, binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis; de man te veroordelen om de certificaten van aandelen welke de vrouw houdt over te nemen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de man nalaat om hieraan gevolg te geven, met een maximum van 39,88% van de door de deskundige onder twee vastgestelde waarde; de prijs welke de man dienaangaande aan de vrouw dient te voldoen vast te stellen op een bedrag gelijk aan 39,88% van de waarde van zoals door de onder 2 bedoelde deskundige bepaalde waarde ten aanzien van de totale waarde van het aandelen/certificatenkapitaal en te bepalen dat de man dit bedrag gelijktijdig met de overdracht van de aandelen/certificaten aan de vrouw dient te voldoen; partijen te gebieden opdracht te verstrekken aan [makelaardij] Makelaardij te [plaats] , dan wel een door de rechtbank aan te wijzen makelaar, om de verkoop ter hand te nemen van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] , waarbij een vraagprijs van € 450.000,-- kosten koper zal worden gehanteerd; te bepalen dat na verkoop van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] uit de opbrengst eerst de schuld aan de BV van € 225.000,-- dient te worden voldaan en de kosten verbonden aan de verkoop, waaronder de kosten van de makelaar, en dat de daarna overblijvende netto verkoopopbrengst tussen partijen gelijkelijk dient te worden verdeeld; vast te stellen dat de man ten laste van de vrouw een verrekenvordering heeft van € 7.500,-- in verband met het voertuig Audi A1 TSFI, kenteken [kenteken 1] ; vast te stellen dat de vrouw een verrekenvordering heeft op de man van € 15.000,-- in verband met het voertuig BMW, kenteken [kenteken 2] . 3.2.2. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. In de onderhavige procedure vordert de man (in reconventie) partijen te veroordelen om met elkaar over te gaan tot verdeling – bij helfte – van de gemeenschappelijke inboedel van de echtelijke woning, gelegen te [plaats] , aan [adres] , binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis. Kosten rechtens. 3.2.3. In het eindvonnis van 11 juli 2018 heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep van belang – ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap tussen partijen, kort gezegd, de verkoop van de woning gelegen aan [adres] te [plaats] gelast voor een vraagprijs van € 450.000,-- en bepaald dat de geldlening bij de BV van € 225.000,-- zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning. De netto-opbrengst dient gelijkelijk tussen partijen verdeeld te worden. Over de afwikkeling huwelijkse voorwaarden heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat onverteerde inkomsten zijn aangewend voor het verkrijgen van aandelen dan wel (op een later tijdstip) certificaten. De rechtbank heeft de verrekenvordering van de vrouw ter grootte van 10,12% van de certificaten afgewezen. Over de vennootschappelijke afwikkeling heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de vrouw genoemde grondslag (art. 2:343 BW) niet kan dienen als grondslag voor haar vordering. De rechtbank kan de man niet veroordelen de certificaten van aandelen over te nemen. ‘De certificaten worden immers gehouden door de STAK’, aldus de rechtbank. De door de vrouw bij akte van 8 november 2017 gestelde afspraak, betrekking hebbende op de geschillenregeling van art. 2:343 BW maakt dit niet anders. 3.3. De vrouw is van het beroepen vonnis in hoger beroep gekomen, niet alleen bij dit hof maar ook bij de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam. Bij de Ondernemingskamer heeft de vrouw gevorderd dat de man wordt veroordeeld om de certificaten van aandelen die zij houdt over te nemen, met een maximum van 39,88% van de door de deskundige vastgestelde waarde van het totale aandelen/certificatenkapitaal. In de onderhavige procedure bij dit hof (’s-Hertogenbosch) heeft de vrouw geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad gevorderd: A. Inzake de verrekening: te bepalen dat de vrouw een verrekenvordering op de man heeft ter grootte van 10,12% van de waarde van de aandelen/certificatenkapitaal in de BV; een deskundige te benoemen om de waarde van de aandelen/certificaten in de BV vast te stellen per 31 december 2015, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen datum; de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen 10,12% van het door de deskundige vastgestelde bedrag, binnen drie dagen na betekening van het te wijzen arrest; B. Inzake de overname door de man van de certificaten: Voor het geval de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam (zaaknummer [zaaknummer] ) zich niet bevoegd verklaart om kennis te nemen van het hoger beroep dat de vrouw bij dat hof heeft aangebracht tegen het oordeel van de rechtbank aangaande “sub c vennootschappelijke afwikkeling” onder rov. 4.20 tot en met 4.22 van het beroepen vonnis en ook het ingestelde beroep niet doorverwijst naar dit hof voor verdere behandeling: 4. de man te veroordelen om de certificaten welke de vrouw houdt over te nemen, binnen vier weken na betekening van het te wijzen arrest, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de man nalaat hieraan gevolg te geven, met een maximum van 39,88% van de door de deskundige onder 2 vastgestelde waarde, dan wel een ander door het hof in goede justitie vast te stellen maximum; 5. de prijs welke de man dienaangaande aan de vrouw dient te voldoen vast te stellen op een bedrag gelijk aan 39,88% van de waarde van het totale aandelen/certificatenkapitaal zoals door de onder 2 bedoelde deskundige zal worden vastgesteld en te bepalen dat de man dit bedrag gelijktijdig met de overdracht van de aandelen/certificaten aan de vrouw dient te voldoen; C. Inzake de voormalige echtelijke woning: 6. Primair: te bepalen dat de vrouw alleen gehouden zal zijn om mee te werken aan verkoop van de voormalige echtelijke woning op het moment dat zij daadwerkelijk kan beschikken over haar vermogensaanspraken in de BV. Daarvan zal sprake zijn indien: de man wordt veroordeeld in de zin van art. 2:343 BW om tot overname van de certificaten van de vrouw over te gaan, deze ook daadwerkelijk heeft afgenomen en betaald; de man deze certificaten vrijwillig heeft afgenomen tegen de waarde welke zal zijn vastgesteld door een door partijen aangewezen deskundige en de vastgestelde waarde ook daadwerkelijk aan de vrouw heeft voldaan; 7. Subsidiair: te bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een door het hof aan te stellen deskundige te bepalen waarde. Hetgeen met zich zal brengen dat de vrouw aan de BV dient af te lossen de op de woning rustende hypotheek van € 225.000,-- en aan de man de helft van de resterende overwaarde (de door de deskundige vastgestelde waarde minus de schuld van € 225.000,-- gedeeld door twee). Zulks onder gelijktijdige verplichting van de man om eraan mee te werken dat de financiering van deze transactie door de vrouw mogelijk wordt gemaakt door: medewerking te verlenen aan de opname door de vrouw in rekening-courant bij de BV van het voor deze transactie benodigde bedrag (zijnde € 225.000,-- plus het aan de man te betalen bedrag) ter voldoening van de hiervoor omschreven financiële verplichtingen; medewerking te verlenen aan de uitkering van een dividend uit de BV aan de vrouw waarvan de netto hoogte voldoende is om aan de hiervoor genoemde financiële verplichtingen te voldoen; C2. Bij wijze van voorlopige voorziening: 8. te bepalen dat de vrouw niet gehouden zal zijn om mee te werken aan de daadwerkelijke verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning aan een derde zolang het hof geen inhoudelijk oordeel heeft kunnen geven over de onder C (inzake de voormalige echtelijke woning) geformuleerde gewijzigde eisen van de vrouw of een andere voorlopige voorziening die voorkomt dat de vrouw genoopt zal zijn aan een verkoop mee te werken, zolang het hof op dit punt nog geen inhoudelijk oordeel heeft kunnen geven. D. Inzake de onrechtmatige onttrekkingen aan de BV: 9. voorwaardelijk, namelijk voor het geval de man niet wordt genoopt middels analoge toepassing van art. 2:343 BW om de certificaten van de vrouw over te nemen tegen de waarde per 31 december 2015: de man te veroordelen om binnen drie dagen na het in dezen te wijzen arrest zorg te dragen voor: het verstrekken van de bankafschriften ten aanzien van de bankrekening of bankrekeningen waarop de man sinds maart 2016 betalingen verschuldigd door [naam] heeft laten binnenkomen, dan wel een andersluidende opdracht door het hof in goede justitie vast te stellen op grond waarvan de vrouw afdoende inzicht krijgt in de daadwerkelijke geldstromen (van [naam] naar de BV en de door de man namens de BV daaruit verrichte betalingen) sinds maart 2016 tot op heden: [naam] namens de BV mede te delen, dat zij haar verplichtingen aan de BV alleen bevrijdend kan betalen op de bankrekening van de BV met rekeningnummer [rekeningnummer 1] . terug- of door te betalen aan de BV op rekeningnummer [rekeningnummer 1] (rekening-courant) het verschil van het bedrag tussen hetgeen de man sinds maart 2016 op deze wijze op niet aan de vennootschap toebehorende rekeningen heeft laten binnenkomen minus hetgeen hij daadwerkelijk en aantoonbaar ten behoeve van de belangen van de vennootschap uit de op deze wijze ontvangen gelden heeft voldaan, dan wel een bedrag door het hof in goede justitie vast te stellen; Zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor elke dag dat de man dit nalaat, met een maximum van € 200.000,--. E. Uitbetaling dividend: 10. voorwaardelijk, namelijk voor het geval de man niet wordt genoopt middels analoge toepassing van art. 2:343 BW om de certificaten van de vrouw over te nemen tegen de waarde per 31 december 2015: De man te veroordelen om: - op eerste verzoek van de vrouw mee te werken aan het plannen van de AVA van de Holding BV; - het verzenden van een oproeping voor de AVA, met inachtneming van de termijn die daarvoor geldt op grond van de statuten, doch niet langer dan 14 dagen, waarbij het enige agendapunt zal zijn het behandelen van een voorstel tot dividenduitkering aan de certificaathouders ter hoogte van het door een door het hof aan te wijzen deskundige te bepalen bedrag; - als bestuurder van de STAK instemming te verlenen met het voorstel tot dividenduitkering aan de certificaathouders ter hoogte van het bedrag dat door een door het hof aan te wijzen deskundige wordt bepaald; - direct nadat de AVA dit besluit heeft genomen, op eerste verzoek van de vrouw als bestuurder goedkeuring verlenen aan een dergelijk besluit; - het daadwerkelijk uitbetalen van de op grond van het dividendbesluit aan de certificaathouders verschuldigde uitkering – na inhouding van de daarover in te houden belasting – door het verstrekken van een opdracht tot betaling van deze bedragen aan de Rabobank ten laste van de bankrekeningen van de BV. Welke opdracht mede dient te omvatten de opdracht om de benodigde gelden over te boeken van de rekening [rekeningnummer 2] (Rabo Doel Reserveren) naar rekening [rekeningnummer 1] (rekening-courant) van de BV bij de Rabobank, ten einde deze betalingen mogelijk te maken. Zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag tot een maximum van € 500.000,-- voor elke dag dat de man niet, nadat het te wijzen arrest bij hem is betekend, telkens binnen drie dagen nadat daartoe en verzoek als hiervoor is omschreven door de vrouw is gedaan, gevolg heeft gegeven aan de hiervoor beschreven medewerking; Proceskosten: 11. De man te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.4. De man heeft in principaal appel geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vrouw in de door haar gevorderde gedwongen overname van de certificaten en voor het overige al haar vorderingen af te wijzen inclusief de provisionele vordering met betrekking tot de echtelijke woning. De man heeft in incidenteel appel gevorderd: te bepalen dat de man een vordering op de vrouw heeft vanwege verrekening ter hoogte van primair 100% van het aandeel van 39,88% van de vrouw in de certificaten van de STAK, subsidiair van 80% van de waarde van 39,88% van de certificaten van de vrouw in de STAK; een deskundige te benoemen om de waarde van de certificaten in de STAK vast te stellen per 31 december 2015, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen datum. In principaal en incidenteel appel heeft de man gevorderd de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten, te verrekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.5. Het hof zal de grieven van partijen per onderwerp bespreken. Procedure Ondernemingskamer hof Amsterdam/Grieven c.q. vorderingen van de vrouw onder B, D en E 3.6.1. De rechtbank heeft in rov. 4.20 tot en met 4.22 als volgt beslist/overwogen: “4.20. [de vrouw] heeft in deze procedure gevorderd [de man] te veroordelen tot overname van de certificaten van [de vrouw] in [Holding BV] tegen een nader vast te stellen bedrag en [de man] te veroordelen tot de overdracht van die aandelen op straffe van verbeurte van een dwangsom. Als grondslag voor deze vordering heeft [de vrouw] bij dagvaarding verwezen naar 2:343 BW. 4.21. De rechtbank is van oordeel dat de door [de vrouw] genoemde grondslag niet kan dienen als grondslag voor haar vordering. De rechtbank kan [de man] niet veroordelen de certificaten in [Holding BV] over te nemen. De certificaten worden immers gehouden door de STAK. Nu een andere grondslag niet gesteld of gebleken is, dienen de vorderingen van [de vrouw] te worden afgewezen. De door [de vrouw] bij akte van 8 november 2017 gestelde afspraak, betrekking hebbende op de geschillenregeling van artikel 2:343 BW, maakt dit niet anders. Proceskosten 4.22. Nu partijen ex-echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.” 3.6.2. De Ondernemingskamer heeft in het tussenarrest van 24 september 2019 het betoog van de man dat de vrouw reeds vanwege processuele complicaties van een dubbel appel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, verworpen en overwogen dat de vraag of, en tegen welke prijs, de vrouw aanspraak kan maken op “uittreding uit de vennootschap [Holding BV]” (rov. 3.6) een van de overige geschilpunten te onderscheiden vraag is. Dat verschillende appelinstanties aldus over in eerste aanleg gezamenlijk ingestelde vorderingen oordelen, is inherent aan het wettelijk systeem. Van misbruik van procesrecht is geen sprake. Daarnaast overweegt de Ondernemingskamer als volgt: “De Ondernemingskamer is van oordeel dat de positie van de certificaathouders in de onderhavige zaak zozeer vergelijkbaar is met een aandeelhouderspositie dat het bepaalde in artikel 2:343 BW hier naar analogie dient te worden toegepast. (…) De Ondernemingskamer is van oordeel dat van [de vrouw] in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij certificaathouder van [Holding BV] blijft. (…) Het vorenstaande leidt ertoe dat de Ondernemingskamer de vordering van [de vrouw] om [de man] te veroordelen de certificaten die [de vrouw] houdt in [Holding BV] over te nemen, toewijsbaar acht. (…)”. Bij tussenarrest van 19 november 2019 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek door een deskundige bevolen naar de vraag wat de waarde is die per 31 december 2015 aan de aandelen (alle aandelen) in de BV moet worden toegekend. 3.7. De man stelt zich allereerst op het standpunt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in de door haar in hoger beroep gevorderde gedwongen overname van certificaten nu zij bij de Ondernemingskamer van hof Amsterdam reeds hoger beroep heeft ingesteld. De man vraagt zich af wat er gebeurt indien de beide hoven verschillend oordelen. Worden er dan ook verschillende cassaties ingesteld? Op deze manier het procesrecht “oprekken” is niet toelaatbaar. 3.8. Het hof oordeelt als volgt. Het hoger beroep van de vrouw bij de Ondernemingskamer van hof Amsterdam richt zich tegen rov. 4.20 tot en met 4.22 van het beroepen vonnis. In de onderhavige procedure stelt de vrouw die rechtsoverwegingen slechts voorwaardelijk – voor het geval de Ondernemingskamer zich onbevoegd verklaart – aan de orde. Nu uit rov. 3.6 hiervóór volgt dat de Ondernemingskamer zich bevoegd acht, is aan die voorwaarde niet voldaan, zodat hetgeen de vrouw in dat verband stelt geen verdere bespreking behoeft. Dat ligt niet voor ter beslissing. Aan een beslissing over de ontvankelijkheid op dit punt komt dit hof daarom niet toe. Bij het pleidooi heeft de vrouw het hof verzocht haar vorderingen onder B (overname door de man van de certificaten), D (onrechtmatige onttrekkingen aan de BV) en E (uitbetaling dividend) aan te houden totdat alle oordelen in de bij het hof Amsterdam lopende procedure kracht van gewijsde hebben gekregen. De beslissing op de vorderingen onder B kunnen niet worden aangehouden, omdat die vorderingen niet voorliggen (zoals zojuist overwogen). De vorderingen onder D en E zal het hof aanhouden, omdat die vorderingen al zijn ingesteld onder de voorwaarde dat ‘de man niet wordt genoopt [ex art. 2:343 BW] de certificaten over te nemen.’ Weliswaar heeft de Ondernemingskamer de man verplicht de certificaten over te nemen, maar die beslissing is, voor zover het hof bekend, (nog) niet in kracht van gewijsde gegaan. De Hoge Raad zou dus nog kunnen beslissen dat de man niet wordt verplicht de certificaten over te nemen. A. Verrekening aandelen/certificaten 3.9. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat onverteerde inkomsten zijn aangewend voor het verkrijgen van aandelen dan wel (op een later tijdstip) certificaten en zij heeft de verrekenvordering van de vrouw afgewezen. Hiertegen keert zich onderdeel A van de grieven van de vrouw. 3.10. Het hof stelt het volgende voorop. Vaststaat dat tijdens het huwelijk van partijen geen uitvoering is gegeven aan het periodieke verrekenbeding (o.m. cva man, p. 3). Art. 1:141 lid 1 BW bepaalt dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Op grond van art. 1:141 lid 3 BW wordt het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen aanwezig zijn. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637). In dit arrest van 19 april 2019 heeft de Hoge Raad ten slotte nog overwogen dat het bewijsvermoeden uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het aanwezige vermogen (bijv. aandelen in een bv, zoals in de beschikking van de Hoge Raad van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605) al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (rov. 3.3.2). 3.11. Het voorgaande betekent dat de certificaten van aandelen op grond van art. 1:141 lid 3 BW worden vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het ligt op de weg van de man om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de certificaten van aandelen niet gevormd zijn uit hetgeen verrekend had moeten worden. Daarvoor is van belang na te gaan hoe de certificaten zijn gefinancierd. Dit is gebeurd als volgt. De certificaten van aandelen zijn verkregen tegenover de overdracht door partijen ten titel van beheer van hun aandelen in Holding BV (inl. dv., prod. 9). Die aandelen zijn op hun beurt verkregen toen, verkort weergegeven, de vof werd omgezet in de bv (om precies te zijn, heeft Holding BV de aandelen geplaatst bij partijen waarbij de (onderneming van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.