GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.270.328/01 arrest van 23 juni 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als: [appellant] , niet verschenen, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde sub 1 in principaal hoger beroep,appellant in incidenteel hoger beroep,advocaat: mr. J.E. Jansen te Veghel,hierna aan te duiden als: [geïntimeerde 1] ,
- [geintimeerde 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde sub 2 in principaal hoger beroep,niet verschenen,
- [geintimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde sub 3 in principaal hoger beroep,niet verschenen, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 maart 2020 in het hoger beroep van het vonnis met zaaknummer/rolnummer C/02/356631 / KG ZA 19-161 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 juni 2019, gewezen tussen appellant als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie, geïntimeerde sub 1 als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en geïntimeerden sub 2 en 3 als gedaagden in conventie. 4Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 31 maart 2020; het H16-formulier voor de rol van 28 april 2020 van [geïntimeerde 1] . Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. 5De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep 5.
- In genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde 1] in principaal hoger beroep ontslagen van de instantie en, omdat hij had laten weten incidenteel appel te willen instellen, de zaak verwezen naar de rol van 28 april 2020 voor memorie van grieven in incidenteel hoger beroep. De in rechtsoverweging 2.6 aangekondigde proceskostenveroordeling is per abuis niet in het dictum opgenomen. 5.
- In zijn H16-formulier voor de rol van 28 april 2020 heeft [geïntimeerde 1] het hof laten weten dat hij heeft besloten af te zien van het instellen van incidenteel hoger beroep en dat hij dientengevolge ook geen memorie van grieven in incidenteel beroep zal indienen. Hij heeft verzocht om thans een eindarrest te wijzen bij gelegenheid waarvan [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. 5.
- Aangezien [geïntimeerde 1] op de rol van 28 april 2020 heeft medegedeeld dat hij in incidenteel hoger beroep geen memorie van grieven zal indienen, zal hij in incidenteel appel niet-ontvankelijk worden verklaard. Wat betreft het principaal hoger beroep is de instantie voor [geïntimeerde 1] al geëindigd aangezien hij in het tussenarrest in zoverre van de instantie is ontslagen. Het hof zal in het dictum alsnog de proceskostenveroordeling opnemen die in het tussenarrest was aangekondigd. 6De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep verklaart [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk in het incidenteel appel; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde 1] op € 101,05 voor de kosten van het anticipatie-exploot, op € 324,00 voor griffierecht en op € 537,00 (½ punt liquidatietarief II) voor salaris advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.J. Henzen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juni
- griffier rolraadsheer