GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 9 juli 2020 Zaaknummer: 200.263.461/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/243743 / FA RK 17-4732 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L. Peeters, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. M.J.L. van den Aker-Groffen. Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie: [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 1 mei 2019. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juli 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat zij, bij uitsluiting van de vader, wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2019, heeft de vader het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de ouders, bijgestaan door hun advocaten; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 14 maart 2019; - het V-formulier van de advocaat van de moeder van 30 juli 2019 met één bijlage. 3De beoordeling 3.1. Partijen zijn op 15 juli 2008 met elkaar gehuwd. Tijdens dit huwelijk is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] . [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. 3.2. Bij beschikking van 29 januari 2014 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. 3.3. [minderjarige] verblijft één weekend per vier weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader, zoals vastgelegd bij beschikking van 17 april 2018. Procedure eerste aanleg 3.3.1. De moeder heeft de rechtbank, voor zover thans relevant, verzocht om het gezag over [minderjarige] , bij uitsluiting van de vader, aan haar toe te wijzen. 3.3.2. Bij eerder genoemde beschikking van 17 april 2018 heeft de rechtbank dit verzoek aangehouden, een omgangsregeling vastgelegd zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.3. en partijen verwezen naar Rubicon voor ouderschapsreorganisatie. 3.3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, dit verzoek afgewezen. 3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert zij, kort samengevat, het volgende aan. Uit het verslag van Rubicon volgt dat partijen op diverse vlakken uiteenlopende visies hebben en dat het ze niet lukt om tot overeenstemming of samenwerking te komen zonder dat er ruzie, spanning of irritatie ontstaat. [minderjarige] heeft het gevoel dat beide ouders aan hem trekken. Uit het verslag van Rubicon volgt ook dat partijen niet samen, althans niet zonder begeleiding, tot structurele afspraken kunnen komen, zonder dat [minderjarige] daar op enige wijze de dupe van is. De moeder ziet daar op korte termijn geen verandering in komen. Partijen proberen, middels hulpverlening, al jaren de onderlinge situatie te verbeteren. Dit is tot op heden niet gelukt. De vader misbruikt zijn gezagspositie en hij zegt vaak de omgang op het laatste moment af. Het in het belang van [minderjarige] als de moeder alleen het gezag over hem krijgt, omdat zij er in de praktijk alleen voor staat als het gaat om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het is beter en het zorgt voor meer rust en duidelijkheid als zij alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen. Partijen kunnen zich dan in hun onderlinge communicatie volledig richten op het in goede orde uitvoeren van de omgangsregeling. 3.5. De vader heeft een verweerschrift ingediend. Hij voert, kort samengevat, het volgende aan. De vader is een betrokken ouder, maar hij is gezien de afstand tussen zijn woonplaats en die van [minderjarige] om praktische redenen niet altijd in staat om op dezelfde wijze als de moeder de feitelijke zorg voor [minderjarige] in te vullen. Partijen zijn pas in april 2018 voor het eerst doorverwezen naar de hulpverlening, er is geen sprake van jarenlange hulpverlening. De vader misbruikt zijn gezagspositie niet en het is niet juist dat hij de omgang op het laatste moment afzegt. De vader vraagt wel eens aan de moeder om te wisselen van weekend, maar hiertoe is de moeder nooit bereid. Er zijn nog mogelijkheden voor de ouders om onder deskundige begeleiding een manier te vinden waarop zij met elkaar om kunnen gaan zonder conflicten. De moeder zegt in maart 2019 toe dat zij meewerkt aan hulpverlening en gaat in juli 2019 in hoger beroep. Het kan niet zo zijn dat de moeder hulpverlening blokkeert om zo tot wijziging van het gezag te komen. 3.6. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om het hoger beroep van de moeder af te wijzen. Met de dynamiek die nu speelt tussen deze ouders, zal eenhoofdig gezag leiden tot een breuk. Beide ouders zouden hun verantwoordelijkheid moeten pakken. De raad heeft voor beide ouders een advies uitgebracht: Aan de vader: het omgangsweekend met [minderjarige] , eenmaal per vier weken, is heilig. Daar mag niets tussenkomen. De vader blijft momenteel in gebreke en hij moet hier stelselmatig op worden aangesproken. Als er al iets tussenkomt, dient de vader meteen met een initiatief te komen wanneer het omgangsweekend wordt ingehaald: een weekend eerder of een weekend later. Aan de moeder: de moeder moet leren om de “gezamenlijkheid” van het gezamenlijk gezag los te laten. De vader heeft afstand gedaan van de dagelijkse zorg van [minderjarige] en dat verlies moet de moeder nemen. De moeder is de hoofdopvoerder. Zij neemt de dagelijkse beslissingen en ze hoeft niet alles te overleggen met de vader. De raad denkt dat de ouders hun onderlinge problemen snel kunnen oplossen als zij zich allebei aan deze adviezen houden. Het hof overweegt als volgt. 3.7.1. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.