GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.243.797/01 arrest van 21 juli 2020 in de zaak van [de vennootschap 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, verder: [appellante] , advocaat: mr. H. Weinans te Roosendaal, tegen: [de vennootschap 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel, verder: [geïntimeerde] , advocaat: geschrapt, als vervolg op het door dit hof gewezen tussenarrest van 17 december 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, onder zaak-/rolnummer 6511840 CV EXPL 17-5429 gewezen vonnis van 9 mei 2018 tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - voormeld tussenarrest; - de memorie van [geïntimeerde] na niet gehouden enquête. Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. 6De nadere beoordeling in het principaal appel en in het incidenteel appel 6.1 In het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat op 21 oktober 2016 tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] is afgesproken dat [geïntimeerde] op haar kosten de claim van EMSA mede ten behoeve van [de vennootschap 3] zou bestrijden dan wel regelen. De bewijsopdracht betrof de volgende stellingen van [geïntimeerde] (3.7 van het tussenarrest): “ [geïntimeerde] stelt daartoe dat zij in de persoon van de heer [de medewerker van geintimeerde] op 21 oktober 2016 naar aanleiding van de brief van de merkenrechtadvocaat van EMSA van 13 oktober 2016, hiervoor in 3.1 onder h) vermeld, telefonisch contact heeft gehad met de heer [de medewerker van de vennootschap 3] van [de vennootschap 3] en dat toen onder meer is afgesproken dat de stukken en correspondentie met betrekking tot die aanschrijving aan [geïntimeerde] zouden worden overhandigd zodat [geïntimeerde] op haar kosten verweer zou kunnen laten voeren tegen de claim van EMSA dan wel daarover een minnelijke regeling zou kunnen doen bewerkstelligen. Met betrekking tot andere afnemers van Emsan-producten heeft [geïntimeerde] vervolgens ook een regeling getroffen, maar deze regeling had geen betrekking op [appellante] / [de vennootschap 3] aangezien [de vennootschap 3] inmiddels zelf contact had gezocht met EMSA en uiteindelijk, nadat een verstekvonnis tegen haar was gewezen, met EMSA een vaststellingsovereenkomst, (…) had gesloten.” 6.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.