GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 19/00589, 19/00590, 19/00607 en 19/00608 Beslissing op grond van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), althans [B BV] (hierna: [B BV] ) en [C BV] (hierna: [C BV] ) in de zaken van [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende. 1Feiten 1.1. [B BV] respectievelijk [C BV] is de gemachtigde van vele belanghebbenden in bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures inzake de heffing van belastingen, in het bijzonder de BPM. [gemachtigde] pleegt in die zaken de proceshandelingen te verrichten en processtukken in te dienen. 1.2. In de onderhavige zaken treedt [B BV] op als gemachtigde en dient [gemachtigde] namens [B BV] processtukken in. 1.3. Het hof heeft eerder op 13 maart 2020, op 2 april 2020 en op 28 mei 2020 door middel van een tussenuitspraak [gemachtigde] , [B BV] en [C BV] geweigerd nog langer als gemachtigde op te treden in een groot aantal zaken in verband met het herhaaldelijke gebruik van grievende en beledigende opmerkingen in processtukken. 1.4. Het hof heeft [gemachtigde] bij brief van 2 april 2020 het volgende bericht: “Het hof heeft bij beslissing van 13 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:892, u, [B BV] en [C BV] geweigerd als bijstandsverlener of als gemachtigde in de zaken die in die beslissing zijn vermeld. Het hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat tegen uw bijstand ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 8:25, lid 1, Algemene wet bestuursrecht, omdat uw taalgebruik structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. U bent al verschillende malen gewezen op deze bezwaren en u is regelmatig verzocht uw taalgebruik aan te passen. Een vergelijkbare beslissing heeft het hof heden genomen in de tussenuitspraak in de zaak met nummers 20/00128 tot en met 20/00138, nadat u weigerde een ingediende motivering van het hoger beroep te corrigeren of anderszins afstand te nemen van de in dat stuk geuite beledigingen. Het Hof verwijst in dit verband ook naar de conclusie van A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693. Tot nu toe heeft het hof u de mogelijkheid tot herstel geboden van de ingediende stukken. Uit uw laatste reactie in de zaken 20/00128 tot en met 20/00138 leidt het hof af dat u geenszins van plan bent uw taalgebruik aan te passen. Om die reden zal het hof in de toekomst een herstelmogelijkheid niet langer bieden. Het hof wenst geen stukken met onbetamelijk taalgebruik meer te ontvangen van u als gemachtigde of als vertegenwoordiger van een gemachtigde rechtspersoon. Daarom waarschuwt het hof u hierbij dat wanneer u of de door u vertegenwoordigde rechtspersoon in nieuw in te dienen stukken onbetamelijk taalgebruik bezigt, het hof voornemens is u en de door u vertegenwoordigde rechtspersoon zonder nadere waarschuwing of herstelmogelijkheid in de desbetreffende zaak te weigeren als bijstandsverlener of gemachtigde.” 1.5. Voor de onderhavige zaken heeft het hof gemachtigde bij brief van 28 april 2020 het volgende bericht: “Op 20 november 2019 ontvingen wij van u de motivering van het hoger beroep in de zaken van [belanghebbende] (nummers 19/00607 en 19/00608). Het hof heeft geconstateerd dat ook in dit stuk diverse onaanvaardbare beledigingen of denigrerende opmerkingen zijn opgenomen jegens bepaalde personen dan wel (rechterlijke) instituties. In onze brief van 2 april 2020 heeft het hof u medegedeeld u in een dergelijk geval geen herstelmogelijkheid meer te bieden. Nu deze motivering echter vóór deze brief is ingediend, zal het hof in deze zaken u nog wél een herstelmogelijkheid bieden. Het hof verzoekt u dringend om deze woorden terug te nemen door het indienen van een geschoonde versie van deze motivering van de hoger beroepen, dan wel door te verklaren dat het hof die woorden als niet geschreven kan beschouwen. Het hof wijst u op mogelijke gevolgen als u niet aan dit verzoek voldoet (zie de uitspraken van dit hof van 13 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:249 en 2 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1113). Deze mogelijke gevolgen kunnen dan ook optreden in de zaken met nummers 19/00589 en 19/00590, betreffende de hoger beroepen van de inspecteur tegen dezelfde rechtbankuitspraken. 1.6. [gemachtigde] heeft als volgt gereageerd bij faxbericht van 4 mei 2020: “Met enorme eerbied en respect doe ik u mijn zeer welgemeende excuses toekomen voor het door mij in onderhavige zaken gebezigde taalgebruik. Ik verzoek u om vergiffenis en biedt u mijn diepst mogelijke excuses aan. De geschreven woorden in de stukken moet Uw gerechtshof als niet geschreven beschouwen…”. 1.7. Het hof heeft partijen vervolgens bij brieven van 11 mei 2020 in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen in de respectievelijke hoger beroepen. 1.8. Op 18 juni 2020 heeft [gemachtigde] een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift bevat opnieuw diverse beledigingen aan het adres van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke colleges. 1.9. Op vragen van het hof heeft [gemachtigde] bij faxbericht van 2 juli 2020 geantwoord dat hij in deze zaken geen wrakingsverzoek indient. 2Overwegingen van het hof 2.1. Partijen kunnen zich in een gerechtelijke procedure laten bijstaan of vertegenwoordigen door iemand van hun keuze. Waar het gaat om zaken die het Unierecht betreffen, is dat neergelegd in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat recht is (voor strafrechtelijke vervolging en het fiscale boeterecht) neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige is dat vastgelegd in artikel 8:24 Awb. 2.2. Een partij, haar bijstandsverlener(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.