GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.276.607/01 arrest van 18 augustus 2020 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna aan te duiden als: [appellant] , advocaat: mr. G. te Biesebeek te Helmond, tegen de rechtspersoon naar Luxemburgs recht [bedrijf] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Luxemburg), geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] , advocaat: mr. H.C.W. Geffroy te Ede Gld., op het bij exploot van dagvaarding van 30 maart 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 18 maart 2020, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/347833 / HA ZA 19-432) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 18 september 2019. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het tegen [geïntimeerde] verleende verstek; de memorie van grieven, tevens inhoudende een incidentele conclusie tot schorsing van de executie met producties; het H2-formulier voor de rol van 26 mei 2020 waarbij mr H.C.W. Geffroy zich heeft gesteld voor [geïntimeerde] en het tegen deze verleende verstek heeft gezuiverd; de memorie van antwoord in het incident; de memorie van antwoord. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident. 3De beoordeling In het incident 3.1. In het bestreden vonnis is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 77.903,75, te vermeerderen met de contractuele rente van 3% per jaar over een bedrag van € 73.911,88 met ingang van 1 april 2019. Tevens is [appellant] in de proceskosten veroordeeld, tot aan de uitspraak begroot op € 4.240,91 en – voorwaardelijk – in de nakosten, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis. 3.2. Op 24 maart 2020 heeft [geïntimeerde] het vonnis aan [appellant] laten betekenen. Op 27 maart 2020 heeft [geïntimeerde] vervolgens executoriaal beslag laten leggen op de woning van [appellant] en op 1 mei 2020 heeft [geïntimeerde] executoriaal loonbeslag laten leggen onder de werkgever van [appellant] . Bij brief van 6 mei 2020 heeft de werkgever aan [appellant] laten weten dat vanaf mei 2020 op zijn salaris een bedrag van € 1.986,49 wordt ingehouden en dat de beslagvrije voet is bepaald op € 864,57 per maand. 3.3. In het incident vordert [appellant] dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het besteden vonnis schorst totdat op het onderhavige hoger beroep zal zijn beslist. 3.4. [appellant] stelt daartoe allereerst dat het vonnis op een juridische misslag berust omdat de rechtbank ten onrechte het beroep van [geïntimeerde] op de goede trouw heeft toegewezen. Voor de toelichting op deze stelling verwijst [appellant] in zijn memorie "naar het hierboven gestelde". Verder stelt [appellant] dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. [geïntimeerde] heeft executoriaal beslag gelegd op de woning en het loon van [appellant] . Tegen het executoriaal beslag op de woning heeft [appellant] geen bezwaar, mits de executie niet wordt voortgezet zolang het hof in de hoofdzaak nog geen uitspraak heeft gedaan. Tegen het executoriaal beslag op zijn loon heeft [appellant] wel bezwaar, omdat hij en zijn echtgenote thans een inkomen van € 1.367,36 en € 864,57 te besteden hebben en dit inkomen volgens [appellant] ontoereikend is om de normale kosten van de huishouding te voldoen. 3.5. [geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer. 3.6. Bij de beoordeling van een incidentele vordering op de voet van artikel 351 Rv als hier aan de orde geldt op grond van Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder sub a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.