GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Parketnummer : 20-004057-18 Uitspraak : 4 september 2020 VERSTEK (dip) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Roermond, van 21 december 2018 in de strafzaak met parketnummer 82-259712-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1953, wonende te [woonadres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de politierechter, naast de algemene voorwaarden dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en dat hij meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte alsnog aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2015 en 2016 zal doen binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het gewezen vonnis. Door de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn ingestelde hoger beroep omdat hij geen grieven heeft opgegeven tegen het vonnis van de politierechter. Subsidiair is gerequireerd tot oplegging van dezelfde straf aan de verdachte als de straf die de politierechter heeft gevonnist. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hof stelt vast dat de verdachte, die ondanks dat hij behoorlijk is gedagvaard niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling (of via een daartoe gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof evenwel geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien het hof van oordeel is dat de strafzaak onderzocht dient te worden. Het is het hof namelijk aanstonds gebleken dat sprake is van een evident onjuist vonnis. In dat verband wijst het hof op het volgende. Allereerst is het – zoals hierna onder ‘Vrijspraak’ zal worden overwogen – rechtens niet mogelijk om na afloop van de gestelde termijn tot het doen van een aangifte inkomstenbelasting zulks alsnog te doen. De politierechter heeft de verdachte daartoe echter wel verplicht. Daarnaast kan hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd niet bewezen worden verklaard, nu hem – zoals hierna eveneens zal worden overwogen – op de tenlastegelegde datum (nog) geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het hof is mitsdien ambtshalve van oordeel dat de zaak inhoudelijk dient te worden onderzocht. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 1 mei 2016 te Berg en Terblijt en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie Volksverzekeringen en Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2015 over het jaar 2015 niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak De verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van het op of omstreeks 1 mei 2016 niet of niet binnen de door de inspecteur der rijksbelastingen gestelde termijn doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2015 (hierna ook wel: aangifte inkomstenbelasting). Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat aan de verdachte omstreeks 28 februari 2016 een uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 is uitgereikt. In deze uitnodiging is vermeld dat deze aangifte vóór 1 mei 2016 ingevuld en ondertekend bij de Belastingdienst moest worden ingediend. Aangezien de verdachte daar geen gevolg aan heeft gegeven, volgde omstreeks 14 juni 2016 een herinneringsbrief met de mededeling dat de aangifte alsnog uiterlijk 28 juni 2016 moest zijn ingediend. Nadat de verdachte andermaal had verzuimd zijn aangifte inkomstenbelasting in te dienen, heeft de inspecteur op 29 juli 2016 een aanmaning naar de verdachte gestuurd met het dringende verzoek om de aangifte alsnog uiterlijk 12 augustus 2016 in te dienen. Deze aanmaning heeft niet het gewenste effect gesorteerd, aangezien het door of namens de verdachte doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 uitbleef. Uiteindelijk is in het overleg tussen het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie, de FIOD en het bestuur van ’s Rijks belastingen van 24 januari 2017 besloten om tot strafvervolging van de verdachte ter zake van het niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 over te gaan op grond van het tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie gesloten Handhavingsarrangement 2016-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.