GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.249.074/01 zaaknummer rechtbank : C/03/190898/FA RK 14-1241 beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2020 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E.J.M. Stals te Weert. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (eind)beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 31 juli 2018 en de daaraan voorafgegane (tussen)beschikkingen van 18 november 2015, 24 april 2017 en 30 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De man is op 31 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van de (eind)beschikking van 31 juli 2018 en de daaraan voorafgegane (tussen)beschikkingen van 18 november 2015, 24 april 2017 en 30 augustus 2017. 2.2. De vrouw heeft op 18 december 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3. De man heeft op 30 januari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de man van 28 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 29 mei 2019. 2.5. De mondelinge behandeling heeft op 29 mei 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Bijzondere toegang is verleend aan de zus van de vrouw, mevrouw [de zus van de vrouw] . 3De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 3.1.1. Partijen zijn op 1 juli 1982 te [plaats] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. 3.1.2. De vrouw heeft van 1986 tot en met 1989 voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf uitgeoefend waar hoofdzakelijk kippen werden gehouden. 3.1.3. Met ingang van 1 januari 1990 heeft de vrouw het landbouwbedrijf in maatschapsverband met de man voortgezet. Partijen zijn daartoe een maatschapsovereenkomst aangegaan. De maatschapsovereenkomst bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen. DUUR EN OPZEGGING Artikel 2 (…) 2. Ieder der vennoten is bevoegd de maatschap tussentijds door opzegging te beëindigen, mits zulks geschiedt met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, niet anders dan tegen het einde van het boekjaar, en bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot. BOEKJAAR Artikel 4 (…) 2. Binnen 6 maanden na afloop van enig boekjaar worden de boeken van de maatschap afgesloten en wordt de balans en winst- en verliesrekening opgemaakt en door de vennoten vastgesteld. (…) 3. Ieder der vennoten is gehouden de balans en winst- en verliesrekening te ondertekenen. Dit wordt geacht te hebben plaatsgevonden indien niet binnen een maand, nadat de deskundige die zal worden belast met de controle op de boeken der maatschap en het opmaken van der balans en winst- en verliesrekening, een afschrift van deze jaarstukken aan de vennoten heeft toegezonden, een der vennoten aan de andere vennoten bij aangetekend schrijven zijn bezwaren heeft kenbaar gemaakt. (…) Inbreng Artikel 5 1. [De vrouw] brengt in de maatschap in: a. de juridische eigendom van de veestapel, machines, werktuigen en gereedschappen, vorderingen en alle overige lichamelijke zaken, (…) b. het gebruik en genot van de volle eigendom van de aan [haar] op 1 januari 1990 in eigendom toebehorende onroerende goederen en productierechten; (…) 4. Voor de waarde van de genoemde inbreng wordt de betreffende vennoot in de boeken van de maatschap gecrediteerd of gedebiteerd op een afzonderlijke kapitaalrekening. (…) VERDELING WERKZAAMHEDEN (…) Artikel 7 1. Het is aan ieder der vennoten verboden om tijdens de duur der maatschap, zonder toestemming van zijn medevennoot, direct of indirect, voor eigen rekening of voor rekening van anderen, buiten de maatschap om, een ander bedrijf uit te oefenen dan het in maatschapsverband uitgeoefende bedrijf daarbij rechtstreeks of zijdelings belang te hebben of daarbij betrokken te zijn of bij een zodanige onderneming enige functie te aanvaarden of daarin of daarvoor direct of indirect werkzaam te zijn, hetzij tegen, hetzij zonder vergoeding of anderen daarin of daarvoor voor hem direct of indirect werkzaam te doen zijn. 2. Het verbod van lid 1 geldt niet, indien de bekleding van nevenfuncties geen enkel nadeel toebrengt aan de maatschap en voorts niet indien de overige vennoten toestemming verlenen tot het verrichten van die nevenfunctie. 3. Indien een der vennoten met toestemming van de overige vennoten enige zodanige functie aanvaardt, zullen de daaruit te verwerven inkomsten en te verrichten uitgaven te zijnen gunste, respectievelijk niet te zijnen laste komen; voor zover tussen de vennoten niet anders wordt overeengekomen, (…) 4. In dit geval ontvangen de overige vennoten een in onderling overleg tussen de vennoten naar billijkheid te bepalen vergoeding voor de extra arbeid die zij ten behoeve van de maatschap verrichten. (…) EINDE MAATSCHAP Artikel 11 1. De maatschap eindigt: (…) b. door gedane opzegging door één van [partijen] overeenkomstig het bepaalde in artikel 2. (…) g. bij echtscheiding (…), tenzij de vennoten alsdan anders overeenkomen. (…) Artikel 12 1. Bij het eindigen van de maatschap wordt naar de toestand van het tijdstip van beëindiging een balans opgemaakt. Op deze balans worden de bezittingen en schulden van de maatschap voor de werkelijke waarde opgenomen. 2. (…)” 3.1.4. Op 28 april 2014 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend. 3.1.5. Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 18 november 2015 is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 maart 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.1.6. De maatschap is conform art. 11 van de maatschapsovereenkomst door echtscheiding geëindigd. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden (tussen)beschikking van 24 april 2017 heeft de rechtbank Limburg, onder meer, het voornemen geuit om een deskundige te benoemen om in het kader van de afwikkeling van de ontbinding van de maatschap van partijen een slotbalans op te stellen. Onder verwijzing naar rov. 2.2.3 van die beschikking zijn partijen vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 4.2. Bij de bestreden (tussen)beschikking van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank Limburg een deskundigenonderzoek gelast om een slotbalans op te stellen aan de hand van de (door partijen) ingebrachte jaarrekeningen. Daartoe is als deskundige benoemd Accon AVM adviseurs en accountants. Bepaald is dat de opdracht zal worden uitgevoerd door de heer [deskundige 1] en de heer [deskundige 2] . Iedere verdere beslissing is aangehouden. 4.3. Bij de bestreden (eind)beschikking van 31 juli 2018 heeft de rechtbank Limburg, voor zover thans van belang, bepaald dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 156.403,-- toekomt aan de man en een bedrag van € 123.629,-- toekomt aan de vrouw. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen. 4.4. De man heeft drie grieven aangevoerd tegen de beschikkingen van 18 november 2015, 24 april 2017 en 31 juli 2018. Zijn grieven zien op de correcties op de kapitaalposities van partijen ter zake van de arbeidsvergoeding (grief 1), de pluimveerechten (grief 2) en het stuk grond van 1,4911 ha dat in 1998 is aangekocht (hierna: stuk grond 1998, grief 3). De man is ook in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikking van 30 augustus 2017, maar omdat hij geen grieven heeft gericht tegen die beschikking, zal hij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens: “1. de beschikkingen van 18 november 2015, 24 april 2017, 30 augustus 2017 en 31 juli 2018, gewezen door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder de zaaknummer c/03/190898 / FA RK 14-12414 en C/03/207190 / FA RK 15-1945, voor zover het daarbij de eindbeslissing van de rechtbank betreft die ziet op de beslissing van de rechtbank dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag ad € 156.403,- aan de man toekomt en een bedrag van € 123.629,- aan de vrouw toekomt, te vernietigen voor zover deze beslissing ziet op de arbeidsvergoeding van de man, de pluimveerechten, en correctie op de kapitaalposities van partijen inzake het stuk grond, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder wijziging of aanvulling der gronden, bij beschikking, te bepalen, in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag ad € p.m.,- aan de man toekomt en een bedrag van € p.m.,- aan de vrouw toekomt, althans zodanige bedragen als uw gerechtshof juist acht en 2. te bepalen, dat de slotbalans van de maatschap door de deskundige zodanig dient te worden gecorrigeerd inzake verkoopopbrengst in 2008 van de pluimveerechten ten bedrage van € 54.000,-, dat de verkoopopbrengst van de pluimveerechten de maatschap toekomt en niet de vrouw; 3. en te bepalen dat indien er sprake is van een fiscaal nadeel aan de zijde van de man (arbeidsvergoeding en/of pluimveerechten), dit dient te worden gecompenseerd door de vrouw op een wijze zoals uw gerechtshof gerade acht.” 4.5. De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans dit beroep af te wijzen. De vrouw heeft incidenteel appel ingesteld tegen de (eind)beschikking van 31 juli 2018. Zij heeft daarbij vier grieven aangevoerd. Haar grieven zien op ‘uitgangspunt slotbalans voor afwikkeling’ (grief 1), ‘rapport [naam 1] ’ (grief 2), ‘kostenposten’ (grief 3) en ‘vergoeding gebruik woning en bedrijfspand’ (grief 4). Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens: “I. De beschikking van 31 juli 2018, gewezen door de rechtbank Limburg, locatie Roermond, onder de zaaknummers C/03/190898/FA RK 14-1241 en C/03/207190/FA RK 15-1945 te vernietigen, voor zover deze ziet op de eindbeslissing van de rechtbank ter zake de beslissing van de rechtbank dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag ad € 156.403,00 aan de man toekomt en een bedrag van € 123.629,00 aan de vrouw toekomt, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder wijziging of aanvulling der gronden, bij beschikking te bepalen dat, in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag ad € 151.847,21 aan de vrouw toekomt en een bedrag van € 126.383,79 aan de man toekomt, althans zodanige bedragen als uw Gerechtshof juist acht en II. Te bepalen voor zoveel nodig dat de slotbalans van de deskundige zodanig dient te worden gecorrigeerd ter zake de verdeling van de opbrengst van de onroerende zaken, waarbij het taxatierapport van [naam 1] Advies als grondslag wordt genomen; III. Te bepalen dat het bedrag in depot bij Notariskantoor [notariskantoor] , thans groot € 282.950,21, voor zover verhoogd met 0,7% rente minus kosten, dat resteert, na de door uw Gerechtshof te bepalen toedeling aan ieder van partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als onder I verzocht, tussen ieder van partijen bij helfte dient te worden verdeeld.” 4.6. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep hierna bespreken. 5De motivering van de beslissing Het deskundigenrapport (grief 1 van de vrouw) 5.1. Met grief 1 heeft de vrouw een aantal bezwaren naar voren gebracht tegen het deskundigenrapport dat door de rechtbank tot uitgangspunt is genomen voor de vaststelling van de slotbalans van de maatschap. Ter toelichting op haar grief heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij geen nieuw deskundigenrapport wenst en dat haar grief is bedoeld als inleiding op haar andere grieven waarin haar bezwaren tegen het deskundigenrapport besloten liggen. Aldus heeft deze grief naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze daarom geen afzonderlijke bespreking behoeft. De arbeidsvergoeding (grief 1 van de man) 5.2.1. De rechtbank heeft in de beschikking van 18 november 2015 (in rov. 2.3.16.) het volgende overwogen: “Nu de man zonder enige vorm van overleg en zonder dat er in de maatschapsovereenkomst enige grondslag voor bestond zichzelf een arbeidsvergoeding heeft toegekend is de rechtbank van oordeel dat de man hiermee in strijd heeft gehandeld met de aard en strekking van diezelfde maatschapsovereenkomst en dat er derhalve reden is voor een correctie ter hoogte van een bedrag van de aan man toegekende arbeidsvergoeding. Dit betekent dat de door de man toegekende arbeidsvergoeding van € 12.500,- en vier maal € 50.000,- dient te worden gecorrigeerd in de slotbalans.” Hiertegen keert zich grief 1 van de man. Ter toelichting op zijn grief voert de man – samengevat – het volgende aan. Uit diverse artikelen van de maatschapsovereenkomst (en de aanvulling daarop) blijkt dat de aard en de strekking van die overeenkomst is, dat, indien en voor zover een maat extra arbeid ten behoeve van de maatschap verricht wegens het wegvallen van de andere maat (wegens werkzaamheden buiten de maatschap of arbeidsongeschiktheid), die maat een vergoeding voor deze extra werkzaamheden dient te ontvangen. De vrouw is vanaf het jaar 2007 werkzaamheden buiten de maatschap gaan verrichten met behoud van het recht op haar winstaandeel. Ingevolge art. 7 lid 4 van de maatschapsovereenkomst heeft de man dan recht op een billijke vergoeding voor de extra door hem uit te voeren werkzaamheden. Dat over de vergoeding tussen partijen geen overleg heeft plaatsgevonden, zoals de vrouw stelt, is onjuist. Reeds in de jaarstukken over 2007 is door partijen overeengekomen dat de man vanaf 1 oktober 2007 voor de extra verrichte werkzaamheden een arbeidsvergoeding zou ontvangen van € 12.500,-- per kwartaal. Op basis daarvan is vervolgens de winst tussen partijen verdeeld en in de aangifte IB/PVV 2007 verantwoord/verwerkt. Op dezelfde wijze hebben partijen hun aangiften IB/PVV over de belastingjaren 2008 tot en met 2011 verzorgd. Uit het feit dat de vrouw nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen die aangiftes mag worden afgeleid dat partijen overeenstemming hadden over de wijze waarop de winst tussen hen werd verdeeld. Maar ook indien er geen overleg tussen partijen zou hebben plaatsgevonden, kan het niet zo zijn dat de man geen vergoeding voor zijn extra werkzaamheden in de maatschap zou mogen ontvangen. Die vergoeding is op zijn plaats en niet meer dan redelijk en billijk omdat hij al het werk feitelijk alleen deed. Dat de vrouw nu opkomt tegen de arbeidsvergoeding is bovendien te laat. Uit art. 4 lid 3 van de maatschapsovereenkomst volgt dat ondertekening van de balans en winst- en verliesrekening door de vennoten geacht wordt te hebben plaatsgevonden indien niet binnen een maand nadat de deskundige een afschrift van de jaarstukken aan de vennoten heeft toegezonden, een van de vennoten aan de ander zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt. De aan de aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2011 ten grondslag liggende jaarstukken over de jaren 2007 tot en met 2011 staan daarmee vast. Indien het hof van oordeel is dat aan de man geen arbeidsvergoeding toekomt over de jaren 2007 tot en met 2011, dan verzoekt de man te bepalen dat de vrouw hem het fiscale nadeel dat hij door de correctie heeft geleden, moet vergoeden. 5.2.2. De vrouw voert daartegen het volgende aan. De slotbalans is terecht gecorrigeerd door het schrappen van de arbeidsvergoeding als kostenpost. Gezien de aard en de strekking van de maatschapsovereenkomst is het niet de bedoeling van partijen geweest dat één van de vennoten zonder enige vorm van overleg, laat staan overeenstemming hierover, zichzelf een dergelijke vergoeding toekent. Zeker niet in het licht van de omstandigheden waaronder de door de man extra verrichte arbeid heeft plaatsgevonden, te weten de escalatie tussen partijen in 2007 en het feit dat de vrouw daarna in het bedrijf is blijven meewerken (tot de man haar in 2010 de toegang tot het bedrijf had ontzegd en de sloten had vervangen), de voorgenomen echtscheiding en voortzetting van de onderneming door de man. Door partijen is ook nimmer over een arbeidsvergoeding gesproken. Toen zij in de jaren 1990 tot 2000 nagenoeg alleen de werkzaamheden voor het bedrijf verrichte, terwijl de man fulltime in loondienst werkte, heeft zij ook nooit een arbeidsvergoeding ontvangen. Over de arbeidsvergoeding c.q. de wijze van winstverdeling was geen enkele overeenstemming tussen partijen. De jaarstukken zijn nimmer door de vrouw geaccordeerd; het betrof concept-jaarstukken. Zij beschikte niet over de onderliggende administratie om de in opdracht van de man opgestelde jaarstukken überhaupt te kunnen (laten) controleren. Anders dan de man stelt, hebben partijen niet samen hun aangiften IB/PVV laten verzorgen over de jaren 2008 tot en met 2011. In overleg met de belastingdienst heeft de vrouw vanaf 2007 in haar aangiften IB/PVV geen opgave van winst gedaan, juist omdat er geen geaccordeerde stukken waren. De vergoeding die de man aan zichzelf heeft toegekend, staat in geen enkele verhouding tot de extra verrichte werkzaamheden noch tot het resultaat van de onderneming en is dus verre van billijk. Het subsidiaire verzoek van de man dient te worden afgewezen. De man heeft geen fiscaal nadeel geleden ten gevolge van de correctie op de slotbalans, althans dat heeft hij niet aangetoond en bovendien kan hij de belastingdienst om een ambtshalve correctie verzoeken. Daarbij komt dat de man zelf debet is aan zijn vermeende fiscaal nadeel, nu hij zonder overleg of haar medewerking de jaarstukken heeft laten opstellen, waarop hij zijn aangifte IB/PVV heeft gebaseerd. Een eventueel fiscaal nadeel dient daarom voor zijn rekening en risico te blijven. 5.2.3. Het hof overweegt als volgt. Voor het geschil tussen partijen gaat het om de uitleg van art. 7 lid 4 van de maatschapsovereenkomst. Beoordeling van de vraag welke uitleg aan de tussen partijen gemaakte afspraken in de maatschapsovereenkomst moet worden gegeven, dient plaats te vinden met toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158): “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.” Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427). In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in de maatschapsovereenkomst is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315). Dat de man sedert 2007 extra arbeid voor de maatschap heeft verricht, is tussen partijen niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de man daarvoor terecht een vergoeding heeft ontvangen. Partijen zijn in art. 7 lid 4 van de maatschapsovereenkomst een regeling overeengekomen met betrekking tot de vergoeding voor extra arbeid die een vennoot ten behoeve van de maatschap verricht. Voor die extra arbeid ontvangen de vennoten “een in onderling overleg tussen de vennoten naar billijkheid te bepalen vergoeding”. Naar het oordeel van het hof moesten partijen redelijkerwijze aan deze bepaling de betekenis toekennen dat een arbeidsvergoeding, in enige vorm van onderling overleg, naar billijkheid moest worden vastgesteld. Het hof volgt de man niet in zijn betoog dat de overeenstemming tussen partijen (het “onderling overleg”) over de vergoeding voor zijn extra arbeid dááruit blijkt dat de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt tegen de jaarstukken en de aangiftes. Immers “onderling overleg” laat zich niet afleiden uit enkel een stilzwijgend instemmen met de jaarstukken of aangiftes, waarvan de vrouw bovendien heeft betwist dat zij die heeft gezien. Nu de man overigens niets heeft gesteld waaruit een “onderling overleg” tussen partijen blijkt, is niet vast komen staan dat partijen in onderling overleg een arbeidsvergoeding voor de man hebben bepaald. Dat partijen niettemin redelijkerwijze aan art. 7 lid 4 de betekenis moesten toekennen dat de man een arbeidsvergoeding toekomt, is het hof niet gebleken. Partijen hebben niets aangevoerd over concrete verklaringen en gedragingen voorafgaand aan het ondertekenen van de maatschapsovereenkomst. Voor zover de man heeft gesteld dat het niet meer dan redelijk en billijk is dat hij betaald krijgt voor de extra werkzaamheden die hij voor het bedrijf verricht, heeft de vrouw daartegenover juist betoogd dat, gezien de omstandigheden in de aanloop naar de echtscheiding, een arbeidsvergoeding voor de man strijdig is met de redelijkheid en billijkheid. Voorts heeft zij onweersproken aangevoerd dat zij in de (tien) jaren dat zij van haar kant nagenoeg alleen de werkzaamheden voor het bedrijf verrichtte, nimmer een vergoeding overeenkomstig art. 7 lid 4 heeft ontvangen. Evenmin is gebleken dat de vrouw daarop aanspraak heeft gemaakt met een beroep op art. 7 lid 4. De man heeft nagelaten duidelijk te maken waarom hem dan wel, zonder onderling overleg daarover, een vergoeding op grond van art. 7 lid 4 zou toekomen. Gezien het voorgaande komt het hof niet toe aan beoordeling van de hoogte van de arbeidsvergoeding. De stelling van de man dat de vrouw te laat opkomt tegen de arbeidsvergoeding vanwege art. 4 lid 3 van de maatschapsovereenkomst gaat niet op, omdat daarmee voorbij wordt gegaan aan het vereiste dat een arbeidsvergoeding in onderling overleg moet worden bepaald. Waarom art. 4 lid 3 een zo ruime strekking heeft dat aan dit vereiste voorbij kan worden gegaan, heeft de man nagelaten duidelijk te maken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 1 van de man faalt. Het hof zal zijn verzoek afwijzen. 5.2.4. Ook het subsidiaire verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan hem dient te vergoeden het fiscale nadeel dat hij door de correctie van de arbeidsvergoeding op de slotbalans heeft geleden, zal het hof afwijzen, nu hij dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De man laat na duidelijk te maken waarin zijn fiscale nadeel bestaat en hoe groot dit nadeel is, terwijl stukken die zijn stelling zouden moeten staven, ontbreken. De man heeft ook nagelaten te responderen op het verweer van de vrouw dat hij de belastingdienst om een correctie kan vragen. Ten slotte is de beweerde schade niet veroorzaakt door de vrouw, maar door het eigenmachtig optreden van de man, waarvoor het hof kortheidshalve verwijst naar hetgeen het hiervóór heeft overwogen. De pluimveerechten (grief 2 van de man) 5.3.1. De rechtbank heeft in de (tussen)beschikking van 24 april 2017 overwogen dat zij haar in de (tussen)beschikking van 18 november 2015 genomen beslissing dat ten aanzien van de pluimveerechten er geen correctie hoeft plaats te vinden in de slotbalans, zal heroverwegen. Het hof begrijpt hieruit dat de rechtbank heeft geoordeeld dat er ten aanzien van de pluimveerechten wel een correctie in de slotbalans dient te plaats te vinden. 5.3.2. Grief 2 van de man houdt, samengevat, in dat de rechtbank ten onrechte de slotbalans van de maatschap heeft gecorrigeerd ter zake van de pluimveerechten. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. Uit de tekst van art. 5 lid 1 sub b van de maatschapsovereenkomst blijkt dat de vrouw zowel de volle eigendom van de onroerende zaken als de productierechten in de maatschap heeft ingebracht. Het was de bedoeling van partijen, en zo blijkt ook uit de redactie van de maatschapsovereenkomst, dat de onroerende zaken en productierechten zo volledig mogelijk ter beschikking zouden komen van de maatschap en ook voor rekening van de maatschap. Partijen zijn uitdrukkelijk niet het tegendeel van inbreng in (economische) eigendom overeengekomen. Dit blijkt daaruit dat de vrouw overeenkomstig art. 5 lid 4 voor de waarde van de door haar ingebrachte productierechten is gecrediteerd en uit het feit dat de productierechten in de jaarstukken zijn opgenomen. De slotbalans dient dan ook op dit punt te worden gecorrigeerd. Indien het hof van oordeel is dat de man geen aanspraak kan maken op de verkoopopbrengst van de pluimveerechten en uit dien hoofde geen correctie op de slotbalans dient plaats te vinden, dan verzoekt de man te bepalen dat de vrouw hem het fiscale nadeel dat hij door het uitblijven van de correctie heeft geleden, dient te vergoeden. 5.3.3. De vrouw heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Bij het aangaan van de maatschap zijn overeenkomstig art. 5 lid 1 sub b enkel het gebruik en genot van de onroerende zaken en productierechten (die in 1987 van overheidswege zijn omgezet naar mestproductierechten en in 2001 naar pluimveerechten) ingebracht. Bewust is niet gekozen voor een inbreng van de volle of economische eigendom overeenkomstig art. 5 lid 1 sub a. Dat met de inbreng overeenkomstig art. 5 lid 1 sub b de inbreng van het zuiver genot wordt bedoeld en niet de economische eigendom, kan ook nog daaruit worden afgeleid dat deze discussie ter zake van de woning niet speelt (terwijl die ook krachtens lid 1 sub b is ingebracht) en uit het feit dat de productierechten ontbreken in de jaarstukken. Voor zover in de jaarstukken wel melding van de productierechten wordt gemaakt, betreft dit, anders dan de man stelt, enkel de mededeling dat de maatschap gebruik maakt van de aldaar genoemde hoeveelheid (niet de waarde) productierechten. Ten aanzien van de jaarstukken over het gebroken boekjaar 1 januari tot en met 30 september 2007 waarin wel een waarde van de pluimveerechten is opgenomen, geldt dat deze uitgelegd dienen te worden binnen de context dat de man het bedrijf zou overnemen. De man zou dan wel voor de productierechten moeten betalen. Deze situatie is echter geen werkelijkheid geworden. De waarde van de productierechten is niet opgenomen in de balans van de maatschap en die behoort dus ook niet tot het bedrijfsvermogen van de maatschap. In tegenstelling tot hetgeen de man stelt, is de vrouw ook nimmer gecrediteerd voor de inbreng van de productierechten. Partijen noch de maatschap hebben pluimveerechten bijgekocht. In 2008 zijn er wel productierechten verkocht. De verkoopopbrengst daarvan is alleen aan de vrouw toegerekend. Het is nimmer de bedoeling van partijen, althans van haar geweest om de volle en/of economische eigendom van de productierechten (en het onroerend goed) in de maatschap in te brengen. Het subsidiaire verzoek van de man dient te worden afgewezen. Het zou in strijd zijn met de eisen van de redelijkheid en billijkheid, om de vrouw het vermeende fiscaal nadeel, dat de man in het geheel niet heeft onderbouwd, te laten compenseren. 5.3.4. Het hof overweegt als volgt. Artikel 5 van de maatschapsovereenkomst is een regeling met betrekking tot de inbreng in de maatschap. Daarin is een onderscheid gemaakt tussen de inbreng van “de juridische eigendom” (lid 1 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.