GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Parketnummer : 20-002345-18 Uitspraak : 4 september 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 2 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-820929-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedatum in het jaar] 1989, wonende te [woonadres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als ‘witwassen’ en de verdachte deswege strafbaar verklaard. Door de politierechter is vervolgens bepaald dat aan de verdachte geen straf wordt opgelegd. Voorts heeft de politierechter een personenauto van het merk Mercedes verbeurd verklaard. Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit en betoogd dat de teruggave aan de verdachte dient te worden gelast van de inbeslaggenomen personenauto. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een Mercedes, type C-klasse, voorzien van een tijdelijke Duitse exportplaat [kenteken] , althans een goed, de herkomst en/of vindplaats en/of de verplaatsing en/of de rechthebbende, heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of voornoemd(e) voorwerp(en), althans goed, voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp, althans goed, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. Allereerst heeft de verdediging betoogd dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, die moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de eerste door de verdachte gegeven verklaring en van het aantreffen en de inbeslagneming van de Mercedes in de garagebox. De verdachte is op 12 juli 2016 geconfronteerd met een bedrijfscontrole door de Belastingdienst. De politie was slechts ter plaatse aanwezig om de veiligheid van de controlerende belastingambtenaren te garanderen. Verbalisant [verbalisant] had derhalve geen bevoegdheid om de garagebox te betreden en daarin zoekend rond te kijken. Naar aanleiding van hetgeen verbalisant [verbalisant] daar zag, heeft zij vragen gesteld aan de verdachte over de herkomst van de Mercedes. De verdediging is de mening toegedaan dat vanaf dat moment al een redelijk vermoeden bestond dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan enig strafbaar feit, om welke reden hem de cautie had moeten worden gegeven. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de Mercedes. De verdachte heeft deze auto, die uit Duitsland kwam, via een tussenhandelaar gekocht. De financiering daarvan was mogelijk door de eerdere verkoop van auto’s (grotendeels afkomstig van de door verdachte gestaakte autoverhuuronderneming) en uitgekeerde verzekeringsgelden. In het kader van de genoemde verkoop zijn door de raadsvrouw hangende het hoger beroep ter adstructie de nodige facturen in het geding gebracht. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier is naar voren gekomen dat op 12 juli 2016 in de gemeente Tilburg een integrale controle heeft plaatsgevonden van de in die gemeente gevestigde autoverhuurbedrijven. Daarbij is ook het (naar later bleek: slapende) autoverhuurbedrijf van de verdachte, [autoverhuurbedrijf] V.O.F., gecontroleerd. De controle was een gezamenlijke actie van de gemeente Tilburg, de Belastingdienst en de douane. De door de ambtenaren bij deze controle verrichte onderzoekshandelingen dienen te worden aangemerkt als hen op grond van de Woningwet respectievelijk de Algemene wet inzake rijksbelastingen toekomende toezichts- c.q. controlehandelingen en niet als opsporingshandelingen. De politie was, op grond van de in de Politiewet 2012 vervatte algemene politietaak, uitsluitend ter plaatse om de veiligheid van de bij deze controle betrokken ambtenaren te waarborgen. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, was verbalisant [verbalisant] derhalve rechtmatig in de garagebox aanwezig, nog daargelaten dat de verdachte ten overstaan van het hof heeft verklaard dat hij de aanwezigen – de politie daaronder begrepen – desgevraagd uitdrukkelijk toestemming heeft verleend om in zijn garagebox te kijken. Van enig vormverzuim in dit verband is naar het oordeel van het hof derhalve geen sprake. Verbalisant [verbalisant] heeft nadat zij de garagebox was binnengetreden waargenomen dat daarin een luxe zwarte Mercedes C-klasse AMG personenauto stond en een groot aantal auto-onderdelen lagen. De controlerend ambtenaren van de Belastingdienst en de gemeente vroegen de verdachte van wie dit voertuig was. De verdachte verklaarde daarop dit niet te weten, terwijl het voertuig volgens hem pas enkele uren in zijn garage stond. Verbalisant [verbalisant] heeft de verdachte vervolgens gevraagd of de auto-onderdelen van hem waren, hetgeen hij bevestigde. Op een nadere vraag of de verdachte meer kon vertellen over de zwarte Mercedes kon de verdachte niet zeggen wie de eigenaar van het voertuig was. In het kader van de waarheidsvinding is de auto vervolgens door de politie in beslag genomen. Pas nadien, op 25 juli 2016, is uit nader onderzoek gebleken dat één van de auto-onderdelen, te weten een portier, van diefstal afkomstig bleek te zijn. Naar aanleiding hiervan, alsook omwille van het feit dat uit nader politieel onderzoek naar voren was gekomen dat de verdachte een rol zou hebben gespeeld bij verschillende auto-importbedrijven, dat de herkomst van de financiering van een aantal zeer luxe auto’s daarbij onduidelijk was en gelet op de strafrechtelijke antecedenten van de verdachte, rees pas het vermoeden dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van voornoemde Mercedes. Het hof stelt op grond van het vorenoverwogene vast dat op het moment van de controle op 12 juli 2016 nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve hoefde verbalisant [verbalisant] de verdachte toen nog niet de cautie te geven. Aldus faalt in zoverre het tot vrijspraak strekkende verweer. De vervolgvraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de personenauto van het merk Mercedes. In dat verband overweegt het hof als volgt. Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval de onder de verdachte inbeslaggenomen Mercedes – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de aangetroffen Mercedes en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat deze personenauto uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de Mercedes uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de Mercedes. De in het proces-verbaal van verdenking genoemde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof met de politierechter en de advocaat-generaal van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de Mercedes uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die personenauto. De verdachte heeft dienaangaande verklaard dat de Mercedes afkomstig was uit Duitsland. Hij had deze auto gekocht via een tussenhandelaar, te weten [tussenhandelaar] B.V. te Tilburg, op 4 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.