GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team handelsrecht zaaknummer 200.266.361/01 arrest van 29 september 2020 in de zaak van [appellant] ,wonende te [woonplaats] , appellant,hierna “ [appellant] ”,advocaat: mr. A. Kara te Maastricht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna “ [geïntimeerde] ”,advocaat: mr. S.G. Ong te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 16 augustus 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 juni 2019, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/333899 / HA ZA 18-310) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, de rolbeslissing van 15 augustus 2018 en de vonnissen van 19 september 2018 en 3 oktober 2018. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, tevens wijziging/vermeerdering van eis in reconventie, met producties; de memorie van antwoord, met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis een weergave van de feiten opgenomen. Partijen hebben in hoger beroep geen (voldoende kenbare) grieven gericht tegen deze weergave. Het hof gaat uit van deze weergave. “2.1. [appellant] exploiteerde met zijn vennoot [vennoot van appellant] ‘ [bedrijf] ’ aan de [straatnaam] in [plaats] . Begin 2013 raakten zij in een juridische strijd verwikkeld, waarin op 19 juni 2013 een regeling werd getroffen. Als gevolg van die regeling moet [appellant] een bedrag van € 105.000,00 betalen aan zijn voormalig vennoot. De tweede termijn van € 50.000,00 moest uiterlijk op 1 oktober 2013 betaald worden. 2.2. Partijen in deze procedure hebben op 1 oktober 2013 de hieronder weergegeven overeenkomst getekend (hierna: de overeenkomst). 2.3. [geïntimeerde] heeft op 1 oktober 2013, vanaf een bankrekening op naam van [de vennootschap 1] - waarvan [geïntimeerde] bestuurder en (enig) aandeelhouder is - een bedrag van € 30.000,00 overgemaakt aan [appellant] , op een bankrekening die op naam staat van de eenmanszaak [bedrijf] , met als omschrijving “LENING, [appellant] ”. 2.4. [appellant] heeft de lening niet terugbetaald. 2.5. [appellant] had een huurovereenkomst met [betrokkene 1] voor de panden aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Daarin exploiteerden naast [appellant] ook derden bedrijven. [appellant] heeft deze derden bewogen hun bedrijf daar te staken. 2.6. De huurovereenkomst voor de panden aan de [straatnaam] is niet overgenomen, noch de huurschuld van [appellant] . 2.7. [appellant] heeft geen aandelen ontvangen in een door [geïntimeerde] en zijn partners opgerichte besloten vennootschap. 2.8. [geïntimeerde] en [compagnon geintimeerde] hebben in 2014 aan de [adres 3] een supermarkt geopend, geëxploiteerd door [de vennootschap 2] ” 3.2. De vorderingen en grondslagen waren in eerste aanleg als volgt (zoals weergegeven in het bestreden vonnis). “ in conventie 3.1. [geïntimeerde] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] tot betaling van € 64.006,50, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [geïntimeerde] legt daaraan ten grondslag dat hij op basis van de overeenkomst, welke kwalificeert als een overeenkomst van geldlening, een vordering in hoofdsom van € 30.0000,00 heeft op [appellant] , waarover sinds 1 oktober 2013 25% rente verschuldigd is, zodat tot 13 april 2018 een totaalbedrag aan rente is vervallen van € 34.006,50. 3.3. [appellant] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. (…) in (voorwaardelijke) reconventie 3.5. [appellant] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] (in privé) tot stand is gekomen, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en/of jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de door [appellant] als gevolg daarvan geleden schade nader op te maken bij staat. 3.6. [appellant] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [geïntimeerde] de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen van zijn zijde niet is nagekomen en dat nakoming ook blijvend onmogelijk is, als gevolg waarvan [appellant] vernietiging of ontbinding van de overeenkomst tussen partijen kan vorderen. [appellant] heeft als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen schade geleden, nu zijn huurschulden niet zijn overgenomen, hij geen aandelen heeft ontvangen in een B.V. en hij de exploitatie van de ondernemingen in de panden die hij huurde heeft doen staken waarbij hij ook [betrokkene 2] heeft moeten uitkopen. Als gevolg van deze gehele situatie is hij failliet verklaard en heeft hij verdere schade geleden. Vanwege de complexiteit van dit alles moet de schade in een aparte procedure worden begroot. De verplichting van [appellant] om het geleende bedrag terug te betalen is onlosmakelijk verbonden met de verplichtingen van [geïntimeerde] . 3.7. [geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.” 3.3. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis in conventie [appellant] veroordeeld - € 30.000,00 aan [geïntimeerde] te betalen (hoofdsom), met de contractuele rente van 25% vanaf 1 oktober 2013 tot 1 oktober 2014 en de wettelijke rente daarna tot de dag van algehele voldoening, - € 1.300,75 aan [geïntimeerde] te betalen (buitengerechtelijke kosten), met de wettelijke rente vanaf 28 april 2018 tot de dag van algehele voldoening, - in de proceskosten (inclusief de nakosten), en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis in reconventie het gevorderde afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 3.4. [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. De grieven betreffen de betwisting door [appellant] van een deel van de gestelde geldlening (€ 5.000,00; grief I), zijn beroep op opschorting en ontbinding, zijn betwisting van de contractuele rente en zijn vordering tot schadevergoeding (grieven II, III en IV) en de buitengerechtelijke kosten (grief V). [appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis (voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen), tot afwijzing van die vorderingen, tot veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling met rente van alles wat [appellant] ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan, en tot toewijzing van zijn vermeerderde vorderingen. De vermeerderde vorderingen van [appellant] strekken ertoe: - voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en/of onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor [appellant] schade heeft geleden, - [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat, - de overeenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. 3.5. [geïntimeerde] heeft niet (incidenteel) geappelleerd. Dit betekent dat de vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep niet aan de orde is voor zover de rechtbank deze vordering heeft afgewezen. 3.6. Het hof beoordeelt de grieven II tot en met IV gezamenlijk. 3.7. Het standpunt van [appellant] in de toelichting op deze grieven komt er in de eerste plaats op neer dat de geldlening onlosmakelijk onderdeel is van een groter samenstel van afspraken: - indeplaatsstelling, - overname huurschuld, - overdracht aandelen, - pandrecht, - afspraken [appellant] /partners (uitkopen), - geldlening met terugbetalingstermijn,- contractuele rente. [appellant] stelt verder dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van deze afspraken (vooral door de indeplaatsstelling niet te regelen), dat [appellant] daardoor schade lijdt en dat [geïntimeerde] die schade moet vergoeden. [appellant] beroept zich op opschorting en ontbinding en zal zich, naar het hof begrijpt, beroepen op verrekening (van zijn vordering tot schadevergoeding met de vordering van [geïntimeerde] uit de geldlening). Het verwijt van [appellant] aan [geïntimeerde] spitst zich vooral toe op de indeplaatsstelling. [appellant] gaat er namelijk terecht van uit dat de wezenlijke overige afspraken (overname huurschuld, oprichting vennootschap, overdracht aandelen) voortbouwen op de indeplaatsstelling. 3.8. [geïntimeerde] voert in dit verband aan dat hij niet gehouden was de indeplaatsstelling te regelen en dat hij (onder de omstandigheden) ook voor het overige geen verbintenissen had (anders dan overleg te goeder trouw met de eigenaresse van het pand, welk overleg hij ook heeft gevoerd). 3.9. Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn standpunt over de indeplaatsstelling en de gestelde tekortkoming van [geïntimeerde] , tegenover de betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende heeft onderbouwd aan de hand van concrete feiten. 3.10. Het hof stelt voorop dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof neemt in de eerste plaats in aanmerking dat de overeenkomst geen steun biedt voor het standpunt van [appellant] . In de overeenkomst onder 1 staat “uiteraard indien en voor zover” de verhuurder akkoord gaat. Dat gaat over de indeplaatsstelling. Uit deze tekst heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs mogen afleiden dat hij niet gebonden zou zijn aan de (verplichtingen uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.