GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 18/00649 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 oktober 2018, nummer BRE 16/2633 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 juli 2015 een brief doen toekomen, waarin is vermeld dat een naheffingsaanslag wordt opgelegd en dat belastingrente in rekening wordt gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De zaak is gelijk na ontvangst van het verweerschrift in handen gesteld van de geheimhoudingskamer. 1.7. Belanghebbende heeft gereageerd op het verweerschrift van de inspecteur. 1.8. De inspecteur heeft gereageerd op het in 1.7 bedoelde geschrift van belanghebbende. 1.9. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.10. Belanghebbende heeft met dagtekening 6 juni 2019 en 2 juli 2019 stukken ingediend. 1.11. Op 20 augustus 2019 heeft de geheimhoudingskamer de zaak verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt en het procesdossier in handen gesteld van die kamer. De geheimhoudingskamer heeft met instemming van partijen geen tussenuitspraak gedaan; belanghebbende heeft op de voet van artikel 8:29, lid 5, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toestemming verleend aan het hof om kennis te nemen van de ongeschoonde versies van desbetreffende stukken terwijl zij alleen kennis kan nemen van de geschoonde versies. 1.12. Belanghebbende heeft met dagtekening 28 augustus 2019, 7 november 2019, 15 mei 2020 en 20 mei 2020 stukken ingediend. 1.13. De zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.14. De inspecteur en belanghebbende hebben tijdens de zitting achtereenvolgens een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.15. Aan het einde van de zitting heeft het hof het onderzoek gesloten. 1.16. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten 2.1. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de opslag en distributie van gekoelde en bevroren (accijns)goederen voor rekening en onder eigendom van derden. Zij beschikt in Nederland over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP). 2.2. Volgens het Excise Movement and Control System (hierna: EMCS) heeft belanghebbende in oktober en november 2013 dertien maal een elektronisch administratief document (hierna: e-AD) ingediend voor de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns vanuit haar AGP naar [D] , [adres 1] te [plaats 1] Italië (hierna: [D] ). Het betreft de volgende zendingen (hierna: de 13 zendingen): Administratieve referentie code (ARC) Status Indiening e-AD Vertrekdatum Voltooiing e-AD [nummer 1] Afgeleverd 23-10-2013 16:04 23-10-2013 24-10-2013 08:50 [nummer 2] Afgeleverd 04-11-2013 16:20 04-11-2013 05-11-2013 13:03 [nummer 3] Afgeleverd 06-11-2013 07:44 06-11-2013 07-11-2013 07:26 [nummer 4] Afgeleverd 08-11-2013 16:31 08-11-2013 09-11-2013 11:47 [nummer 5] Afgeleverd 08-11-2013 17:00 08-11-2013 09-11-2013 11:47 [nummer 6] Afgeleverd 15-11-2013 12:00 15-11-2013 16-11-2013 12:31 [nummer 7] Afgeleverd 15-11-2013 16:14 15-11-2013 18-11-2013 06:28 [nummer 8] Afgeleverd 15-11-2013 17:03 15-11-2013 18-11-2013 06:28 [nummer 9] Afgeleverd 19-11-2013 10:59 19-11-2013 21-11-2013 07:24 [nummer 10] Afgeleverd 20-11-2013 12:52 20-11-2013 21-11-2013 14:10 [nummer 11] Afgeleverd 25-11-2013 09:52 25-11-2013 26-11-2013 10:01 [nummer 12] Afgeleverd 25-11-2013 10:07 25-11-2013 26-11-2013 10:01 [nummer 13] Afgeleverd 27-11-2013 15:50 27-11-2013 28-11-2013 09:16 Op de e-AD’s heeft belanghebbende een standaard reistijd van vijf of zeven dagen ingevuld. 2.3. De Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (hierna: FIOD) is een strafrechtelijk onderzoek bij belanghebbende gestart onder de naam ‘ [onderzoek] ’ (dossiernummer [dossiernummer] ) met betrekking tot onder meer een vermoedelijke fraude met alcoholhoudende dranken, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns (hierna: WA) in de accijnsheffing zijn betrokken. 2.4. Op 2 mei 2014 heeft het Functioneel Parket een rechtshulpverzoek gezonden aan de bevoegde autoriteiten en onder meer gevraagd of de 13 zendingen daadwerkelijk zijn afgeleverd bij [D] . Onder meer is verzocht de volgende informatie te verstrekken: “ Kunt u onderzoeken of dat de in de bijgevoegde twee overzichten genoemde 21 zendingen met alcoholhoudende drank daadwerkelijk zijn afgeleverd bij de twee ontvanger/AGP vergunninghouders in [plaats 1] Italië? Of er fysieke controles hebben plaatsgevonden bij de twee ontvanger/AGP vergunninghouders met betrekking tot de betreffende goederenzendingen. Zo ja. wat de resultaten van deze controles waren. Afschriften van bescheiden waaruit blijkt dat de goederen hun aangegeven bestemming hebben gevolgd. Informatie over de verdere bestemming van de goederen.” 2.5. De Italiaanse autoriteiten hebben op 21 oktober 2014 gereageerd op het rechtshulpverzoek. In de reactie, die is vertaald, is onder meer het volgende vermeld: “6. Aangaande de eenmanszaak [ [D] ] (…) moet men zich het volgende voorstellen: (…) c. op 05/04/2014 had deze een huurcontract gesloten (…) voor de verhuur van een ambachtelijk pand gelegen te [plaats 1] , [adres 1] met een jaarlijkse huur van € 16.200,00 (…); (…) i. op 13/09/2013 had deze de fiscale licentie verkregen voor de opslag in het groot van producten die onderworpen zijn aan accijns (…); j. op 16/09/2013 had deze de autorisatie [cijfer] verkregen om gebruik te maken van de telematische douanedienst (…). 7. In de loop van de maand oktober 2013 werd een observatie- en controleactiviteit in stelling gebracht bij de loods van de zaak vanwaar men de effectieve aankomst in het fiscaal depot van de koopwaar zoals aangegeven in de e-AD kon constateren. Gedurende genoemde activiteit, die werd verricht op de volgende dagen en op de volgende tijdstippen: a. 14/10/2013: van 07:00 uur tot 21:00 uur; b. 15/10/2013: van 07:00 uur tot 21:00 uur; c. 16/10/2013: van 08:00 uur tot 18:00 uur, werden geen aankomsten van voertuigen vermeld, terwijl in het informatiesysteem van de douane de volgende boodschappen van “voltooid” verstuurd bleken te zijn: a. 15/10/2013, 12:39: 32 zendingen; b. 15/10/2013, 17 43: 7 zendingen; c. 15/10/2013, 18:30: 38 zendingen; d. 16/10/2013, 11:30: 25 zendingen; e. 16/10/2013, 17:22: 32 zendingen. (…) 9. Na afgewacht te hebben dat hij volstrekt niet betrokken was bij de zendingen, verkreeg men op 28/11/2013 toegang tot de loods van de zaak, die volledig leeg werd aangetroffen. (…) Binnen het depot, in de zaal die was ingericht als kantoor, bleek een plek te zijn ingericht met een pc die verbonden was met het internet door middel van een modem. (…) 10. Uit de afluisterpraktijken die tegelijkertijd werden verricht kon worden opgemaakt dat de telematische procedures van “voltooiing” van de zendingen die bestemd waren voor de [D] (…) werden verzorgd door [F] (…) vanuit een plek gesitueerd in Oekraïne (…). 12. Ter afsluiting van de onderzoeken heeft men vastgesteld dat de [D] (…) “ten onrechte” 15 zendingen heeft voltooid die afkomstig waren van [belanghebbende] (…)”. 2.6. Bij ongedateerde brief heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag accijns op te leggen met betrekking tot de 13 zendingen. De inspecteur heeft belanghebbende vervolgens in de gelegenheid gesteld om voor 5 april 2015 aanvullende bescheiden of andere informatie over te leggen en te worden gehoord. De gemachtigde van belanghebbende heeft op deze brief gereageerd met de brief met dagtekening 10 april 2015. 2.7. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 23 april 2015 meegedeeld dat het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag is gebaseerd op de stukken uit het dossier ‘ [onderzoek] ’ met kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] en kopieën van deze stukken bijgevoegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft op deze brief gereageerd met de brief met dagtekening 18 mei 2015. 2.8. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 3 juni 2015 de gelegenheid geboden te worden gehoord. De gemachtigde van belanghebbende heeft op deze brief gereageerd met de brief met dagtekening 25 juni 2015. 2.9. Op 23 juni 2015 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. 2.10. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 3 juli 2015 meegedeeld dat hij ter zake van de 13 zendingen aan [D] een naheffingsaanslag zal opleggen. 2.11. De belastingdeurwaarder heeft op 8 juli 2015 aan belanghebbende een dwangbevel met bevel tot betaling van een belastingaanslag accijns en belastingrente ten bedrage van in totaal € 988.209,26 betekend. De belastingdeurwaarder heeft een afschrift van het exploot en van het daarin vermelde dwangbevel in een gesloten envelop achtergelaten op het adres “ [adres 2] kamer 1B [postcode 2] [plaats 2] ”. In de enveloppe bevond zich ook een brief van de inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 8 juli 2015 met bijlagen (hierna: de brief van 8 juli 2015). In deze brief is onder meer het volgende vermeld: “Betreft Toelichting Naheffingsaanslag. (…) Hierbij doe ik u toekomen een naheffingsaanslag op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelasting. Deze naheffingsaanslag wordt aan u opgelegd om de volgende reden: (…) Wettelijke grondslag naheffingsaanslag accijns: (…) Op grond van artikel 52 lid 1 van de Wet op de accijns wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik. Het tijdstip van uitslag tot verbruik ligt in de periode 2013. (…) Vaststelling bedrag aan naheffing Accijns overige alcoholhoudende producten: € 933.888,26 (…) De verschuldigde rechten zijn als volgt vastgesteld (zie bijlage): Accijns op overige alcoholhoudende producten € 933.888,26 Belastingrente € 54.321,00 Totaal: € 988.209,26 (…) Bijlage verschuldigde berekening: (…) Toelichting op de naheffingsaanslag. BETALINGSTERMIJN Het bedrag is volledig dadelijk en ineens invorderbaar op grond van artikel 10, lid 1, letter b van de Invorderingswet 1990. (…) BEZWAAR Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u bezwaar maken. Stuur een brief naar: Belastingdienst/Douane Afdeling Bezwaar/Beroep [plaats 3] Postbus 3070 6401 DN Heerlen (…)”. 2.12. Belanghebbende heeft met dagtekening 16 juli 2015 bezwaar gemaakt tegen de brief van 8 juli 2015. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 17 juli 2015 ontvangen. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. 2.13. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2.14. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. In hoger beroep heeft de inspecteur een geschoonde versie van stukken uit het dossier ‘ [onderzoek] ’ met kenmerk [kenmerk 4] en [kenmerk 5] overgelegd. Belanghebbende heeft berust in het overleggen van deze geschoonde versie. 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Is de brief van 8 juli 2015 aan te merken als een naheffingsaanslag? Heeft de inspecteur voldaan aan de op hem ingevolge artikel 8:42 Awb rustende verplichting de op de zaak betrekking hebben stukken (hierna ook: 8:42-stukken) over te leggen? Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd, omdat Nederland niet heffingsbevoegd is op grond van artikel 10 Accijnsrichtlijn en/of omdat belanghebbende niet als schuldenaar kan worden aangemerkt? Heeft belanghebbende recht op vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn? Heeft belanghebbende recht op vergoeding van (werkelijke) proceskosten? Belanghebbende is van mening dat de vragen a en b ontkennend en de vragen c tot en met f bevestigend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Belanghebbende concludeert primair dat met de naheffingsaanslag niet (op de juiste wijze) aan haar bekend is gemaakt en, primair en subsidiair, tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Verder concludeert belanghebbende tot vergoeding van schade en proceskosten. 3.3. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Vooraf 4.0.1. Belanghebbende heeft verzocht de zaak mondeling te behandelen, nadat de onderzoekswensen à décharge, in het strafrechtelijke onderzoek ‘ [onderzoek] ’ zijn voltooid omdat uit die procedure kan blijken waar exact de 13 zendingen zijn aangekomen en welke lidstaat daadwerkelijk bevoegd is accijns te heffen ter zake van de 13 zendingen. 4.0.2. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden. De zaak dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld en is niet (mede) afhankelijk van de strafzaak. Ten aanzien van het geschil Vraag a: Is de brief van 8 juli 2015 aan te merken als een naheffingsaanslag? 4.1.1. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend naar aanleiding van de ontvangst van het dwangbevel met bevel tot betaling van een belastingaanslag accijns met dagtekening 8 juli 2015 en totaalbedrag van € 988.209,26, waarbij was gevoegd de brief van 8 juli 2015. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 17 juli 2015. 4.1.2. Belanghebbende heeft gesteld dat zij de naheffingsaanslag (nog) niet heeft ontvangen en dat de brief van 8 juli 2015 niet kan worden aangemerkt als de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft gesteld dat zij door de ontvangst van het dwangbevel kennis heeft genomen van de brief van 8 juli 2015. Volgens belanghebbende is de brief van 8 juli 2015 een toelichting op een door de inspecteur nog op te leggen naheffingsaanslag. De brief van 8 juli 2015 heeft niet de vorm van een aanslagbiljet en een (uit Apeldoorn afkomstig) aanslagbiljet heeft belanghebbende nooit ontvangen. Volgens belanghebbende is de gebruikelijke werkwijze bij de Douane aldus dat een uitgebreide toelichting op een naheffingsaanslag (zoals de brief van 8 juli 2015) vooraf gaat aan het aanslagbiljet dat vanuit Apeldoorn wordt verzonden. Belanghebbende heeft in dat kader verwezen naar diverse voorbeelden die haarzelf betreffen. Verder ontbreekt volgens belanghebbende het heffingstijdvak. Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag daarom niet (op de juiste wijze) aan belanghebbende bekend is gemaakt. 4.1.3. De inspecteur heeft gesteld dat de brief van 8 juli 2015 alle essentiële kenmerken van een belastingaanslag bevat en dat de naheffingsaanslag aan belanghebbende bekend is gemaakt. 4.1.4. De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. In de wet zijn geen eisen gesteld aan de vorm van een aanslagbiljet. Wel kunnen uit de wet en jurisprudentie enkele vereisten voor de rechtsgeldigheid van een belastingaanslag worden afgeleid. Zo voldoet een aanslagbiljet niet aan de vereisten voor het ontstaan van een betalingsverplichting indien de op het biljet vermelde gegevens redelijkerwijs twijfel kunnen oproepen of het aanslagbiljet is bestemd voor degene ten name van wie de aanslag is gesteld. Evenmin voldoet een aanslagbiljet aan de vereisten als geen tijdvak van heffing is vermeld. Niet in geschil is dat de brief van 8 juli 2015 juist te naam is gesteld. Verder bevat de brief van 8 juli 2015 de volgende gegevens: het belastingmiddel (accijns), een rechtsmiddelenverwijzing, een betalingstermijn, een motivering en het te betalen bedrag (€ 988.209,26 inclusief belastingrente). Ook is in de brief vermeld dat “[h]et tijdstip van uitslag tot verbruik ligt in de periode 2013”, waarmee het belanghebbende duidelijk moet zijn geweest wat het heffingstijdvak was. Uit de brief van 8 juli 2015 blijkt verder op welke wijze moet worden betaald. Daarmee is het hof van oordeel dat de brief van 8 juli 2015 alle voor een naheffingsaanslag benodigde gegevens bevat. Dat belanghebbende in andere gevallen wel een aanslagbiljet bij een gelijkaardige brief als die van 8 juli 2015 heeft ontvangen, doet daar niet aan af. 4.1.5. Belanghebbende heeft de brief van 8 juli 2015 op dezelfde datum ontvangen. Nu de inspecteur het bezwaar van belanghebbende op 17 juli 2015 heeft ontvangen, is het bezwaar in ieder geval tijdig ingediend en ontvankelijk. 4.1.6. Vraag a moet bevestigend worden beantwoord. Vraag b: Artikel 8:42 Awb 4.2.1. Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur alle 8:42-stukken heeft overgelegd, stelt het hof het volgende voorop. Tot de 8:42-stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de 8:42-stukken behoren ook stukken die weliswaar bij de primaire besluitvorming en de bezwaarbehandeling door de inspecteur geen rol hebben gespeeld, maar die pas in de loop van het beroep of hoger beroep tot zijn beschikking zijn gekomen en die een rol kunnen spelen bij de rechterlijke oordeelsvorming. Indien 8:42-stukken ter beschikking van de inspecteur komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden. Tot de 8:42-stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie) en die niet aan de inspecteur zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan. 4.2.2. Ten aanzien van de relevantie van de stukken en van de stelplicht stelt het hof het volgende voorop. Stukken zijn alleen op de zaak betrekking hebbende stukken indien die stukken voor de beoordeling van (enig rechterlijk oordeel ten aanzien van) de rechtmatigheid van de bestuurlijke besluitvorming van belang kunnen zijn. De beoordeling of de inhoud van een stuk daarvoor van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisname van die inhoud. Dat neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder zodanige kennisname kan beslissen dat een stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest). Het hof verstaat de in deze laatste twee volzinnen opgenomen rechtsregels aldus dat de rechter alleen dan zonder kennisname kan oordelen dat een stuk niet van enig belang voor de besluit- of oordeelsvorming kan zijn indien dat ook zonder die kennisname evident is. Aan de stellingname van een belanghebbende kunnen geen hoge eisen worden gesteld indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat de inspecteur heeft verzuimd stukken in het geding te brengen die voor de oordeelsvorming van belang kunnen zijn en die stukken de inspecteur ter beschikking (hebben) (ge)staan. De belanghebbende kent de inhoud van die stukken immers niet. 4.2.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur het dossier ‘ [onderzoek] ’ niet volledig heeft overgelegd. Volgens belanghebbende is het strafrechtelijk onderzoek nog altijd niet afgerond en worden er met enige regelmaat stukken aan het dossier toegevoegd. Belanghebbende heeft gesteld dat zij in bewijsnood verkeert, omdat zij niet exact weet welke stukken zich in het dossier bevinden. Volgens belanghebbende blijkt uit de wèl overgelegde stukken waarop het dossiernummer [dossiernummer] is vermeld, dat de inspecteur in ieder geval twee stukken nog over moet leggen. In de eerste plaats is dat het antwoord op het rechtshulpverzoek, waarin wordt gevraagd naar informatie over de verdere bestemming van de goederen (zie 2.4). In de tweede plaats zijn dat de (stukken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.