GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.262.767/01 arrest van 13 oktober 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. J.W.H. Kempen te Geleen, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.L.E. Marchal te Maastricht, 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , niet verschenen, 3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. A. Kara te Maastricht, 4. [geïntimeerde 4] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen, geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] , op het bij exploten van dagvaarding van 9 juli 2019 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 26 oktober 2016, 10 mei 2017, 16 augustus 2017, 24 januari 2018, 2 mei 2018, 5 december 2018, 20 februari 2019 en 10 april 2019 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/215022 / HA ZA 15-741) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met eiswijziging; het tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] verleende verstek; de memorie van grieven; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] met productie; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 3] ; de akte van [geïntimeerde 1] ; de antwoordakte van [appellant] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] in de dagvaarding. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. [geïntimeerde 1] heeft wel bezwaar gemaakt tegen de memorie van antwoord van [geïntimeerde 3] , waarbij hij stelt dat sprake is van strijd met het procesreglement. [geïntimeerde 3] heeft een nader uitstel verkregen van de rolraadsheer, terwijl geen sprake was van een eenstemmig verzoek. Appellant was weliswaar akkoord, maar de andere procespartij is niet gevraagd om instemming. Het hof stelt voorop dat een beslissing van de rolraadsheer die, gelet op de inhoud en strekking daarvan, ingrijpt in de rechten en belangen van partijen, moet worden aangemerkt als een arrest. De onderhavige beslissing van de rolraadsheer om uitstel te verlenen voor het nemen van de memorie van antwoord door [geïntimeerde 3] , moet derhalve worden aangemerkt als een incidenteel arrest. Tegen die als arrest aan te merken beslissing staat - in beginsel tegelijkertijd met het eindarrest - beroep in cassatie open. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In deze zaak gaat het, kort samengevat, over de verdeling van de nalatenschap van de vader van partijen. [appellant] stelt dat dat [geïntimeerde 1] zonder toestemming van vader of moeder, en dus onrechtmatig, bedragen heeft opgenomen en ook aan zichzelf overgemaakt. Hij stelt dat die bedragen alsnog moeten worden verdeeld onder de erfgenamen met uitsluiting van [geïntimeerde 1] . 3.2.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.2.2. Bij testament van 20 augustus 1998 (verleden voor [notaris] , notaris te Maastricht) hebben beide ouders laatstelijk over hun nalatenschap beschikt. Daarbij hebben zij beiden, haar of zijn echtgenoot en haar of zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen, met inachtneming van de voor plaatsvervulling geldende wettelijke regels, tot erfgenamen benoemd. Beide testamenten bevatten een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling (artikel 4: 1167 (oud) BW). 3.2.3. [geïntimeerde 1] heeft sinds 2002 een volmacht van de vader. 3.2.4. Op 10 september 2012 is [moeder] (hierna: moeder) overleden. Zij was op dat moment gehuwd met [vader] (hierna: vader). Vader is overleden op 5 januari 2014. [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zijn de kinderen van moeder en vader. 3.2.5. [geïntimeerde 4] (en haar afstammelingen) heeft (hebben) de nalatenschap verworpen. De andere kinderen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. 3.3.1. In de onderhavige procedure vordert [appellant] – na eiswijziging in hoger beroep – a. te vernietigen de vonnissen waarvan beroep; b. voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad vast te stellen, dat de nalatenschap van vader € 31.642,21 bedroeg, althans een door het hof ex aequo et bono vast te stellen bedrag met vaststelling dat [geïntimeerde 1] dit bedrag zich onrechtmatig heeft toegeëigend en dit bedrag dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente aan de gezamenlijke erfgenamen van vader, met uitzondering echter van [geïntimeerde 1] , die niet in dat bedrag is gerechtigd, omdat hij zonder de andere geïntimeerden als erfgenamen in de verdeling van vader te betrekken, opzettelijk dat bedrag. maar ook elk bedrag, buiten de verdeling van de nalatenschap van vader heeft gehouden en derhalve in strijd met artikel 3:194 lid 2 BW heeft gehandeld; c. dit hoger beroep betreft niet het door de Rechtbank toegewezen gedeelte van de vordering van appellant; d. vanwege de gedragingen door [geïntimeerde 1] bij de verdeling van de nalatenschap van vader wordt uitdrukkelijk diens veroordeling in de proceskosten van beide instanties gevorderd. 3.3.2. Aan deze vordering heeft [appellant] samengevat het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde 1] heeft ten onrechte bedragen aan zichzelf toegekend en heeft daarmee onrechtmatig gehandeld of er is sprake van misbruik van omstandigheden. 3.3.3. [geïntimeerde 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. [geïntimeerde 3] heeft aangesloten bij de eis van [appellant] in diens dagvaarding in hoger beroep. 3.3.4. In eerste aanleg heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Daarna heeft de rechtbank drie tussenvonnissen gewezen, zodat partijen zich konden uitlaten over onder andere het volgende: is de nalatenschap door alle erfgenamen aanvaard (en zo ja, hoe), is de vereffening voltooid, wat is het saldi van bankrekeningen op de peildatum (tijdstip onmiddellijk na overlijden vader) en op welke datum is de vader opgenomen op de gesloten afdeling van het zorgcentrum. Verder is gevraagd om het overleggen van een verklaring van erfrecht en diende de eiswijzing te worden betekend aan de niet verschenen [geïntimeerde 2] . 3.3.5. In het tussenvonnis van 24 januari 2018 heeft de rechtbank [appellant] toegelaten tot het bewijs: - dat de ouders vanaf het moment waarop de eerste opname van € 5.000,-- is gedaan niet meer in staat waren hun belangen behoorlijk waar te nemen; - dat moeder vanaf dat moment tot aan haar overlijden op 10 september 2012 niet meer in staat was haar belangen behoorlijk waar te nemen; - dat vader vanaf het moment waarop de eerste onrechtmatige opname heeft plaatsgevonden tot aan zijn opname in zorgcentrum De Wilgenhof niet meer compos mentis was. 3.3.6. In het tussenvonnis van 2 mei 2018 heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] voorshands geheel is geslaagd in het bewijs waartoe hij was toegelaten ten aanzien van vader en ten aanzien van moeder betreffende de periode van 24 augustus 2012 tot aan haar dood. De rechtbank heeft vervolgens [geïntimeerde 1] toegelaten tegenbewijs te leveren inhoudende dat vader en moeder tot hun overlijden steeds in staat waren hun (financiële) belangen behoorlijk waar te nemen. 3.3.7. In het tussenvonnis van 5 december 2018 heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde 1] niet is geslaagd in het tegenbewijs waartoe hij was toegelaten (zie rov. 3.3.6). Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat ervan moet worden uitgegaan dat vader vanaf in ieder geval 9 maart 2012 en moeder vanaf 24 augustus 2012 niet meer in staat worden geacht hun (financiële) belangen goed waar te nemen. De rechtbank heeft vervolgens [appellant] toegelaten tot het bewijs dat de transacties die [geïntimeerde 1] ten behoeve van zijn ouders heeft verricht niet passen binnen het uitgavenpatroon dat de ouders vóór 24 augustus 2012 hanteerden. 3.3.8. In het herstelvonnis van 20 februari 2019 heeft de rechtbank op verzoek van [geïntimeerde 3] een kennelijke fout hersteld in rov. 2.7 van het tussenvonnis van 5 december 2018. 3.3.9. In het eindvonnis van 10 april 2019 heeft de rechtbank [appellant] niet in de laatste bewijslevering geslaagd geacht en de conclusie getrokken dat de te verdelen nalatenschap slechts bestaat uit het saldo van de spaarrekening en de betaalrekening. De rechtbank heeft de hoogte van de nalatenschap vastgesteld op een bedrag van € 1.609,19 en bepaald dat de nalatenschap als volgt moet worden verdeeld: aan [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] komt ieder een bedrag toe van € 402,29. De proceskosten zijn gecompenseerd. 3.4.1. [appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en toewijzing van de vorderingen zoals weergegeven in rov. 3.3.1. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.4.2. Tegen de tussenvonnissen van 26 oktober 2016, 16 augustus 2017 en 20 februari 2019 is geen grief gericht, zodat [appellant] in het beroep daarvan niet-ontvankelijk is. 3.4.3. Het hof begrijpt de grieven van [appellant] als volgt. Met de grieven 1 en 2 klaagt [appellant] dat de rechtbank hem heeft belast met bewijs terwijl [geïntimeerde 1] een volmacht had, [geïntimeerde 1] zelf zou hebben geschreven dat de ouders begin 2012 ziek waren en hun belangen niet meer behoorlijk konden waarnemen en omdat het ongebruikelijke transacties waren. Het hof begrijpt deze grieven aldus dat [appellant] een beroep doet op artikel 3:34 BW. Met grief 3 wordt een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden. Grieven 1 en 2 3.5.1. Allereerst stelt het hof vast dat noch voor vader noch moeder curatele of bewind is ingesteld. Zij waren dus beiden handelingsbekwaam tot hun overlijden. Of ze ook wilsbekwaam waren, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW. Art. 3:34 BW volgt op art. 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist. Art. 3:34 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling aan nietigheid of vernietigbaarheid blootstaat als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen. Er is in dat geval sprake van wilsonbekwaamheid, hoewel de wet deze term niet kent. Voor toepassing van art. 3:34 BW is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende geestelijke stoornis. Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.