GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 5 november 2020 Zaaknummer: 200.280.649/01 Zaaknummer eerste aanleg: 8219116 Rolnummer eerste aanleg: 19-619 in de zaak van: [appellant] , erfgenaam, appellant, wonende te [woonplaats] (Brazilië), hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. M.F.J. Martens te ’s-Hertogenbosch, tegen [vereffenaar] , in diens hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschappen van respectievelijk [erflaatster / moeder] en [erflater / vader] , kantoorhoudend te [kantoorplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: de vereffenaar dan wel mr. [vereffenaar] , advocaat: mr. M.J.W. van Ingen te ’s-Hertogenbosch. Belanghebbenden: Mevrouw [zus 1], erfgenaam Mevrouw [zus 2], erfgenaam hierna te noemen: de zussen dan wel [zus 1] respectievelijk [zus 2] , advocaat: mr. C.H.P. Groot-van Ederen te Alkmaar 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 2 april 2020, waarbij het verzoek van [appellant] om de beschikking waarin aan de vereffenaar een voorschotloon is toegekend, te herroepen en vast te stellen dat het voorschot in strijd is met de door de vereffenaar ter gelegenheid van de aanvaarding van de opdracht gedane toezegging dat hij zijn werkzaamheden om niet zou verrichten, is afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 juli 2020, heeft [appellant] onder aanvoering van vijf grieven – kort weergegeven en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – verzocht: - de beschikking van de kantonrechter van 2 april 2020 te vernietigen; - te bepalen dat het hof het verzoek tot herroeping zal toewijzen en de beschikking van 26 oktober 2019 zal herroepen; - te bepalen dat de vereffenaar het hem toegekende voorschot van € 4.089,80 aan de boedel zal vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 26 oktober 2016 tot aan het moment van terugbetaling ; - vast te stellen dat de vereffenaar geen vereffeningskosten ten laste van de boedel mag brengen, conform zijn opdrachtbevestiging van 5 maart 2014 alsmede conform zijn eerdere uitdrukkelijk gedane toezeggingen aan [appellant] van 8 mei 2014, schriftelijk van 6 juni 2014 aan [financiën] Financiën en van 12 augustus 2014 aan [appellant] ; - kosten rechtens. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 september 2020, heeft de vereffenaar – kort weergegeven – verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, en [appellant] te veroordelen in de kosten van deze appelprocedure inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 2.3. Bij verweerschrift in beide qua behandeling gevoegde zaken (zie hierna) van de belanghebbenden [zus 1] en [zus 2] , ingekomen ter griffie op 3 september 2020, hebben zij – kort weergegeven – verzocht om [appellant] op grond van artikel 388 juncto artikel 391 Rv niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep tegen de beschikking waarvan thans beroep, onder veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2020. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak tussen dezelfde partijen en met dezelfde belanghebbenden onder zaaknummer 200.280.646/01. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [appellant] ; - mr. Martens, advocaat van [appellant] ; - de vereffenaar, - mr. Van Ingen, advocaat van de vereffenaar; - [zus 1] ; - [zus 2] ; - mr. Groot-van Ederen, advocaat van [zus 1] en [zus 2] . 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - nadere stukken (producties 24 tot en met 29), ingediend in beide zaken door mr. Martens bij indieningsformulier van 18 september 2020; - het door mr. Van Ingen ter zitting overgelegde afschrift van een brief aan het hof die door het hof niet ontvangen was, inzake de te laat door mr. Martens ingediende stukken (producties 24 tot en met 29). 2.6. In de zaak onder zaaknummer 200.280.646/01 zal zo spoedig mogelijk bij aparte beschikking worden beslist. 3De beoordeling 3.1. Met de rechtbank constateert het hof dat op [datum 1] 2011 is overleden te [plaats] (België) mevrouw [erflaatster / moeder] , moeder van [appellant] en [zus 1] en [zus 2] (hierna te noemen: erflaatster dan wel moeder). Op [datum 2] 2011 is overleden te [plaats] (België) de heer [erflater / vader] , vader van [appellant] en [zus 1] en [zus 2] (hierna te noemen: erflater dan wel vader). [appellant] en zijn zussen [zus 1] en [zus 2] zijn de enige erfgenamen. [appellant] heeft beide nalatenschappen zuiver aanvaard. De zussen hebben in ieder geval op enig moment beide nalatenschappen beneficiair aanvaard. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2014 is de vereffenaar benoemd tot vereffenaar van beide nalatenschappen. Bij beschikking van 26 oktober 2016 is aan de vereffenaar een voorschotloon toegekend van € 4.089,80 inclusief omzetbelasting, betreffende de in 2014 verrichte werkzaamheden. 3.2. Bij beschikking van 2 april 2020 heeft de kantonrechter – kort weergegeven – als volgt overwogen en beslist. [appellant] heeft verzocht de beschikking waarin aan de vereffenaar een voorschotloon is toegekend, te herroepen en vast te stellen dat het voorschot in strijd is met de vereffenaar ter gelegenheid van de aanvaarding van de opdracht, gedane toezegging dat hij zijn werkzaamheden ‘om niet’ zou verrichten. Op grond van artikel 390 juncto artikel 382 Rv kunnen onder specifieke omstandigheden beschikkingen worden herroepen. [appellant] voert daartoe aan dat hij op 11 september 2019 stukken heeft ontvangen van de Kamer van het Notariaat en naar aanleiding van deze stukken kennis heeft genomen van de grond tot herroeping van de beschikking. De kantonrechter stelt vast dat het verzoek binnen drie maanden nadat de verzoeker stukken van de Kamer voor het Notariaat heeft ontvangen, is ingediend. In zoverre moet het verzoek ontvankelijk worden geacht. Het gaat om de bekendheid met de grond tot herroeping van de beschikking. Ter onderbouwing van de stelling dat de vereffenaar zou hebben toegezegd dat hij zijn werkzaamheden om niet zou verrichten, heeft [appellant] een e-mailbericht van 5 maart 2014 van de vereffenaar aan de zussen van [appellant] , overgelegd. In deze e-mail schrijft de vereffenaar: “Ik begrijp dat gezien de toestand van de boedel, mijn honorarium beperkt zal zijn. Daarmee ga ik akkoord voor wat de vereffening betreft”. Anders dan [appellant] leest de kantonrechter in deze e-mail geen toezegging van de vereffenaar dat hij zijn werkzaamheden ‘om niet’ zou verrichten. De vereffenaar heeft ook betwist een dergelijke toezegging te hebben gedaan. Nu de toezegging niet blijkt uit de door [appellant] overgelegde e-mail en ook anderszins niet is gebleken, is de door [appellant] gestelde grond voor herroeping van de beschikking onvoldoende onderbouwd en zal het om die reden worden afgewezen, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat, hoewel het gebruikelijk is om in dit soort situaties de proceskosten te compenseren, de kantonrechter in de proceshouding van [appellant] voldoende grond ziet om hem te veroordelen in de kosten van de procedure. [appellant] presenteert namelijk bij herhaling feiten en omstandigheden die niet van belang zijn voor het verzoek. Dit maakt het lastig om door te dringen tot de kern van de zaak en maakt het voor betrokkenen lastig en bewerkelijk om te reageren op de stellingen van [appellant] , aldus de kantonrechter. 3.3. [appellant] heeft in zijn beroepschrift – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. [appellant] is voor de procedures met betrekking tot de beschikking van 16 april 2014 en 26 oktober 2016 niet opgeroepen. Hij heeft ook geen stukken ontvangen. Dit is in strijd met artikel 4:206 lid 1 BW. In grief 1 voert [appellant] aan dat de vereffenaar tijdens de zitting van 11 februari 2020 uitdrukkelijk heeft erkend dat hij zijn werkzaamheden ‘om niet’ zou verrichten. Hetzelfde geldt voor een e-mail van 12 augustus 2014 waarin de vereffenaar schrijft: “De boedel – u en uw zussen – wordt niet belast met mijn vereffeningskosten (…) Er blijft dus niets over om nog iemand te kunnen betalen” In grief II komt [appellant] op tegen overweging 4.6 van de beschikking waarvan beroep, waarin de kantonrechter overweegt dat het niet gebruikelijk is een zitting te houden naar aanleiding van verzoeken tot vaststelling van een (voorschot)loon van een vereffenaar. [appellant] betwist dat enig loon aan de vereffenaar verschuldigd is. In grief III stelt [appellant] dat het toekennen van voorschotten leidt tot forse schade voor de boedel, voor de schuldeisers en voor [appellant] zelf. De lasten zijn hoger dan de baten volgens de boedelbeschrijving van 10 maart 2014. Enige bate zou de hypotheekhouders toekomen. In grief IV komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter om hem in de proceskosten te veroordelen. In grief V stelt [appellant] dat de kantonrechter artikel 290 lid 2 Rv heeft geschonden omdat geen processen-verbaal van de mondelinge behandelingen zijn verstrekt. 3.4. Ter zitting in hoger beroep is hieraan door en namens [appellant] nog het volgende toegevoegd. Ten aanzien van het beroep door de zussen op niet-ontvankelijkheid van [appellant] beroept [appellant] zich thans op de doorbrekingsleer omdat in deze zaak door de kantonrechter ten onrechte geen proces-verbaal is opgemaakt van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg en er stukken zijn geweigerd. [appellant] betwist dat de zussen zelf ontvankelijk zijn in deze procedure nu de kantonrechter hen niet als belanghebbenden heeft aangemerkt. 3.5. Ter zitting is zowel door en namens de vereffenaar als door en namens [zus 1] en [zus 2] bezwaar gemaakt tegen de te laat door mr. Martens ingediende stukken (producties 24 tot en met 29) .Voor het overige handhaven de vereffenaar en de zussen hun respectieve verweer. 3.6. Het hof overweegt het volgende. De kwestie van de belanghebbenden 3.6.1. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat [zus 1] en [zus 2] geen belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.