GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.237.050 arrest van 24 november 2020 in de zaak van 1 [appellant] , wonende te [woonplaats] , 2. [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellanten in het principaal beroep, geïntimeerden in het incidenteel beroep, hierna te noemen: de kopers, advocaat: mr. A.C.P.M. van Dun te Tilburg, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in het principaal beroep, appellanten in het incidenteel beroep, hierna te noemen: de verkopers, advocaat: mr. J. van Baaren te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 27 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 november 2017 door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen kopers als eisers en verkopers als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/324402/HA ZA 16-852) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hierboven genoemde vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 augustus 2018, waarbij een productie is overgelegd; de memorie van grieven (met producties en eiswijziging); een akte van de kopers (met producties); de memorie van antwoord tevens incidenteel appel (met producties); de memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties). Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3. De beoordeling De kern van de zaak 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Verkopers hebben de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) met de daarbij behorende tuin aan kopers verkocht. Een strook grond van de tuin blijkt niet te behoren tot het kadastrale perceel dat geleverd is. De vraag is of de kopers hierdoor schade hebben geleden en, als dat zo is, wat de omvang van de schade is. Samenvatting van de feiten 3.2 De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij voor de beoordeling van belang achtte. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht. Deze feiten komen samengevat en aangevuld met een enkel feit op het volgende neer. 3.3 Op 24 november 2014 is de woning verkocht voor een bedrag van € 410.000. De levering heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Bij het huis bevindt zich een achtertuin met een houten schutting en een tuinhuis, achter in die tuin. De akte van levering vermeldt dat geleverd is: “het recht van eigendom met betrekking tot het vrijstaande woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente BREDA, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] ter grootte van vijf are en acht centiare (. . . ).” De kadastrale grens van dit perceel bevindt zich echter niet ter hoogte van de erfafscheiding van de tuin van de woning, maar enkele meters daarvoor. De strook grond tussen de kadastrale grens en de perceelgrens (hierna: de strook) is 64,06 m2 groot, zo staat in aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten tussen partijen in hoger beroep vast. Op deze strook staat de houten schutting en het tuinhuis. Kopers hebben geprobeerd de strook van de gemeente Breda te kopen, maar die wil daaraan niet meewerken. De procedure bij de rechtbank 3.4 Kopers hebben bij de rechtbank onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat verkopers tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst doordat zij de strook niet hebben geleverd aan kopers en als gevolg daarvan schadeplichtig zijn jegens de kopers. Ook vorderden kopers schadevergoeding van € 36.333,33 als waarde van de strook, gebaseerd op een taxatie van [woningmakelaardij] Woningmakelaardij (hierna: [woningmakelaardij] ), € 1.000 voor de verplaatsing van de schutting en het tuinhuis, € 181,50 voor de kosten van het vaststellen van de schade en € 1.148,33 voor buitengerechtelijke incassokosten, met rente en kosten. 3.5 In het eindvonnis van 29 november 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat de verkopers de strook niet geleverd hebben aan de kopers en daarmee niet geleverd hebben waartoe zij op grond van de koopovereenkomst verplicht waren. De rechtbank heeft de taxatie van [woningmakelaardij] als onvoldoende onderbouwd terzijde geschoven en de schade geschat op € 8.100 voor de waarde van de strook. Zij is daarbij uitgegaan van de grondprijzen van de gemeente Breda voor zogenaamd snippergroen. De waarde van de niet geleverde schutting en het tuinhuis is geschat op € 1.000. De rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht uitgesproken en verkopers veroordeeld te betalen: € 8.100, € 1.000, € 181,50 met wettelijke rente en kosten en € 1.148,33 aan buitengerechtelijke incassokosten. Verkopers zijn veroordeeld in de kosten van het geding. De procedure in hoger beroep 3.6 Kopers hebben op twee punten bezwaar gemaakt tegen dit vonnis. Zij maken bezwaar tegen de vaststelling van de waarde van de strook, omdat die volgens de kopers hoger is en tegen het feit dat de rechter de taxatie van [woningmakelaardij] gepasseerd heeft. Daarnaast hebben zij hun eis in hoger beroep gewijzigd. In hoger beroep vorderen zij betaling van € 33.183,08, verminderd met het reeds door verkopers naar aanleiding van het bestreden vonnis betaalde bedrag van € 8.100 voor de waarde van de strook (vermeerderd met rente), € 4.190,23, te verminderen met het naar aanleiding van het bestreden vonnis betaalde bedrag van € 1.000 als schadevergoeding voor het verplaatsen en verwijderen van de schutting en het tuinhuis (vermeerderd met rente), en, zo begrijpt het hof, € 605 voor de kosten van de onderbouwing door [woningmakelaardij] van de waarde van de strook. Kopers vorderen dan ook gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van verkopers tot betaling van deze aanvullende bedragen. Tegen de eiswijziging in hoger beroep hebben verkopers geen bezwaar gemaakt. 3.7 Ook verkopers zijn tegen het vonnis in hoger beroep gekomen (incidenteel beroep) met drie bezwaren. Volgens verkopers hebben kopers geen schade geleden omdat zij een beroep kunnen doen op verjaring en zij het bezit en gebruik van de strook hebben. Ook maken verkopers bezwaar tegen de manier waarop de rechtbank de schade heeft berekend en tegen de toekenning van € 1.000 voor de kosten van verplaatsing/verwijdering van de schutting en het tuinhuis, omdat deze niet zoveel waard zouden zijn. Om die redenen vorderen de verkopers dat het vonnis vernietigd wordt en de vorderingen van de kopers alsnog worden afgewezen, met veroordeling van de kopers tot terugbetaling van wat naar aanleiding van het vonnis al betaald is, met kosten. 3.8 Verkopers hebben geen bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank dat zij te kort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst doordat zij de strook niet hebben geleverd, als gevolg waarvan verkopers schadeplichtig zijn jegens kopers. De wanprestatie staat daarmee in hoger beroep vast. Hebben kopers schade geleden? 3.9 Volgens de verkopers hebben kopers geen schade geleden, omdat de strook op grond van verjaring aan kopers in eigendom toebehoort. De verkrijgende verjaring van de strook is volgens de verkopers voltooid in de tijd dat de strook in bezit was van de eerste eigenaresse van de woning, die de woning van 1952 tot en met haar overlijden omstreeks september 2010 in eigendom heeft gehad. Kopers kunnen, volgens verkopers, deze verjaring tegen de gemeente Breda inroepen. Daarom hebben zij geen schade geleden. 3.10 Het hof oordeelt dat deze redenering niet opgaat. Verkopers wijzen op de mogelijkheid dat de strook door verkrijgende verjaring aan de eerste eigenaresse van de woning kan zijn toegekomen. Dat betekent echter niet dat ook de kopers op deze verjaring een beroep kunnen doen. Verkrijgende verjaring werkt van rechtswege en daarop hoeft ook geen beroep gedaan te worden. Als het standpunt van verkopers gevolgd wordt, zou dus de eerste eigenaresse van de woning eigenaar van de strook geworden zijn. Hoe de strook vervolgens aan verkopers zou zijn overgedragen is verder niet uitgelegd en in ieder geval staat in hoger beroep vast dat de strook niet door verkopers aan kopers is geleverd. Dat kopers zelf nu nog een beroep op verjaring kunnen doen is niet onderbouwd en volgt ook niet uit de door verkopers naar voren gebrachte feiten. De verjaring die verkopers hebben bepleit leidt daarom niet tot de afwezigheid van schade bij de kopers. 3.11 Verkopers zeggen ook, dat de kopers de strook grond in bezit hebben en gebruiken, terwijl de gemeente niet tot het handhaven van haar eventuele rechten als eigenaar is overgegaan. Daarom zouden kopers geen schade hebben. Het hof is het daarmee niet eens. Kopers hebben recht op de eigendom van de strook. Dat kopers mogelijk de strook in bezit kunnen nemen of kunnen gebruiken, terwijl die in eigendom is van een ander, levert niet hetzelfde resultaat op. Als kopers de woning willen verkopen dan zullen zij de strook niet mee kunnen verkopen. Bovendien hebben kopers gesteld hun tuin te willen inrichten uitgaande van de kadastrale erfgrens. Klaarblijkelijk willen zij de strook niet gebruiken als die niet van hen is. Dat hoeft ook niet van hen verwacht te worden. Dat de gemeente nog niet tot handhaven is overgegaan betekent dan ook niet dat kopers geen schade hebben geleden. De schadeberekening 3.12 Kopers maken bezwaar tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde van de strook. Zij vinden dat de waarde niet moet worden vastgesteld op basis van de waarde van snippergroen van de gemeente Breda, maar op grond van de taxatie en onderbouwing van [woningmakelaardij] die zij in hoger beroep (alsnog) hebben overgelegd. Ook verkopers zijn het (om andere redenen) niet eens met een waardebepaling aan de hand van grondprijzen voor snippergroen. 3.13 Vaststaat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.