GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.252.226/01 arrest van 24 november 2020 in de zaak van 1 [appellante] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant],wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna gezamenlijk aan te duiden (in vrouwelijk enkelvoud) als [appellanten] . en ieder afzonderlijk als [appellant] en [appellante] , advocaat: mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam, tegen 1Coöperatief MSB Atrium-Orbis U.A.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. Stichting Zuyderland Medisch Centrum,gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als MSB en Zuyderland, advocaat: mr. K.D. Meersma te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 21 november 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 augustus 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] . en Plastisch Chirurgische praktijk [Plastisch Chirurgische Praktijk] als eisers en MSB en Zuyderland als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/230668 / HA ZA 17-36) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met eiswijziging; de memorie van antwoord; de brief van 4 augustus 2020 van de zijde van [appellanten] . waarbij aan het hof is toegezonden een H12 formulier: Inzending nieuwe stukken tbv zitting met bijgevoegd een akte bij gelegenheid van de mondelinge behandeling met drie aanvullende producties; het pleidooi gehouden op 19 augustus 2020, waarbij [appellanten] . pleitnotities heeft overgelegd en MSB en Zuyderland pleitaantekeningen hebben overgelegd; de bij pleidooi door [appellant] voorgelezen en overgelegde tekst, tegen welke overlegging door MSB en Zuyderland geen bezwaar is gemaakt. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende (grotendeels door de rechtbank vastgestelde) feiten. 3.1.1 [appellant] is plastisch chirurg. Hij oefende samen met [Plastisch Chirurg 1] en [Plastisch Chirurg 2] in maatschapsverband praktijk uit op locatie Heerlen van het ziekenhuis dat geëxploiteerd wordt door Zuyderland. 3.1.2 Zuyderland is per 1 januari 2015 ontstaan door een fusie tussen het Atrium ziekenhuis te [vestigingsplaats] , [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] (Stichting Atrium Medisch Centrum Parkstad) en het Orbis ziekenhuis te [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] (Stichting Orbis Medisch Centrum). 3.1.3 Per 1 januari 2015 zijn wijzigingen in werking getreden inzake de financiering van door medisch specialisten en ziekenhuizen verleende medische zorg. Ingevolge die wijzigingen wordt van vrijgevestigde medisch specialisten verlangd dat zij zich met hun praktijkvennootschappen organiseren in een medisch specialistisch bedrijf dat vervolgens met het betreffende ziekenhuis een samenwerkingsverband sluit. In dit geval is een samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen tussen Zuyderland als opdrachtgever en MSB als het medisch specialistisch bedrijf dat de opdracht heeft aangenomen. De samenwerkingsovereenkomst stelt Zuyderland in staat om haar contractuele verplichtingen jegens zorgverzekeraars en patiënten na te komen. 3.1.4 [appellante] is de praktijkvennootschap van [appellant] en op grond van een ledenovereenkomst lid van MSB. Ook de medisch specialist zelf is partij bij de ledenovereenkomst. De praktijkvennootschap heeft recht op een vergoeding voor de diensten die de medisch specialist levert in het kader van de samenwerkingsovereenkomst. De ledenovereenkomst bevat geen voorschriften ingevolge waarvan medisch specialisten met hetzelfde specialisme een regeling tot stand moeten brengen voor de verdeling van de vergoeding. In artikel 14 van de statuten van MSB is bepaald dat de leden per specialisme zijn verdeeld in vakgroepen. 3.1.5 Op enig moment in 2016 is het vormen van één vakgroep tussen de plastisch chirurgen van de locatie [locatie] en de locatie [locatie] vastgelopen. Twee deskundigen, [deskundige 1] , werkzaam bij De Praktijk, als procesbegeleider, en [deskundige 2] , als toezichthouder, die optraden in opdracht van MSB en Zuyderland, hebben verslag gedaan over het verloop van de besprekingen en de reden waarom de vakgroepvorming niet slaagt. 3.1.6 Het bestuur van MSB kan op grond van artikel 8.1 van de ledenovereenkomst een lid een aanwijzing geven omtrent de uitvoering van de opdracht. Op 25 oktober 2016 heeft MSB [appellant] , [Plastisch Chirurg 1] , [Plastisch Chirurg 2] en de plastisch chirurgen op de locatie [locatie] van het ziekenhuis allen individueel en als collectief een dergelijke aanwijzing gegeven, waarbij het aan hen gezamenlijk was om te bepalen hoe de aanwijzing wordt uitgevoerd. De aanwijzing luidt als volgt: Uiterlijk 1 januari 2017 wordt namens de gehele Vakgroep Plastisch Chirurgie het volgende opgeleverd: ● Een Vakgroepreglement dat voldoet aan de eisen die de statuten van de coöperatie daaraan stellen; ● Er is een Bestuur van de Vakgroep die onder leiding staat van een voorzitter; ● Er is een gemandateerde en een vervanger voor de bijeenkomsten van het MSB; ● Er is een door alle Leden aangenomen voorstel voor de organisatie van diensten. De dienstenstructuur moet voldoen aan de voorwaarden geformuleerd in het Plan van Aanpak; ● Er is een gemeenschappelijke structuur van samenwerking met het management; ● Er is een taakverdeling binnen de Vakgroep overeengekomen. Uiterlijk 1 februari 2017 wordt namens de gehele Vakgroep Plastische Chirurgie het volgende opgeleverd: ● Er zijn afspraken gemaakt over de invulling van poliklinieken en (poli)klinische protocollen en werkwijzen, inclusief de te lateraliseren zorg binnen Zuyderland, waaronder doch niet beperkt tot mammacarcinoom; ● De wijze waarop (poli)klinische zorg wordt geleverd, is geüniformeerd, daaronder begrepen de borging van continuïteit en communicatie met betrekking tot patiëntenzorg. Per 1 mei 2017 : ● Is er een gezamenlijk gedragen toekomstvisie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen in het Plan van Aanpak; ● Is er een volledige financiële integratie gerealiseerd, waarbij er afspraken zijn over de verhouding omzet en inzet; ● Is er afstemming over de invulling van de vacature van [Plastisch Chirurg 1] . 3.1.7 Zuyderland heeft ter verbetering van de bedrijfsvoering en de kwaliteit van de zorg gekozen om borstkankerzorg uitsluitend nog op één locatie te laten plaatsvinden (lateralisatie). Dit is gefaseerd ingevoerd. Sinds november 2016 vinden de gecombineerde operaties met chirurgie enkel te [vestigingsplaats] plaats. De chirurg volgt de patiënt alleen voor de operatieve ingreep. In maart 2017 is het Borstcentrum in [vestigingsplaats] geopend. 3.1.8 [appellante] heeft het lidmaatschap van MSB opgezegd c.q. beëindigd per 1 april 2017. [appellant] is thans in deeltijd werkzaam in [vestigingsplaats] als plastisch chirurg bij de Boerhaave Kliniek. Hij verleent daar onverzekerde zorg. 3.1.9 Na het vertrek van [appellanten] . uit het ziekenhuis per 1 april 2017 heeft MSB aan [appellanten] . een vergoeding betaald voor de opdracht die met het vertrek weer tot haar beschikking kwam. 3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank, kort gezegd, de vorderingen afgewezen en eisers in de proceskosten veroordeeld. 3.3.1 [appellanten] . heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover in hoger beroep bestreden en opnieuw recht doende alsnog de vorderingen toe te wijzen die [appellanten] . in de memorie van grieven heeft geformuleerd. In de onderhavige procedure in hoger beroep heeft [appellanten] . bij memorie van grieven haar eis verminderd en haar vorderingen geherformuleerd. [appellanten] . vordert, kort gezegd, MSB en/of Zuyderland te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] en/of [appellant] de schade te vergoeden die zij hebben geleden en lijden als gevolg van de aanwijzing van 25 oktober 2016, althans als gevolg van het door die aanwijzing veroorzaakte vertrek uit het ziekenhuis, te vermeerderen met de wettelijke rente en die vergoeding te bepalen op een bedrag van € 275.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, althans te bepalen dat de schade nader dient te worden vastgesteld en opgemaakt bij staat, met veroordeling van MSB en Zuyderland in de kosten van de procedure. 3.3.2 Aan deze vordering heeft [appellanten] . , kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd. Bij gebrek aan wetenschap omtrent de inhoud van de aanwijzing die Zuyderland MSB zou hebben gegeven, veronderstelt [appellanten] . dat die aanwijzing behelst dat MSB er voor diende te zorgen dat er één vakgroep plastische chirurgie werd gevormd. Uitgaande van die veronderstelling heeft Zuyderland onrechtmatig jegens [appellanten] . gehandeld door geen, althans (volstrekt) onvoldoende, betekenis toe te kennen aan de ook bij Zuyderland bekende voorgeschiedenis van [appellant] met plastisch chirurgen werkzaam te [vestigingsplaats] die voorheen een conflict hebben gehad waarin de samenwerking met [appellant] door die plastisch chirurgen werd geblokkeerd. Het hoger beroep is, zo betoogt [appellanten] . , gericht op de vraag of Zuyderland met de wetenschap die het ziekenhuis had of gaandeweg verkreeg, mocht (blijven) weigeren enige compensatie aan te bieden aan een plastisch chirurg die door de aanwijzing andermaal zijn praktijk diende neer te leggen vanwege de weigering van enkele andere chirurgen met hem samen te werken, terwijl die samenwerking in één vakgroep met de aanwijzing afgedwongen werd. MSB heeft jegens [appellanten] . in strijd met de normen van redelijkheid en billijkheid en zorgvuldigheid gehandeld door ondanks de ook bij MSB bekende voorgeschiedenis van [appellant] met plastische chirurgen werkzaam te [vestigingsplaats] die voorheen een conflict hebben gehad toen zij praktijk voerden te [vestigingsplaats] , geen compensatie te bieden voor het vertrek van [appellanten] . uit het ziekenhuis, welk vertrek MSB met de aanwijzing heeft bewerkstelligd, althans dat het onontkoombare of onmiddellijke gevolg is geweest van die aanwijzing. Zowel Zuyderland als MSB hebben een monopolie positie. Aan hen kan niet ontzegd worden besluiten te nemen die zij in het algemeen belang van de samenwerking noodzakelijk achten (zoals bijvoorbeeld de vorming van een vakgroep bestaande uit specialisten van hetzelfde specialisme), maar zij kunnen die besluiten alleen rechtmatig nemen indien zij zich de belangen van de betrokken medisch specialisten voldoende hebben aangetrokken en medisch specialisten die door de besluiten worden geraakt, voor nadeel dat redelijkerwijs niet voor rekening van de betrokken specialisten (of hun praktijkvennootschappen) dient te blijven, hebben gecompenseerd. Dat geldt zeker nu Zuyderland en MSB wisten, althans konden weten en in ieder geval op enig moment tijdens de fase voorafgaand aan deze procedure te weten zijn gekomen dat [appellanten] . door het gedwongen, althans door de aanwijzingen veroorzaakte vertrek uit het ziekenhuis geen positie in Limburg meer zou vinden waarin [appellant] werkzaam zou kunnen zijn, omdat de plastisch chirurgen die de samenwerking in verband van een vakgroep blokkeerden deelnemen in de praktijken in de ziekenhuizen te [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] (de ziekenhuizen van Zuyderland), het academisch ziekenhuis te [vestigingsplaats] en de ziekenhuizen te [vestigingsplaats] , [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] . 3.3.3 MSB en Zuyderland hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. MSB en Zuyderland hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van [appellanten] . in de kosten van het hoge beroep. 3.4.1 Zuyderland en MSB hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellanten] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 3.4.2 [appellanten] . heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. 3.4.3 Met grief 1 betoogt [appellanten] dat bij de beoordeling van het hoger beroep niet (meer) (alleen) kan worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank, in onderdeel 2 van het vonnis waarvan beroep, heeft weergegeven maar dat mede rekening dient te worden gehouden met de opnieuw geformuleerde rechtsfeiten in de memorie van grieven. Met de toelichting op de grief betoogt [appellanten] . voorts dat, anders dan in onderdeel 2.4 van het vonnis waarvan beroep is aangegeven, [deskundige 1] en [deskundige 2] niet (alleen) door MSB en Zuyderland waren ‘aangedragen’, maar dat zij optraden in opdracht van MSB en Zuyderland. Voor zover [appellanten] . bekend zijn de initiële kosten van de bemiddeling door [deskundige 1] en [deskundige 2] voor rekening van Zuyderland gekomen. 3.4.4 MSB en Zuyderland hebben niet betwist dat [deskundige 1] en [deskundige 2] in opdracht van MSB en Zuyderland optraden, zodat het hof van de juistheid van die stelling van [appellanten] . uitgaat, en grief 1 in zoverre slaagt. Het hof heeft met het in zoverre slagen van grief 1 bij de vaststelling van de feiten rekening gehouden. Voor het overige behoeft deze grief geen afzonderlijke beoordeling. Het hoger beroep strekt niet uitsluitend tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing, maar, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing. Hoge Raad 23 februari 1996, NJ 1996, 395. 3.4.5 Met grief 2 betoogt [appellanten] . dat met de gewijzigd geformuleerde vorderingen en de opnieuw geformuleerde rechtsfeiten, aan de weergave van het geschil in onderdeel 3.1 van het vonnis waarvan beroep en de beschrijving van de grondslag van de vorderingen in onderdeel 3.2. van dat vonnis en de beschrijving van het verweer van MSB en Zuyderland in onderdeel 3.3. van dat vonnis, voor zover in die onderdelen de stellingen van [appellanten] . worden beschreven, geen betekenis meer toekomt. 3.4.6 Naar het oordeel van het hof behoeft deze grief geen afzonderlijke beoordeling. Het hof verwijst naar hetgeen over de functie van het hoger beroep is overwogen onder 3.4.4. 3.4.7 Met grief 3 betoogt [appellanten] dat de Rechtbank ten onrechte en niet, althans (volstrekt) onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat MSB noch Zuyderland rekening hoefde te houden met het feit dat persoonlijke omstandigheden en gebeurtenissen uit het verleden onoverkomelijke obstakels zouden blijken, dat [appellanten] . om hem moverende redenen de ledenovereenkomst met MSB heeft opgezegd en dat voor een vergoeding aan [appellanten] . geen aanleiding bestond. 3.4.8 Het hof overweegt als volgt. Artikel 14 lid 1 van de statuten van MSB luidt: “De Leden zijn ingedeeld in Vakgroepen per medisch specialisme.” [appellante] is met ingang van 1 januari 2015 lid van MSB. Dit lidmaatschap is, naar het hof begrijpt, aangegaan door middel van de zogeheten ledenovereenkomst, tevens houdende opdracht tot medisch specialistische zorgverlening (in dit arrest genoemd: ledenovereenkomst), waarvan in eerste aanleg van de zijde van [appellanten] . een model is overgelegd bij akte in geding brengen stukken. Artikel 8.1 van de ledenovereenkomst luidt: “Op grond van artikel 7:402 BW kan het MSB-Bestuur het Lid aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van de Opdracht, als omschreven in het functioneringsreglement.” Opdracht wordt in artikel 1.1 van de ledenovereenkomst gedefinieerd als: “het verlenen van medisch specialistische zorg op het gebied van het specialisme van de Medisch Specialist
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.