GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 6 februari 2020 Zaaknummer: 200.270.006/02 Zaaknummers eerste aanleg: C/03/250357 en C/03/250360 op het incidenteel verzoek in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. P.P.J. de Bruijn, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 30 augustus 2019. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 november 2019, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen ten aanzien van sub 3.5 en 3.6 van die beschikking. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 december 2019, heeft de vrouw verzocht het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad af te wijzen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man, bijgestaan door mr. De Bruijn; de vrouw, bijgestaan door mr. Tuinstra. 2.4. Er zijn geen nadere stukken ingekomen. 3De beoordeling 3.1. Partijen zijn op 9 januari 1991 met elkaar gehuwd. 3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking voor zover het hof bekend nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.3. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang Onder 3.5. van het dictum partijen bevolen over te gaan tot het onder ede opstellen van een beschrijving van het (per peildatum 23 mei 2018) te verrekenen en te verdelen vermogen ten overstaan van een notaris. Onder 3.6. van het dictum heeft de rechtbank voorts bepaald dat voornoemde notaris en de in te schakelen schatters en/of deskundigen voor wat betreft de omvang van de verrekenplicht en de te verdelen gemeenschappelijke goederen alsmede de vast te stellen waarde van de verschillende vermogensbestanddelen en de pensioenen in eigen beheer met name rekenschap dienen te geven van hetgeen de rechtbank onder de rechtsoverwegingen 2.22, 2.25, 2.30, 2.38 tot en met 2.46 en 2.60 heeft overwogen. Deze onderdelen van het dictum (3.5. en 3.6.) zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.4. De man heeft bij het onderhavige incidentele verzoek verzocht de uitvoerbaar verklaring bij voorraad te schorsen ten aanzien van bovengenoemde onderdelen 3.5 en 3.6 van het dictum. 3.5. De man voert - kort samengevat - het volgende aan. De man appelleert onder meer tegen de in de r.o. 2.25 en r.o. 2.38 tot en met 2.46 gegeven eindbeslissingen. Deze eindbeslissingen zullen in hoger beroep mogelijk nog vernietigd worden. Het is dan niet opportuun nu reeds over te gaan tot een vermogensbeschrijving zeker niet met inachtneming van die beslissingen, zoals de rechtbank onder 3.6. van het dictum heeft bepaald. Een dergelijke vermogensbeschrijving leidt tot het maken van kosten die partijen zich naar de mening van de man beter kunnen besparen. Ter zitting van dit hof heeft de advocaat van de man, onder aanhaling van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026), verklaard dat door de Hoge Raad in dit arrest bepaald is dat het bestaan van nieuwe omstandigheden na de uitspraak van de vorige rechter in eerste aanleg geen vereiste is in het geval de uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de vorige rechter niet is gemotiveerd. In deze zaak is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd door de rechtbank en er behoeft dan ook geen sprake te zijn van nieuwe feiten en omstandigheden als grondslag voor het schorsingsverzoek. De man heeft belang bij een schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze onderdelen van het dictum vanuit het oogpunt van kostenbesparing. Immers, de mogelijkheid bestaat dat in de bodemprocedure in hoger beroep beslist wordt dat de waardering van de onderneming van de man ( [de vennootschap] ) buiten beschouwing dient te blijven. De notaris zal bij de waardering van de onderneming naar alle waarschijnlijkheid deskundigen inschakelen, waar ook de nodige kosten mee gemoeid zijn. Indien het hof in een later stadium van de procedure alsnog beslist dat de onderneming buiten beschouwing blijft, dan zijn deze kosten bij de notaris voor niets gemaakt. In de visie van de man hebben beide partijen en baat bij dat er (financieel) efficiënt geprocedeerd wordt. 3.6. De vrouw voert het volgende aan. Er bestaat geen rechtsregel die maakt dat de beschrijving van het vermogen ten behoeve van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dan wel het opmaken van een boedelbeschrijving ten behoeve van de verdeling niet zou kunnen plaatsvinden of kan worden afgedwongen zolang partijen van mening verschillen over (onder andere) de omvang van hun verrekenverplichting respectievelijk de omvang van het te verdelen of te verrekenen vermogen, ook niet hangende een beroepsprocedure. De beschrijving van het te verrekenen casu quo te verdelen vermogen dient nu net plaats te vinden in de voorfase en eventuele geschilpunten (ook daarover) kunnen vervolgens aan de rechter worden voorgelegd en door de rechter worden beslist. De redenering van de man volgend, zou er op neerkomen dat er nooit een vermogens- of boedelbeschrijving zou kunnen worden verlangd zolang in rechte niet (onherroepelijk) vaststaat waartoe partijen rechtens jegens elkaar gehouden zijn met betrekking tot hun verrekenverplichtingen casu quo ten aanzien van de verdeling. Ter zitting van dit hof heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat ook in de recente uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 het accent ligt op de belangenafweging en dat het in deze aan de man is om aan te tonen dat zijn belang groter is dan het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging van hetgeen aan haar in eerste aanleg is toegewezen. De vrouw heeft er belang bij om het vermogen van partijen te laten beschrijven ten behoeve van de verrekening. Reeds sinds 2017 zijn partijen aan het procederen en de vrouw wenst voortgang te houden in de zaak. Partijen zijn overeenkomstig dwingend recht gehouden om voorafgaand aan de verdeling een vermogensbeschrijving op te maken. Daar moet een begin mee worden gemaakt, ongeacht de kans van slagen van de bodemprocedure van de man. Dat er in de bodemzaak mogelijk nog dingen kunnen veranderen, laat onverlet dat op dit moment stappen kunnen worden gezet. De uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking is het uitgangspunt, aldus de vrouw. 3.7. Het hof overweegt het volgende. 3.7.1. Ingevolge de recente uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026), dient bij de beslissing omtrent een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad het volgende in aanmerking te worden genomen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.