← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2020:376

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 6 februari 2020 Zaaknummer : 200.271.026/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818 in de zaak in hoger beroep van: [minderjarige] , thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] , appellant, hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat: mr. T. Kemper, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster, hierna te noemen: de GI. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - [de vader] (hierna te noemen: de vader); - [de moeder] (hierna te noemen: de moeder). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december

  1. 2Het geding in hoger beroep 2.
  2. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend. 2.
  3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper; - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ; - de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ; - de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken; - de moeder. 2.
  6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de brief van de GI d.d. 14 januari
  7. 3De beoordeling 3.
  8. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren. 3.
  9. [minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober
  10. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni
  11. 3.
  12. Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd. 3.
  13. Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december
  14. 3.
  15. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei
  16. 3.
  17. [minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
  18. [minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan. [minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn. 3.
  19. De GI voert, kort samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht. In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan. [minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is. 3.
  20. De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren. Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] . 3.
  21. De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren. De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is. 3.
  22. De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren. De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting. 3.
  23. Het hof overweegt het volgende. 3.12.
  24. Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe. 3.12.
  25. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of: er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en; de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3.12.
  26. Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt. 3.12.
  27. Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. 3.12.
  28. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub a, lid 5 en lid 6 Jw. 3.12.
  29. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. Bij [minderjarige] is sprake van kindeigen problematiek, waaronder forse gedragsproblematiek. Hij was dreigend richting zijn omgeving, had woede-uitbarstingen, liet wegloopgedrag en zelfbepalend gedrag zien en hij ging niet meer naar school. In het verleden is er al veel hulpverlening ingezet, maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De hulpverlening werd door [minderjarige] afgewezen of hij verbond hieraan zijn eigen voorwaarden, dan wel hij beëindigde de hulpverlening. De behandellocatie [behandellocatie] van [stichting] heeft de plaatsing beëindigd vanwege de houding van [minderjarige] . [minderjarige] wordt door dit alles ernstig belemmerd in zijn ontwikkeling naar volwassenheid. Een plaatsing in een gesloten setting is nodig om te voorkomen dat [minderjarige] zich nog langer aan de noodzakelijke hulpverlening onttrekt. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof bevond [minderjarige] zich nog in de observatieperiode bij [instelling 1] , in welke periode onderzocht wordt welke behandeling nodig is en welke doelen gesteld gaan worden. Om die reden is nog niet met zijn behandeling gestart. Weliswaar geeft [minderjarige] aan dat hij is veranderd en dat hij nu open staat voor behandeling, maar hiervan is op dit moment nog niet (voldoende) gebleken. Gelet op de zeer zorgelijke voorgeschiedenis acht het hof een voorwaardelijke machtiging niet afdoende en ziet het hof op dit moment geen aanleiding de duur van de machtiging te bekorten. Dat het bij [instelling 1] te volgen traject tijdens de mondelinge behandeling nog niet duidelijk was, maakt het oordeel van het hof niet anders. [minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. 3.
  30. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.