GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.283.162/01 arrest van 15 december 2020 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van 1 [appellant] , 2. [appellante] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten in de hoofdzaak, eisers in het incident, advocaat: mr. D.M. Gijzen te Heerlen, tegen Stichting Antares Woonservice, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. H.M.P.A. Wolters te Venlo, op het bij exploot van dagvaarding van 12 september 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 september 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellanten – [appellanten] – als gedaagden en geïntimeerde – Antares – als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 8624593 \ CV EXPL 20-3175) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met grieven, producties en incidentele vordering; de antwoordmemorie in het incident; de memorie van antwoord in de hoofdzaak. Het hof heeft na de antwoordmemorie in het incident partijen een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. [appellanten] huren sinds 23 maart 2020 van Antares de woning aan de [adres] te [plaats] . De huurprijs bedraagt € 451,69 per maand. 3.2. Antares heeft in eerste aanleg gevorderd de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [appellanten] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot hoofdelijke betaling van: - een bedrag van € 1.651,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.536,22; - de huurprijs van € 451,69 per maand vanaf juli 2020 tot aan het tijdstip van ontbinding van de huurovereenkomst; - een bedrag van € 451,69 per maand aan schadevergoeding voor elke maand of gedeelte daarvan dat [appellanten] in gebreke blijven met ontruiming van het gehuurde.Daarnaast heeft Antares gevorderd [appellanten] te veroordelen in de proceskosten. 3.3. De door Antares gevorderde hoofdsom ad € 1.651,09 bestaat uit de huur over de periode van 23 maart tot en met 30 juni 2020 (inclusief € 50,- aktekosten) ad € 1.536,22, een bedrag ad € 94,93 aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag ad € 19,94 aan btw over de buitengerechtelijke incassokosten. 3.4. [appellanten] hebben de huurachterstand erkend en de kantonrechter verzocht een terme de grace uit te spreken op grond van artikel 7:280 BW. 3.5. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen geen aanleiding te zien om [appellanten] op grond van artikel 7:280 BW een betalingstermijn tot te staan, omdat zij daarvoor onvoldoende naar voren hebben gebracht. De kantonrechter heeft vervolgens de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [appellanten] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen 30 dagen na betekening van het vonnis. Voorts heeft de kantonrechter [appellanten] veroordeeld tot hoofdelijke betaling van het bedrag van € 1.651,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.536,22, alsmede tot betaling van zoveel maal het bedrag van € 451,69 per maand als er vanaf de maand juli 2020 tot aan de dag van ontruiming telkens een nieuwe maand zal zijn ingegaan, en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.6. [appellanten] vorderen in het incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep. 3.7. Antares heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden. 3.8. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.