← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2020:3895

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.279.891/01 arrest van 15 december 2020 gewezen in het incident ex artikel 222 jo 220 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. D.M. Lamers te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] (België), geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 19 mei 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 maart 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6983523 CV EXPL 18-4557) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met eiswijziging tevens incidentele conclusie van eis; de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.

  1. [appellant] vordert in dit incident de voeging te bevelen van de bij dit hof aanhangige zaak met nummer 200.279.899/
  2. Kort gezegd stelt hij daartoe dat beide zaken voor dezelfde rechter aanhangig zijn, tussen dezelfde partijen en op hetzelfde onderwerp zien. Volgens [appellant] zijn deze zaken met elkaar verknocht aangezien het in eerste aanleg één en dezelfde zaak betrof. 3.
  3. [geïntimeerde] refereert zich aan het oordeel van het hof. 3.
  4. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 222 lid 1 Rv juncto artikel 353 lid 1 Rv in geval dat voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, de voeging daarvan kan worden gevorderd. Het hof constateert dat de vordering tot voeging, gelet op het bepaalde in artikel 222 lid 2 juncto artikel 220 lid 3 juncto artikel 353 lid 1 Rv tijdig is ingesteld. 3.
  5. Naar het oordeel van het hof is het een gegeven dat de zaken waarvan voeging wordt gevorderd verknocht zijn nu het één en dezelfde zaak betreft, waarvan de vonnissen zijn gewezen tussen dezelfde partijen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter eerst een deelvonnis gewezen waartegen [appellant] in hoger beroep moest komen en nadien moest [appellant] nog tegen het eindvonnis in hoger beroep komen. Nu [geïntimeerde] zich refereert, zal de incidentele vordering tot voeging worden toegewezen. 3.
  6. Het hof overweegt voor de duidelijkheid dat de vorderingen, ondanks de voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500). Door de voeging wordt de partij in de ene zaak ook niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904), althans voor zover dat nog niet het geval is. Een en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke zaak hun memories en/of akten betrekking hebben. 3.
  7. Omdat geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In de hoofdzaak 3.
  8. De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: beveelt de voeging van de onderhavige zaak met zaaknummer 200.279.891/01 met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.279.899/01 tussen [appellant] als appellant en [geïntimeerde] als geïntimeerde; compenseert de proceskosten van het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 26 januari 2021 voor memorie van antwoord; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 december
  9. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.