← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2020:3961

Parketnummer : 20-001907-13 Uitspraak : 10 december 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant van 31 mei 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-997014-09 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, wonende te [woonadres] Hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 7, 8 en 9 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen deze vrijspraken. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het Openbaar Ministerie, dat eveneens onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, zijn bezwaren tegen de vrijspraken van het onder 7, 8 en 9 tenlastegelegde niet handhaaft. Nu noch het Openbaar Ministerie, noch de verdachte er kennelijk belang bij hebben dat deze feiten in hoger beroep worden behandeld en het hof daar ook ambtshalve geen aanleiding toe ziet, zal het hof het Openbaar Ministerie op de voet van het bepaalde in artikel 416 lid 3 Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de genoemde vrijspraken. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en in zoverre opnieuw rechtdoende, aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, en de ontzetting uit het recht om zich beroepsmatig bezig te houden met vuurwerk (in de breedste zin van het woord) alsmede de ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van [bedrijf verdachte] (opmerking griffier: voorheen [bedrijf verdachte]) en [bedrijf 2 verdachte] , voor de duur van twee jaar. De verdediging heeft ter zake feit 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair, 10 primair en subsidiair, 11 primair en subsidiair, feit 12 en feit 13 vrijspraak bepleit. Ter zake feit 5 primair en subsidiair en feit 6 primair en subsidiair stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden en subsidiair dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Ter zake feit 1 primair en subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is en daarom zou ontslag van alle rechtsvervolging dienen te volgen. Meer subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het hof – mede gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn – kan volstaan met de oplegging van een geldboete en een eventuele taakstraf. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de Economische meervoudige kamer. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat: 1 hij op of omstreeks 9 november 2007 in de gemeente Uden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, als degene die een of meer containers vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel – indien deze melding werd gedaan op een werkdag voor 12.00 uur – niet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten brengen van dat vuurwerk, schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; (zaak 2) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] . en/of [bedrijf 2 verdachte] op of omstreeks 9 november 2007 in de gemeente Uden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, al dan niet opzettelijk, als degene die een of meer containers vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel – indien deze melding werd gedaan op een werkdag voor 12.00 uur – niet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten brengen van dat vuurwerk, schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben (heeft) gegeven; (zaak 2) 2 hij op of omstreeks 9 november 2007, in de gemeente Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 70, in elk geval een of meerdere, dozen inhoudende cakeboxen (artikelnr. 8005) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers waren voornoemde cakeboxen (artikelnr. 8005) in strijd met artikel 5 lid 1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van twee lonten en/of bevatte de totale lading van de burst per compartiment van (een aantal van) deze cakeboxen in strijd met het bepaalde in Bijlage C2 behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 2 gram perchloraat/metaal; (zaak 2) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] . en/of [bedrijf 2 verdachte] op of omstreeks 9 november 2007, in de gemeente Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 70, in elk geval een of meerdere, dozen inhoudende cakeboxen (artikelnr. 8005), binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit gestelde regels artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen, immers waren voornoemde cakeboxen in strijd met artikel 5 lid 1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van twee lonten en/of bevatte de totale lading van de burst per compartiment van (een aantal van) deze cakeboxen in strijd met het bepaalde in Bijlage C2 behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 2 gram perchloraat/metaal, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en/of, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben (heeft) gegeven; (zaak 2) 3 3.hij op of omstreeks 9 november 2007 in de gemeente Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of heeft doen maken van een vals(

  1. e)of vervalst(
  2. e)CMR (dossier blz 2063), – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken/gebruik doen maken hierin dat genoemde CMR werd gebruikt bij de invoer en/of transport van vuurwerk uit Duitsland naar Nederland en bij controle ter inzage werd afgegeven aan [Opsporingsfunctionaris 1] en [opsporingsfunctionaris 2] , beiden opsporingsfunctionaris IVW, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die CMR stond vermeld "1.4G Vuurwerk" terwijl (een deel van) het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1.4G vuurwerk was; (zaak 2) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] . en/of [bedrijf 2 verdachte] , op of omstreeks 9 november 2007 in de gemeente Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of heeft doen maken van een vals(
  3. e)of vervalst(
  4. e)CMR (dossier blz 2063), – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken/gebruik doen maken hierin dat genoemde CMR werd gebruikt bij de invoer en/of transport van vuurwerk uit Duitsland naar Nederland en bij controle ter inzage werd afgegeven aan [Opsporingsfunctionaris 1] en [opsporingsfunctionaris 2] , beiden opsporingsfunctionaris IVW, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die CMR stond vermeld "1.4G Vuurwerk" terwijl (een deel van) het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1.4G vuurwerk was, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben (heeft) gegeven; (zaak 2) 4 hij in of omstreeks de maanden mei en juni 2008 in Antwerpen (België), en/of in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of doen maken van (een) vals(
  5. e)of vervalst(
  6. e)invoice(
  7. s)en/of CMR(
  8. s)– (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die/dat geschrift(
  9. en)echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat, - de invoice van de containers CCLU6596060 en/of CCLU6350380 was gericht aan [bedrijf 3] .(dossier blz 3129), en/of - de invoice van de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en/of CCLU7001063 was gericht aan [bedrijf 3] . (dossier blz 3121), en/of - op de CMR's met nummers 571570, 571572, 571569, 571568 en/of 571571 (telkens) als "Geadresseerde" was vermeld [bedrijf 3] ., en/of op deze CMR's was vermeld dat het getransporteerde vuurwerk behoorde tot de gevarencategorie 1.4G, zulks terwijl [bedrijf 3] . (telkens) in het geheel niets te maken had met de bestelling en/of import en/of transport van het zich in de containers bevindende vuurwerk en/of dat de valse vermelding van [bedrijf 3] . op de invoice(
  10. s)is geschied om de ware koper(
  11. s)en/of importeur(
  12. s)en/of afnemer(
  13. s)van het zich in de containers bevindende vuurwerk te verhullen en bestaande dat gebruikmaken/gebruik doen maken in het afgeven van de invoice(
  14. s)aan de [bedrijf 4] voor het inklaren van de containers en/of dat de valse vermelding van [bedrijf 3] . en/of de vermelding 1.4 G op de CMR's is geschied om de ware koper(
  15. s)en/of importeur(
  16. s)en/of afnemer(
  17. s)en/of de juiste classificatie van de gevarencategorie van het zich in de containers bevindende vuurwerk te verhullen en bestaande dat gebruikmaken/gebruik doen maken in het afgeven van de CMR's aan [transporteur] voor het transport van de containers; (zaak 3) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] , en/of [bedrijf verdachte] , en/of [bedrijf 2 verdachte] in of omstreeks de maanden mei en juni 2008 in Antwerpen (België), en/of in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of doen maken van (een) vals(
  18. e)of vervalst(
  19. e)invoice(
  20. s)en/of CMR(
  21. s)– (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die/dat geschrift(
  22. en)echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat, - de invoice van de containers CCLU6596060, CCLU6350380 was gericht aan [bedrijf 3] .(dossier blz 3129), en/of - de invoice van de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en/of CCLU7001063 was gericht aan [bedrijf 3] . (dossier blz 3121), en/of - op de CMR's met nummers 571570, 571572, 571569, 571568 en/of 571571 (telkens) als "Geadresseerde" was vermeld [bedrijf 3] ., en/of op deze CMR's was vermeld dat het getransporteerde vuurwerk behoorde tot de gevarencategorie 1.4G zulks terwijl [bedrijf 3] . (telkens) in het geheel niets te maken had met de bestelling en/of import en/of transport van het zich in de containers bevindende vuurwerk en/of dat de valse vermelding van [bedrijf 3] . op de invoice(
  23. s)is geschied om de ware koper(
  24. s)en/of importeur(
  25. s)en/of afnemer(
  26. s)van het zich in de containers bevindende vuurwerk te verhullen en bestaande dat gebruikmaken/gebruik doen maken in het afgeven van de invoice(
  27. s)aan de [bedrijf 4] voor het inklaren van de containers en/of dat de valse vermelding van [bedrijf 3] . en/of de vermelding 1.4 G op de CMR's is geschied om de ware koper(
  28. s)en/of importeur(
  29. s)en/of afnemer(
  30. s)en/of de juiste classificatie van de gevarencategorie van het zich in de containers bevindende vuurwerk te verhullen en bestaande dat gebruikmaken/gebruik doen maken in het afgeven van de CMR's aan [transporteur] voor het transport van de containers tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben (heeft) gegeven; (zaak 3) 5 5.hij op of omstreeks 10 december 2008 in de gemeente Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als degene die twee containers met vuurwerk, te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland bracht, al dan niet opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel – indien deze melding werd gedaan op een werkdag voor 12.00 uur – niet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten brengen van dat vuurwerk, schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; (zaak 4) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] . en/of [bedrijf 2 verdachte] op of omstreeks 10 december 2008 in de gemeente Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als degene die twee containers met vuurwerk, te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland bracht, al dan niet opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel – indien deze melding werd gedaan op een werkdag voor 12.00 uur – niet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten brengen van dat vuurwerk, schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk(
  31. e)bovenomschreven strafbare feit(en), hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] (telkens) opdracht heeft (hebben) gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging(
  32. en)verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(
  33. en)(telkens) feitelijk leiding heeft gegeven; (zaak 4) 6 hij op of omstreeks 16 december 2008 in de gemeente Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als degene die een container met vuurwerk, (te weten CCLU6670758), binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland bracht, al dan niet opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel – indien deze melding werd gedaan op een werkdag voor 12.00 uur – niet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten brengen van dat vuurwerk, schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; (zaak 4) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] . en/of [bedrijf 2 verdachte] op of omstreeks 16 december 2008 in de gemeente Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, als degene die een container met vuurwerk, (te weten CCLU6670758), binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland bracht, al dan niet opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel – indien deze melding werd gedaan op een werkdag voor 12.00 uur – niet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten brengen van dat vuurwerk, schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk(
  34. e)bovenomschreven strafbare feit(en), hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] (telkens) opdracht heeft (hebben) gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging(
  35. en)verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(
  36. en)(telkens) feitelijk leiding heeft gegeven; (zaak 4) 10 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009 in de gemeente Uden, althans in Nederland en/of in België Luxemburg en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van [bedrijf 2 verdachte] , – zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(
  37. en)die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen – (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, hebbende de [bedrijf 2 verdachte] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(
  38. n)toen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken - 20, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . (dossier blz 7106 t/m 7125) en/of - 20, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . (dossier blz 7132 t/m 7151) en/of - 5, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . (dossier blz 7158 t/m 7162) en/of - 3, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 3] . (dossier blz 7102 t/m 7104), (telkens) terzake van verkoop en/of levering van goederen en of diensten en/of verrichte en/of te verrichten werkzaamheden tegen een op die factu(u)r(
  39. en)vermelde prijs of prijzen, zulks terwijl verkoop en/of levering van die goederen en of diensten en/of verrichte en/of te verrichten werkzaamheden zoals op die factu(u)r(
  40. en)vermeld aan of voor [bedrijf 5] . en/of [bedrijf 3] . in werkelijkheid (telkens) niet heeft(hebben) plaatsgevonden en/of zouden plaatsvinden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
  41. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (zaak 7) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf 2 verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009 in de gemeente Uden, althans in Nederland en/of in België en/of in Luxemburg en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van [bedrijf 2 verdachte] , – zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(
  42. en)die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen – (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, hebbende de [bedrijf 2 verdachte] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(
  43. n)toen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken - 20, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . (dossier blz 7106 t/m 7125) en/of - 20, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . (dossier blz 7132 t/m 7151) en/of - 5, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . (dossier blz 7158 t/m 7162) en/of - 3, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 3] . (dossier blz 7102 t/m 7104) (telkens) ter zake van verkoop en/of levering van goederen en of diensten en/of verrichte en/of te verrichten werkzaamheden tegen een op die factu(u)r(
  44. en)vermelde prijs of prijzen, zulks terwijl verkoop en/of levering van die goederen en of diensten en/of verrichte en/of te verrichten werkzaamheden zoals op die factu(u)r(
  45. en)vermeld aan of voor [bedrijf 5] . en/of [bedrijf 3] . in werkelijkheid (telkens) niet heeft (hebben) plaatsgevonden en/of zouden plaatsvinden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
  46. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(
  47. e)bovenomschreven strafbare feit(en), hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] (telkens) opdracht heeft (hebben) gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging(
  48. en)verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(
  49. en)(telkens) feitelijk leiding heeft gegeven; (zaak 7) 11 Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 december 2007 tot en met 14 januari 2009 in de gemeente Uden, althans in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van [bedrijf verdachte] , – zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(
  50. en)die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen – (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, hebbende [bedrijf verdachte] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(
  51. n)toen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken - 4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf verdachte] gericht aan [bedrijf 3] . (dossier blz 7166-7169), (telkens) ter zake van verkoop en/of levering van goederen tegen een op die factu(u)r(
  52. en)vermelde prijs of prijzen zulks terwijl verkoop en/of levering van die goederen zoals op die factu(u)r(
  53. en)vermeld aan [bedrijf 3] . in werkelijkheid (telkens) niet hebben (heeft) plaatsgevonden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
  54. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (zaak 7)subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijf verdachte] . en/of [bedrijf verdachte] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 december 2007 tot en met 14 januari 2009 in de gemeente Uden, althans in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van [bedrijf verdachte] , – zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(
  55. en)die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen – (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, hebbende [bedrijf verdachte] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(
  56. n)toen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken - 4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf verdachte] gericht aan [bedrijf 3] . (dossier blz 7166-7169), (telkens) ter zake van verkoop en/of levering van goederen tegen een op die factu(u)r(
  57. en)vermelde prijs of prijzen zulks terwijl verkoop en/of levering van die goederen zoals op die factu(u)r(
  58. en)vermeld aan [bedrijf 3] . in werkelijkheid (telkens) niet hebben (heeft) plaatsgevonden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
  59. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en/of, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben (heeft) gegeven; (zaak 7) 12 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met de maand januari 2009, in de gemeente Uden, althans in Nederland, en/of in Luxemburg en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en /of (een of meer van) haar mededader(
  60. s)(telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen tot een totaal bedrag van ongeveer € 1.003.000,00, in elk geval één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en voorhanden gehad en/of heeft omgezet in giraal geld door contante storting op een bankrekening ten name van [bedrijf 2 verdachte] , te weten één of meer van de navolgende geldbedragen: 1. een geldbedrag van € 200.000,00 (gestort op 9-1-2009), en/of 2. een geldbedrag van € 73.000,00 (gestort op 10-12-2007), en/of 3. een geldbedrag van € 200.000,00 (gestort op 18-1-2008), en/of 4. een geldbedrag van € 100.000,00 (gestort op 31-7-2008), en/of 5. een geldbedrag van € 100.000,00 (gestort op 8-8-2008), en/of 6. een geldbedrag van € 130.000,00 (gestort op 15-1-2007), en/of 7. een geldbedrag van € 200.000,00 (gestort op 18-1-2007), en/of zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  61. s)wist(en), althans redelijkerwijs hadden vermoeden, dat die/dat geldbedrag(
  62. en)geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (zaak 7) 13 hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met de maand januari 2009, in de gemeente Uden, althans in Nederland en/of in Luxemburg en/of in de Bondsrepubliek Duitsland en/of in België heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband tussen hem, verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en/of de rechtspersonen [bedrijf 2 verdachte] , [bedrijf verdachte] ., [bedrijf verdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven waaronder artikel 225 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 420bis Wetboek van Strafrecht en/of artikel(
  63. en)1.2.2 en/of 1.3.2 van het Vuurwerkbesluit tot 1 juni 2008 strafbaar gesteld in artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen en vanaf 1 juni 2008 strafbaar gesteld in artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer. (zaak 7) De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 5 primair, 6 primair, 10 primair en 11 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof wijst voor wat betreft de motivering van de vrijspraken naar hetgeen bij feit 1, 5, 6, 10 en 11 wordt overwogen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 10 subsidiair, 11 subsidiair, 12 en 13 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1subsidiair[bedrijf verdachte] . op 9 november 2007 in de gemeente Uden, opzettelijk, als degene die twee containers vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging opdracht dan wel feitelijk leiding hebben gegeven; 2 2.hij op 9 november 2007, in de gemeente Uden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 70 dozen inhoudende cakeboxen (artikelnr. 8005) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers waren voornoemde cakeboxen (artikelnr. 8005) in strijd met artikel 5 lid 1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van twee lonten en bevatte de totale lading van de burst per compartiment van (een aantal van) deze cakeboxen in strijd met het bepaalde in Bijlage C2 behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan 2 gram perchloraat/metaal; 3 hij op 9 november 2007 in de gemeente Uden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse CMR – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat genoemde CMR werd gebruikt bij de invoer en transport van vuurwerk uit Duitsland naar Nederland en bij controle ter inzage werd afgegeven aan [Opsporingsfunctionaris 1] en [opsporingsfunctionaris 2] , beiden opsporingsfunctionaris IVW, en bestaande die valsheid hierin dat op die CMR stond vermeld "1.4G Vuurwerk" terwijl een deel van het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1.4G vuurwerk was; 4 hij in of omstreeks de maanden mei en juni 2008 in Antwerpen (België) en in Nederland en in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse invoices – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat, - de invoice van de containers CCLU6596060, CCLU6350380 was gericht aan [bedrijf 3] ., en - de invoice van de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en/of CCLU7001063 was gericht aan [bedrijf 3] ., zulks terwijl [bedrijf 3] . telkens in het geheel niets te maken had met de bestelling en import en transport van het zich in de containers bevindende vuurwerk en dat de valse vermelding van [bedrijf 3] . op de invoices is geschied om de ware kopers en importeurs en afnemers van het zich in de containers bevindende vuurwerk te verhullen en bestaande dat gebruikmaken in het afgeven van de invoices aan de [bedrijf 4] voor het inklaren van de containers; 5subsidiair[bedrijf 2 verdachte] op 10 december 2008 in Nederland, als degene die twee containers met vuurwerk, te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven; 6. subsidiair [bedrijf 2 verdachte] op 16 december 2008 in Nederland, als degene die een container met vuurwerk, (te weten CCLU6670758), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven; 10subsidiair[bedrijf 2 verdachte] in de periode van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009 in Nederland en in België en in Luxemburg de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2 verdachte] , – zijnde die bedrijfsadministratie voornoemd een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, hebbende [bedrijf 2 verdachte] toen aldaar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen - 45 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 5] . en - 3 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 2 verdachte] , gericht aan [bedrijf 3] . telkens ter zake van verkoop en levering van goederen tegen een op die facturen vermelde prijs, zulks terwijl verkoop en levering van die goederen zoals op die facturen vermeld aan [bedrijf 5] . en/of [bedrijf 3] . in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden of zouden plaatsvinden, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] feitelijk leiding heeft gegeven; 11subsidiair [bedrijf verdachte] in de periode van 4 december 2007 tot en met 14 januari 2009 in de gemeente Uden, een deel van de bedrijfsadministratie van [bedrijf verdachte] , – zijnde die bedrijfsadministratie voornoemd een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, hebbende [bedrijf verdachte] toen aldaar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen - 4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf verdachte] gericht aan [bedrijf 3] . (telkens) ter zake van verkoop en levering van goederen tegen een op die facturen vermelde prijs, zulks terwijl verkoop en levering van die goederen zoals op die facturen vermeld aan [bedrijf 3] . in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven; 12 12.hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met de maand januari 2009, in Nederland en in Luxemburg en in België, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders hierna te noemen geldbedragen tot een totaal bedrag van ongeveer € 1.003.000,00, verworven en voorhanden gehad en omgezet in giraal geld door contante storting op een bankrekening ten name van [bedrijf 2 verdachte] , te weten de navolgende geldbedragen: 1. gestort op 9-1-2009), en 2. € 73.000,00 ( gestort op 10-12-2007), en 3. € 200.000,00 ( gestort op 18-1-2008), en 4. € 100.000,00 ( gestort op 31-7-2008), en 5. € 100.000,00 ( gestort op 8-8-2008), en 6. € 130.000,00 ( gestort op 15-1-2007) en 7. € 200.000,00 ( gestort op 18-1-2007), zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf; 13 13.hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met de maand januari 2009, in Nederland en in Luxemburg en in de Bondsrepubliek Duitsland en in België heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband tussen hem, verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de rechtspersonen [bedrijf 2 verdachte] en [bedrijf verdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven waaronder artikel 225 Wetboek van Strafrecht en artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de na te melden bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Algemeen Op 17 april 1984 is [bedrijf verdachte] . opgericht. [bedrijf verdachte] . importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [bedrijf verdachte] . in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008 en 10 september 2009 is [bedrijf verdachte] . gevestigd op het adres [adres bedrijf verdachte] . Sinds 12 januari 1998 is [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) enig aandeelhouder en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) bestuurder en directeur van [bedrijf verdachte] . Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen. Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [bedrijf 2 verdachte] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [rechtspersoon 1] ., vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] en [rechtspersoon 2] ., vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] . Als activiteiten van [bedrijf 2 verdachte] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [bedrijf 2 verdachte] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [rechtspersoon 1] ., [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] is tevens directeur van [bedrijf 2 verdachte] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 2 verdachte] , gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 1] zich terugtrok als bestuurder en dat [verdachte] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [bedrijf 2 verdachte] : de rechtspersoon [rechtspersoon 1] ., [medeverdachte 2] en [verdachte] . In de periode van 2006 t/m 2008 worden door [bedrijf 2 verdachte] 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. Het vuurwerk werd opgeslagen in Lahn en Lindern in Duitsland. Door [verdachte] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [bedrijf verdachte] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [bedrijf verdachte] gewijzigd in [bedrijf verdachte] [opmerking griffiers: daar waar het hof [bedrijf verdachte] noemt, dient steeds te worden gelezen [bedrijf verdachte] thans [bedrijf verdachte]]. Ook gaf [verdachte] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [bedrijf verdachte] , te weten [adres] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [bedrijf verdachte] was gevestigd. Door [verdachte] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [bedrijf verdachte] waarbij het adres [adres] , werd opgegeven. Uit het pand op het adres [adres] kon niet worden opgemaakt dat [bedrijf verdachte] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [adres] in gebruik heeft en voor [verdachte] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd [bedrijf 6] de belangen voor [bedrijf verdachte] behartigt. De heer [verdachte] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [medeverdachte 1] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder meer samen met haar man [medeverdachte 2] belangen heeft in [bedrijf verdachte] . en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [bedrijf verdachte] . Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Volgens haar verkoopt [bedrijf verdachte] . ook vuurwerk aan [bedrijf verdachte] . [medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [bedrijf verdachte] . [medeverdachte 1] bevestigt in haar verklaring dat [medeverdachte 3] door [bedrijf verdachte] . aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant. [expediteur] is expediteur bevrachter en samen met [transporteur] aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 7] . Hij heeft bij de politie verklaard dat [bedrijf verdachte] . (door hem [bedrijf verdachte] . genoemd) en [bedrijf 2 verdachte] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [bedrijf verdachte] was [medeverdachte 2] en bij [bedrijf 2 verdachte] was dat [verdachte] . [expediteur] heeft contact met [medeverdachte 1] voor [bedrijf verdachte] . als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [medeverdachte 2] de baas van [bedrijf verdachte] . [medeverdachte 2] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [medeverdachte 2] meestal [medeverdachte 1] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [medeverdachte 2] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. van [expediteur] factureert aan [bedrijf 2 verdachte] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van de [bedrijf verdachte] . De betalingen van [bedrijf 2 verdachte] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [bedrijf 2 verdachte] gedaan. Toen [verdachte] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [verdachte] heeft tegen [expediteur] gezegd dat hij, [verdachte] , verantwoordelijk was voor [bedrijf 2 verdachte] . Ter zake feit 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair (zaak 2): Het hof, met de rechtbank, baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen. Op 9 november 2007 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) omstreeks 9:35 uur op de parkeerplaats ‘De Schaars’, gelegen aan de Rijksweg A12 in de gemeente Arnhem twee trekkers met oplegger gecontroleerd op de juiste naleving van de bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven regels en voorschriften. Het betrof de combinatie voorzien van kenteken [kenteken] en de combinatie voorzien van kenteken [kenteken] . Op de ter inzage afgegeven vervoersdocumenten (CMR), zagen de rapporteurs [Opsporingsfunctionaris 1] en [opsporingsfunctionaris 2] , beiden opsporingsfunctionaris van de IVW, dat de vervoerde lading van beide combinaties als volgt was aangeduid: - kenteken [kenteken] /Container nr. CCLU 710719-0 (CMR-nr. 327956) 835 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 126,92 kg, bruto 10.835 kgs, - kenteken [kenteken] /Container nr. CCLU 673216-6 (CMR-nr. 327950) 637 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 96,8 kg, bruto 8.281 kgs. Blijkens de desbetreffende CMR was deze lading met vuurwerk afkomstig van [bedrijf verdachte] in Duitsland en bestemd om te worden afgeleverd bij de vestigingen van [bedrijf verdachte] . in respectievelijk Uden en Nistelrode. De chauffeurs [chauffeur] en [chauffeur] hebben verklaard dat grensoverschrijdend vervoer werd verricht van Duitsland naar Nederland en dat de transporteenheden waren beladen met gevaarlijke stoffen, namelijk vuurwerk. Bij navraag door de rapporteurs bleken de volgens het Vuurwerkbesluit verplichte importmeldingen bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt voor beide transporten niet te zijn gedaan. Deze transporten van ladingen met vuurwerk waren daar niet aangemeld. Vervolgens is besloten beide transporten voor nader onderzoek naar het afleveradres van [bedrijf verdachte] in [adres bedrijf verdachte] te laten rijden. Op 9 november 2007 werd [inspecteur politie] , inspecteur van politie gebeld door de hem bekende [verdachte] , die hem vertelde dat de containers per ongeluk niet waren gemeld. [medeverdachte 1] heeft verklaard: ‘wij willen geen verklaring afleggen, maar willen volstaan met het afgeven van een schriftelijke verklaring.’ Die verklaring, ondertekend door [medeverdachte 1] , betreft het transport van goederen van [bedrijf verdachte] Duitsland naar [bedrijf verdachte] . te Uden en houdt onder meer in: ‘Wij hadden nog retourgoederen staan van onze klanten. [medeverdachte 2] . [het hof begrijpt: [medeverdachte 2]] zou deze goederen, die op pallets stonden in een container laden. Onderweg naar Nederland werd deze staande gehouden door de IVW. Er zijn twee pallets in beslaggenomen. De gang van zaken is niet gebruikelijk en wordt betreurd.’ Bij nadere controle bij de vestiging van [bedrijf verdachte] . in Uden telden verbalisanten in de tweede container met nummer CCLU7107190 van vrachtauto [kenteken] , 462 dozen vuurwerk op 16 pallets. Achter in de container werden twee pallets aangetroffen met in totaal 70 dozen vuurwerk en de opschriften ‘WY Antwerpen’ en ‘8005 6/1’ en ‘WY07-010HL’. Op de dozen stond niet de verplichte aanduiding: ‘Geschikt voor particulier gebruik.’ Na opening bleken deze dozen elk verpakt te zijn met zes zogenaamde batterijen, ook wel flowerbeds of cakeboxen genoemd, met het artikelnummer 8005, elk met 19 buizen met lading (shots). De artikelen 8005 waren allemaal verpakt in kartonnen dozen, zonder gaasverpakking en zonder een speciale binnenverpakking. Door verbalisanten werd één doos met 19 shots flowerbeds met artikelnummer 8005 meegenomen als monster (VBAN7012) om onderzocht te worden door het NFI. In het deskundigenrapport van het NFI d.d. 29 november 2007 is ter zake dat monster vermeld dat drie zogenaamde cakeboxen zijn aangeboden voor nader chemisch onderzoek. Dat betroffen de White Glittery Willow, de Color Peony & Silver Chrysanthemum en de Brocade Crown. In het rapport staat onder meer dat de drie typen cakeboxen elk zijn voorzien van twee lonten, een zogenaamde ‘first fuse’ en een zogenaamde ‘spare fuse’. In 8 onderzochte compartimenten werd een burstlading aangetroffen die hoger was dan de maximale norm van 2 gram in cakeboxen van categorie C2 uit bijlage III in de RNEV 2004. De onderzochte burstladingen van de drie typen cakeboxen bestonden hoofdzakelijk uit kaliumperchloraat en zwavel. Daarnaast is aluminium (metaal) en mogelijk magnalium (metaallegering van aluminium en magnesium) aanwezig. De gemiddelde massa burstlading van de White Glittery Willow was 2,66 gram en van de Brocade Crown 2,40 gram. Door TNO zijn de chemical compositions van het vuurwerkartikel 8005 onderzocht. Volgens TNO zijn de zes verschillende cakeboxen nagenoeg identiek, alleen de kleuren/effecten zijn anders. Voor de classificatie maakt dit niet uit. De burst bestaat uit 2 gram flitspoeder, ofwel een percentage van 13,8% van de totale lading. Dit leidt tot de conclusie dat dit vuurwerkartikel moet worden geclassificeerd als 1.3G. Op beide hiervoor genoemde vervoersdocumenten: CMR-nr. 327956 en CMR-nr. 327950 staat over de aard van de getransporteerde goederen vermeld dat het ‘1.4G vuurwerk’ betreft. Verweer De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de 70 dozen cakeboxen eigendom waren van [verdachte] en [bedrijf verdachte] . Ook heeft [verdachte] niet de opdracht gegeven om deze dozen te vervoeren en was hij niet op de hoogte van de aanwezigheid van de dozen in de container. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het dossier tevens aanwijzingen bevat dat [verdachte] niet betrokken is geweest bij dit feit. Zo klopt de verklaring van chauffeur [chauffeur] niet, nu hij spreekt over iemand met krullend haar, 35 jaar oud en rijdend in een pick-up, en verklaart de andere chauffeur, [chauffeur] , die [verdachte] kent, dat [verdachte] niet aanwezig was bij het laden en lossen in Lindern op 9 november 2007. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Chauffeur [chauffeur] heeft verklaard dat hij samen met drie andere chauffeurs op 8 november 2007 naar Antwerpen is gereden om containers met vuurwerk te laden en naar Lindern te brengen. Hij wist al voordat hij in Antwerpen was dat hij op de terugreis ook vuurwerk vanuit Lindern moest vervoeren naar Uden. De inhoud van de containers werd gelost in een loods waar hij met zijn vrachtwagen naast geparkeerd stond. Bij die loods was een Nederlands sprekende man met een Brabants accent aanwezig. Hij reed in een verschrikkelijk dikke auto. De volgende ochtend was zijn container weer geladen met vuurwerk. De man met de dikke auto had de leiding bij de laadwerkzaamheden. De CMR moest hij zelf schrijven. De man met die dikke auto gaf hem op wat er op de CMR moest staan. Alleen de zin over autorisatie heeft hijzelf, [chauffeur] , erop gezet. Hij herkent [verdachte] van foto’s als de man die bij de loods in Lindern aanwezig was. Deze man was later aanwezig bij het lossen in Uden. [chauffeur] was ook samen met deze man en een ander in het kantoortje van het bedrijf in Uden. Hij hoorde dat die andere man tegen die uit Lindern zei dat voorin zijn container twee pallets stonden met illegaal vuurwerk. Vervolgens hoorde hij dat die man uit Lindern zei dat hij zou proberen de mensen van VROM weg te lokken met koffie, zodat de pallets uitgereden konden worden. Beide personen wisten dat de twee pallets voorin zijn, [chauffeur] , container niet goed waren. Ze wisten dat al voor de controle in Uden. Ze noemden daarbij een artikelnaam. [chauffeur] weet alleen niet meer welke naam ze gebruikten. Ze besloten dat [chauffeur] als laatste gecontroleerd zou worden, zodat ze tijd hadden om die twee pallets aan de controle te proberen te onttrekken. Tegenover de rechter-commissaris heeft [chauffeur] deze verklaring bevestigd. Hij herkent de CMR-nr. 327950 en verklaart deze te hebben geschreven voor zijn collega en getekend in hokje 23. Het aantal kilo’s heeft hij niet gecontroleerd. De hoeveelheid was hem opgegeven door de man met het Brabantse accent. De verklaringen van getuige [chauffeur] , in onderling verband bezien, houden in dat hij beide vrachtbrieven heeft ingevuld aan de hand van informatie die hem door [verdachte] werd verstrekt, derhalve ook de CMR met nummer 327956, die ziet op de container waarin de 70 dozen zaten. Chauffeur [chauffeur] heeft verklaard dat [verdachte] niet aanwezig was bij het laden op 9 november 2007 in Lindern. [chauffeur] verklaart verder dat hij zelf niet aanwezig is geweest bij het laden; hij heeft geen toezicht gehouden. Nu [chauffeur] zelf verklaart niet aanwezig te zijn geweest bij het laden en gelet op de omstandigheid dat chauffeur [chauffeur] [verdachte] heeft herkend op een foto als de persoon die aanwezig was bij het laden en lossen, gaat het hof er vanuit dat [verdachte] aanwezig was bij het laden en lossen en dat [chauffeur] hem niet heeft (kunnen) gezien. [verdachte] heeft tegenover [inspecteur politie] voornoemd, over de verschillen in aantallen dozen op de CMR en de door verbalisant aangetroffen dozen verklaard, dat hij de transportdocumenten voor wat betreft de aantallen maar een beetje op de gok had laten invullen. [medeverdachte 2] heeft ter zake het in Uden onderzochte vuurwerk verklaard dat het gaat om overgebleven vuurwerk van klanten dat in Duitsland was opgeslagen. [verdachte] heeft daarover hetzelfde gezegd en daaraan toegevoegd, dat het vuurwerk ‘door [bedrijf verdachte] ’ was getransporteerd en dat dit vuurwerk nu was teruggehaald naar Nederland. Verder heeft hij verklaard bij [bedrijf verdachte] . belast te zijn geweest met de inkoop en verkoop van vuurwerk. [bedrijf verdachte] . verkocht consumentenvuurwerk in Nederland. Het etiket van het vuurwerk met artikelnummer 8005, in de doos met aanduiding ‘WY Antwerpen’ en ‘8005 6/1’ en ‘WY07-010HL’ vermeldt: geschikt voor particulier gebruik. [verdachte] heeft op 9 november 2007 verklaard dat de meldingen nog zouden worden “aangevuld” door zijn moeder, [medeverdachte 1] . Conclusie feit 1 Daderschap van de rechtspersoon: Juridisch kader Een rechtspersoon kan volgens bestendige jurisprudentie als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: - het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; - de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; - de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; - de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging De gedragingen zijn verricht door bestuurders van de rechtspersoon en door [verdachte] , die in het bedrijf werkzaamheden verricht. Het betreft gedragingen die vallen binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het hof is van oordeel dat [bedrijf verdachte] . op grond van de geldende criteria het onder 1 tenlastegelegde feit (niet melden van transporten) heeft begaan. Feitelijk leiding geven Juridisch kader Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat (vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.1.2.- 3.5.3.). Opdracht geven veronderstelt een uitdrukkelijke, een positieve aanwijzing. Toelaten of nalaten is daarvoor niet toereikend. Wanneer het gaat om meer feiten waartoe opdracht is gegeven, is niet vereist dat de opdracht tot elk afzonderlijk feit bewezen wordt (HR 23 oktober 1984, NJ 1985/319). Overigens is de keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' van geen belang voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde (vgl. HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP8469, rov. 3.3.1.). Naar het oordeel van het hof zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als feitelijk leidinggevers aan te merken en [verdachte] deels ook als opdrachtgever van de verboden gedraging begaan door [bedrijf verdachte] . Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat [verdachte] – in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd – wel degelijk bemoeienis heeft gehad bij het vervoeren van de 70 dozen cakeboxen. [verdachte] is aanwezig geweest bij het laden en het lossen van de dozen en daarmee is hij zelf actief betrokken geweest bij het transport en heeft ter zake opdrachten gegeven aan degenen die voor [bedrijf verdachte] werkten. Op deze wijze heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [bedrijf verdachte] . Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kunnen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tevens als feitelijk leidinggevers worden aangemerkt aan de verboden gedraging begaan door [bedrijf verdachte] . [medeverdachte 2] was aandeelhouder en iemand noemt hem ‘de baas’ van [bedrijf verdachte] . Uit zijn uitlatingen komt naar voren dat hij op de hoogte was van het transport. Hij heeft verklaard dat het om vuurwerk ging van klanten dat in Duitsland was opgeslagen, [medeverdachte 1] was bestuurder en directeur van [bedrijf verdachte] . [medeverdachte 1] regelde alles met betrekking tot de administratie. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, maar zulke maatregelen hebben zij achterwege gelaten. Daarmee hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [bedrijf verdachte] . Dit betekent dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] zullen worden vrijgesproken van feit 1 primair. Feit 1 subsidiair acht het hof ten aanzien van hen bewezen. Verweer De verdediging heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de betrokken twee pallets vuurwerk het eigendom waren van [eigenaar bedrijf 8] en per abuis zijn meegenomen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is van oordeel dat er sprake is van medeplegen van het delict door de feitelijk leidinggevers, [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Daarbij is een belangrijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. In casu is er sprake van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking waarbij door de drie betrokkenen een voldoende materiële bijdrage wordt geleverd. [verdachte] is degene die gezien wordt als degene die het binnen [bedrijf 2 verdachte] ‘voor het zeggen heeft’, en is in zoverre verantwoordelijk voor de administratie. Zijn vader [medeverdachte 2] is medebestuurder en brengt de boekhouding naar België. [medeverdachte 1] zorgt voor de administratie en brengt mede de boekhouding naar België. Ook is zij daarvoor aanspreekpunt. In het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 3 maart 2008 door [inspecteur politie] is het volgende opgenomen. Begin december 2007 belde [verdachte] op en gaf mij de naam en telefoonnummer door van ene [eigenaar bedrijf 8] die eigenaar zou zijn van het inbeslaggenomen vuurwerk. Op 7 december 2007 belde een man naar het LMIP en vertelde aan de daar dienstdoende collega [inspecteur politie 2] dat hij had gehoord dat iemand zijn vuurwerk had inbeslaggenomen en dat hij contact met die ambtenaar wilde. Ik verbalisant [inspecteur politie] heb een afspraak voor een verhoor op 13 december 2007 op het politiebureau te Hengelo met deze [eigenaar bedrijf 8] gemaakt. Van te voren had ik telefonisch afgesproken dat hij de eigendomspapieren en of rekeningen van het betreffende inbeslaggenomen vuurwerk mee zou nemen. Op 13 december 2007 omstreeks 10.00 uur hoorde ik op het politiebureau te Hengelo een man die mij opgaf te zijn: [eigenaar bedrijf 8] . Hij begon toen een korte verklaring af te leggen maar toen ik door ging vragen en zei hij dat hij nu weinig tijd had en liever terug kwam in het volgende jaar. Hij zei ook dat gezien de ernst van de situatie hij voor de volgende afspraak een raadsman wilde meenemen. Hij verklaarde dat hij een vuurwerkbedrijf in Lahn heeft en vuurwerk bunkers verhuurde o.a. bunker 7 tot eind van dit jaar aan de firma [bedrijf verdachte] . Hij had een partij vuurwerk van een Pool gekocht voor 1000 Euro. Hij wilde nu nog niet vertellen wie die Pool was en ook verklaarde hij dat hij niet precies wist wat voor vuurwerk het betrof. Het zat volgens hem in zwart plastic verpakt. Het was door een domme fout van een personeelslid van [bedrijf verdachte] uit Lahn naar Nederland vervoerd. Hij had geen bewijsstukken zoals rekeningen of iets dergelijk. Het hof gaat aan de stelling dat het betrokken vuurwerk van bovengenoemde [eigenaar bedrijf 8] zou zijn voorbij. Daartoe stelt het hof vast dat
  64. a)[eigenaar bedrijf 8] geen facturen heeft dat hij het betreffende vuurwerk heeft gekocht,
  65. b)[eigenaar bedrijf 8] geen papieren heeft overgelegd waaruit blijkt dat het vuurwerk naar de betreffende bunker in Lahn vervoerd is, en
  66. c)[eigenaar bedrijf 8] het betreffende vuurwerk niet bij de Nederlandse autoriteiten heeft opgevraagd. Daar komt bij dat [eigenaar bedrijf 8] een opslagplaats heeft in Lahn, terwijl gezien de verklaringen van de chauffeurs het vuurwerk in Lindern is opgehaald. Daarbij overweegt het hof dat de stelling dat uit de bovenstaande bewijsmiddelen naar voren komt dat [verdachte] aanwezig was bij het laden, zodat het niet voor de hand ligt dat er per ongeluk verkeerde goederen worden geladen. Tenslotte overweegt het hof dat bij aankomst in Uden de chauffeur [chauffeur] een gesprek beluistert waarin gezegd wordt dat de mensen van de inspectie moeten worden weggelokt om de voorste pallets uit te laden. Deze uitlatingen duiden er niet op dat de pallets van een ander zouden zijn en per ongeluk voorin de container geladen. Wanneer dit het geval zou zijn geweest, zou men eerst op de hoogte zijn gekomen van de aanwezigheid van de pallets na het uitladen en een dergelijke uitlating dus niet hebben kunnen doen. Verweer De verdediging heeft betoogd dat de herkenning door [chauffeur] van [verdachte] op een vergissing berust, gelet op de verklaring van [chauffeur] . Het hof acht de herkenning door [chauffeur] echter overtuigend en redengevend, ook de foto-identificatie, al voldoet die niet aan eisen voor fotoconfrontatie, zoals deze in Richtlijnen ter zake zijn vastgelegd. [chauffeur] geeft immers zoveel details betreffende deze persoon (leidinggeven, type auto, aanwezigheid in Lindern, maar ook in Uden, aanwezigheid in de kantine, gesprek over de twee containers), dat het hof uit dat geheel afleidt dat de identificatie van [verdachte] de juiste is. Dat [chauffeur] [verdachte] niet heeft gezien, kan onder meer verklaard worden uit het feit dat de plekken waar de auto’s zich bevonden niet exact dezelfde waren ( [chauffeur] laadt bijvoorbeeld bij de loods waar ook gelost was, [chauffeur] lost bij een loods en laadt bij de garage, waar ook de wagen van collega [chauffeur] stond). Verweer De verdediging heeft, ook in hoger beroep, aangevoerd dat de meldingsplicht op de vervoerder rust en dat het verwijt verdachte daarom niet treft. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De advocaat-generaal heeft, onder verwijzing naar het vonnis waarvan beroep, betoogd dat de meldingsplicht wel degelijk op de verdachte(
  67. n)rustte(n). Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof begrijpt dit verweer als bewijsverweer, te weten als ontkenning van het tenlastegelegde “degene die … binnen het grondgebied van Nederland bracht”, welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit. Het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33, inwtr. 1 maart 2002), artikel 1.3.2 hield, voor zover voor de beoordeling van belang, tussen 22 september 2006 en 4 juli 2010 het volgende in: 1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan.(…) (…) 4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt; b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht; c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt; d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding; e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd; f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland. In dit artikel en in de Nota van Toelichting bij het artikel ontbreekt een eenduidige aanwijzing van degene die moet melden. Wel bevat de NvT de volgende volzin: Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat de importeur van vuurwerk – ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt – de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (…) Voor het oordeel dat met ‘de importeur’ niet (louter) de vervoerder is bedoeld vindt het hof bovendien steun in het volgende. Het voorgaande Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (Besluit van 4 februari 1993, Stb. 1993, 215) hield in artikel 6 een vrijwel gelijke meldingsplicht in bij invoer en uitvoer. Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen: Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen. Art. 24 van die wet, waarop de betreffende bepaling van het Vuurwerkbesluit en van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen is gebaseerd, hield tot 30 mei 2008 het volgende in: 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren , toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren , uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten. 2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende: i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens; terwijl het overeenkomende artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer inhoudt: 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zullen ontstaan, regels worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren , toepassen, bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren , uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen, preparaten of organismen. 2 Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende (…) i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, of een voornemen tot het verrichten van die handelingen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens; De betreffende artikelen noemen dus ‘vervoeren’ naast ‘invoeren’ en ‘uitvoeren’. Tenslotte is van belang dat de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit genoemde gegevens die gemeld moeten worden, bij uitstek gegevens zijn waarvan de importeur van het vuurwerk op de hoogte is. Het hof beschouwt op grond van het voorgaande de importeur, zijnde [bedrijf verdachte] ., als normadressaat van de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit opgenomen meldingsplicht en dus als ‘degene die vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland brengt’. Dat deze anderen kan inschakelen voor uitvoeringshandelingen of naar de voorziene plaats en tijdstippen bij de vervoerder moet informeren doet daar niet aan af. Dat verdachte opdrachtgever van de importeur was is door de verdediging niet betwist. Ten overvloede stelt het hof vast dat [verdachte] en – volgens hem ook – [medeverdachte 1] zich (namens [bedrijf verdachte] .) ook als melder hebben gedragen, nu [verdachte] met betrekking tot de melding van het onder 1 tenlastegelegde transport aan de verbalisanten heeft meegedeeld, dat de containers per vergissing niet waren gemeld en vervolgens (na ruggespraak) dat [medeverdachte 1] de meldingen zou ‘aanvullen’. Het hof verwerpt dus het verweer van de verdediging. Conclusie feit 2 en 3 Het hof acht gelet op voornoemde bewijsmiddelen ter zake feit 2 en 3 bewezen dat [bedrijf verdachte] . deze feiten heeft gepleegd. Het hof verwijst hierbij naar het juridisch kader zoals hierboven uiteengezet. Ook dit betreffen gedragingen die binnen de sfeer van de rechtspersoon liggen. Medeplegen Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een belangrijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
  68. re)rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411). Uitgaande van bovenstaand toetsingskader komt het hof tot het oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen van verdachte met medeverdachte [bedrijf verdachte] . [verdachte] was direct betrokken bij de getransporteerde pallets en bij het opstellen en het invullen van de CMR. [verdachte] wist dat de CMR vals was. Hij wist dat de twee pallets ‘fout’ waren, in die zin dat het geen 1.4G vuurwerk betrof, terwijl op die CMR 1.4G was ingevuld. Door de chauffeur vervolgens op weg te sturen met de valse CMR, heeft [verdachte] van die valse CMR gebruik gemaakt. Het bedrijf [bedrijf verdachte] . organiseerde het transport tot het ophalen van het vuurwerk in Lindern in het kader waarvan het strafbare feit kon worden begaan. In de samenwerking tussen beiden kon het feit worden begaan. Hij heeft daarmee het feit medegepleegd zoals primair tenlastegelegd. Verweer Door de raadsman is betoogd dat de CMR door [chauffeur] is ingevuld en gebruikt en [verdachte] hierbij geen enkele betrokkenheid heeft gehad. In de pleitnota is het volgende opgenomen: ‘De classificatie is dus door [chauffeur] zelf op de CMR vermeld, zonder dat iemand anders de classificatie aan hem heeft opgegeven. Ook is het [chauffeur] geweest die het document bij de controle van de containers ter inzage heeft aangeboden aan de opsporingsfunctionarissen. Nog los van de vraag of [verdachte] überhaupt aanwezig was in Lindern en zich heeft bemoeid met het invullen van de CMR, heeft hij dus in ieder geval geen enkele betrokkenheid gehad bij het invullen van de classificatie op de CMR, dan wel het afgeven van de CMR tijdens de controle van de containers. En de tenlastegelegde valsheid bestaat nu juist uit de vermelding van de onjuiste classificatie (!): ‘en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die CMR stond vermeld “1.4G Vuurwerk” terwijl (een deel van) het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1.4G vuurwerk was’. Het hof overweegt als volgt. Het verweer wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Immers, [chauffeur] heeft, zoals hiervoor reeds weergegeven, verklaard dat de man met de dikke auto hem opgaf wat er op de CMR moest staan en hij enkel de zin over autorisatie zelf op de CMR heeft gezet. Het hof leest op de CMR: 1 x Container CCLU710-719-0 SLC 835 cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G Vuurwerk N.E..Q. 126,92 kgs Classification recognised by the Authorities of Germany en begrijpt dat de getuige ‘Classification recognised by the Authorities of Germany’ uit eigener beweging heeft genoteerd en dat de overige informatie van de leidinggevende man afkomstig was. Eendaadse/meerdaadse samenloop De verdediging heeft aangevoerd dat de feiten 1, 2 en 3 steeds dezelfde, op 9 september 2007 in Uden aangetroffen, partij vuurwerk betreffen. Daarom concludeert de verdediging dat sprake is van eendaadse samenloop en toepasselijkheid van artikel 55 Sr. Het hof oordeelt als volgt. De regeling van de bepalingen van samenloop geeft uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer mag worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert. Het gaat daarbij met andere woorden om het voorkomen van – kort gezegd – onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten. Volgens inmiddels bestendige jurisprudentie geldt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068). In het onderhavige geval oordeelt het hof als volgt. Het gaat om het opzettelijk niet melden van vuurwerk binnen Nederland brengen, het feit dat een deel van dat vuurwerk van dat binnen Nederland gebrachte vuurwerk bewust niet aan de eisen voldeed en gebruik maken van een CMR die onjuist was. Deze feiten hebben in (ieder geval deels) gelijktijdig en op dezelfde locatie plaatsgevonden en zijn (deels) voortgekomen uit een wilsbesluit. Wat betreft de strekking van de bepalingen geldt het volgende. Het doel van het Vuurwerkbesluit in het algemeen is ‘(…) betere waarborgen te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. Het gaat in dit verband zowel om de bescherming van de bevolking in de omgeving van een inrichting waar vuurwerk aanwezig is, de bescherming van toeschouwers die aanwezig zijn bij een evenement of voorstelling waarbij professioneel vuurwerk wordt afgestoken, de bescherming van mensen bij het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling, als om de bescherming van personen die werkzaam zijn bij een bedrijf waarin handelingen worden verricht met professioneel vuurwerk’.‘De voorschriften inzake consumentenvuurwerk strekken ertoe het aantal ongevallen met dat vuurwerk en de ernst van letsel en schade die daarbij kunnen ontstaan, terug te dringen. In verband hiermee zijn de voorschriften er tevens op gericht om op doeltreffende en doelmatige wijze tegen de illegale vuurwerkhandel op te kunnen treden. Hiertoe strekken in het bijzonder de verplichte melding van vuurwerk, voorafgaand aan de in- en uitvoer en de aflevering daarvan’. Eisen aan consumentenvuurwerk (feit 2) dienen dus de veiligheid en de meldplicht strekt tot handhaving van onder meer die eisen. De door artikel 225 Sr beschermde belangen zijn algemener: ‘het vertrouwen dat men in de juiste inhoud van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen en daarnaast het voorkomen dat door (gebruik van) de onware inhoud nadeel kan ontstaan’. Naar het oordeel van het hof loopt de strekking van deze bepalingen in zodanige mate uiteen, dat gekwalificeerd moet worden als meerdaadse samenloop. Gelet op het strafmaximum (voor elk van de feiten 6 jaar gevangenisstraf) heeft dat op de strafoplegging overigens een te verwaarlozen effect. Ter zake feit 4 primair en subsidiair (zaak 3): Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen. Omstreeks 9 juni 2008 zijn drie containers met vuurwerk via de haven van Antwerpen Europa binnengekomen en vervolgens omstreeks 12 juni 2008 over de weg vervoerd naar een opslaglocatie te Lahn (Duitsland). Dit betroffen de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063. Op de packinglists en vrachtbrieven stond als afzender Hong Kong Eastar International Ltd. te Hong Kong en als ontvanger [bedrijf 3] . te Engeland. Op 18 juni 2008 zijn in Antwerpen twee containers met nummers CCLU6596060 en CCLU6350380 met in totaal 46 ton aan vuurwerk in beslag genomen door de Belgische autoriteiten, omdat op de containers en dozen de classificatie 1.4G was vermeld, terwijl uit controle bleek dat het vuurwerk geclassificeerd diende te worden als 1.1G. De eindbestemming van die containers was Lahn in Duitsland. Op de invoice (invoicenummer 80503024) van de containers met nummer CCLU6596060 en CCLU6350380 en de invoice (invoicenummer 80501007) van de containers met nummer CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063 was als geadresseerde steeds vermeld [bedrijf 3] ., 15 Iberianway, Camberley, Surrey GU 151 LZ. BTW GB 572810343. De firma [bedrijf 3] . heeft twee directieleden te weten [getuige 2] en [getuige 3] . Deze getuigen hebben verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] . waren het importeren en exporteren van banktechniek. Zij hebben nooit in vuurwerk gehandeld. Getuige [getuige 4] , bediende-expediteur van de firma [bedrijf 4] te Antwerpen , heeft op 15 juli 2008 en 9 december 2008 bij de Belgische politie verklaard dat hij bezoek kreeg van ene [pseudoniem verdachte] die de firma [bedrijf 3] . vertegenwoordigde. [pseudoniem verdachte] informeerde naar de kostprijs voor het inklaren van vijf containers die hij vanuit China verscheepte naar Antwerpen. Het zou gaan om een partij van respectievelijk drie en twee containers. [pseudoniem verdachte] is in totaal drie keer op het bureau geweest en heeft afzonderlijk documenten aangereikt voor het transport van de eerste drie containers en vervolgens voor de laatste twee containers. De behandelingskosten voor de eerste partij en het voorschot voor de tweede partij heeft [pseudoniem verdachte] cash betaald toen hij de laatste en derde keer langskwam. Dit was een bedrag van € 6.000,00. [bedrijf 4] verkreeg de documenten met het oog op de inklaring van de goederen, waaronder de invoice (1 per partij, invoice nrs. 80501007 en 80503024). De getuige omschreef [pseudoniem verdachte] als volgt: circa 1.80 à 1.82 cm groot, lang haar, blond/ros haar naar achter met een paardenstaart, casual gekleed en met Hollands accent. [getuige 2] en [getuige 3] , directieleden van de firma [bedrijf 3] ., hebben verklaard dat zij nooit hebben gehoord van [pseudoniem verdachte] en nooit zaken met hem hebben gedaan. Op 13 augustus 2008 werd op de kaai in Antwerpen een persoon waargenomen die voldeed aan het door eerder genoemde getuige [getuige 4] opgegeven signalement van de persoon die zich [pseudoniem verdachte] had genoemd. Deze persoon bleek te zijn genaamd: [medeverdachte 3] en was daar in een personenauto merk Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] , op naam gesteld van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] verklaarde dat hij de naam [pseudoniem verdachte] heeft gebruikt om het transport en lossing te regelen van twee containers met vuurwerk en dat hij de naam [pseudoniem verdachte] heeft gebruikt in alle correspondentie met de verschepers, inklaringsdiensten en in telefonisch contact met de Belgische politie. Nadat aan eerder genoemde getuige [getuige 4] een foto werd getoond van [medeverdachte 3] verklaarde hij dat dit de persoon was die in totaal drie keer bij [bedrijf 4] aan het bureau was geweest en zich voorstelde als [pseudoniem verdachte] . Volgens de CMR’s met nummers 571568, 571569, 571570, 571571 en 571572 treedt de Nederlandse onderneming [bedrijf 7] ., gevestigd te Berkel en Rodenrijs, op als agent van de afzender. Getuige [expediteur] , werkzaam voor [bedrijf 7] ., heeft op 17 juli 2008 ten overstaan van politieambtenaren verklaard (en op 11 juni 2009 in grote lijnen tegenover de rechter-commissaris bevestigd) dat [medeverdachte 2] enkele dagen voor 11 juni 2008 naar hem toe was gekomen met een onbekende man. [medeverdachte 2] stelde de man voor als een collega, genaamd [pseudoniem verdachte] en vroeg aan getuige [expediteur] of deze wilde bemiddelen voor [pseudoniem verdachte] . [expediteur] kreeg van [pseudoniem verdachte] onder andere het e-mailadres [email-adres]. [pseudoniem verdachte] vertelde hem dat hij namens [bedrijf 3] . binnen enkele dagen drie containers met vuurwerk verwachtte. In totaal verwachtte hij vijf containers met vuurwerk uit China per schip in de haven van Antwerpen. Op 12 juni 2008 zouden de eerste drie containers aankomen in de haven van Antwerpen en een week later de twee volgende containers. Deze moesten alle vijf naar bunkers in het Duitse Lahn worden gebracht om daar te lossen. Hij kreeg van [pseudoniem verdachte] een voorschot van € 5.000,00 contant. [medeverdachte 2] heeft op 24 juli 2008 ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat [pseudoniem verdachte] niet de echte naam van de man is, maar dat hij in werkelijkheid [medeverdachte 3] heet en dat hij met [medeverdachte 3] naar [expediteur] is gegaan en [medeverdachte 3] bij [expediteur] heeft geïntroduceerd. Hij heeft gehoord dat [medeverdachte 3] tegenover [expediteur] de voornaam [pseudoniem verdachte] gebruikte. Hij kent [medeverdachte 3] al een aantal jaren. [medeverdachte 3] verricht tijdens het vuurwerkseizoen werkzaamheden bij [bedrijf verdachte] . Het e-mailadres [email-adres] is op 23 mei 2008 aangemaakt door [naam] met een niet bestaande [postcode] , vanaf het IP-adres [IP adres] , zijnde het woonadres van [levenspartner verdachte] . Destijds was [levenspartner verdachte] de levenspartner van [verdachte] . Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij de naam [naam] wel eens gebruikte en dat hij eens in Duitsland een mobiele telefoon heeft gekocht en daarbij de naam [pseudoniem verdachte] heeft opgegeven. Op 2 juli 2008 en 18 juli 2008 ontving het Parket van de Procureur des Konings te Dendermonde een fax van [advocaat] namens [bedrijf 3] . De advocaat verzocht het beslag op te heffen omdat de verzender of de transporteur, China Shipping, abusievelijk verkeerde etikettering had aangebracht op de dozen. Hij heeft daarbij een fax gevoegd met Shipping info waarin is vermeld dat er een fout is gemaakt bij de productie van artikelen 6003, 4005 en 480 en dat de technisch specialist meer poeder in de artikelen heeft gedaan dan volgens zijn opdracht nodig was. Deze brief is vertaald door het Tolk- en Vertaal Centrum Nederland. Er is voor deze vertaling van het Engels in het Nederlands opdracht gegeven via het e-mailadres [email-adres]. De ondertekende opdracht is per fax verzonden vanaf de buren van de onderneming [bedrijf verdachte] ., te weten [bedrijf 8] . Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij wel eens gebruik heeft gemaakt van de fax van het bedrijf [bedrijf 8] en dat als iemand iets heeft gefaxt bij [bedrijf 8] , dat hij het dan is geweest. De drie containers die omstreeks 9 juni 2008 in de haven van Antwerpen binnenkwamen (met nummers CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063) zijn per vrachtwagen over de weg in België en Duitsland vervoerd en op 13 juni 2008 op een bunkercomplex in het Duitse Lahn gelost. De chauffeurs van de drie vrachtwagencombinaties hebben verklaard dat de containers werden gelost in twee bunkers, gelegen in het midden van een rij van meerdere bunkers. Elk van de drie chauffeurs heeft aan de hand van die luchtfoto een of meerdere bunkers aangewezen als de bunkers waarin de containers vermoedelijk zijn gelost. De door hen aangewezen bunkers zijn de bunkers die als 4e, 5e, 6e of 7e in de rij zijn gelegen. De drie chauffeurs verklaren allen dat bij het lossen een Nederlands sprekende man met een paardenstaart aanwezig was. Aan twee van de chauffeurs wordt door verbalisanten een foto van [medeverdachte 3] voorgelegd, waarop de beide chauffeurs verklaren dat dit de door hen beschreven man betrof. Alle negen bunkers in Lahn zijn op 9 juli 2008 door de Duitse autoriteiten doorzocht. Enkel in bunker 4 en bunker 6 werden vuurwerkartikelen aangetroffen die afkomstig kunnen zijn van de eerder genoemde drie containers. In bunker 4 werden 2410 dozen met Celebration Crackers 100.000 shot, artikelnummer T809 aangetroffen en in bunker 6 van datzelfde vuurwerkartikel 520 dozen, alle met gevarenetiket 1.4G. Volgens de packinglists van de naar Lahn vervoerde drie containers zaten in die drie containers in totaal 2795 dozen van dit artikel. De verpakkingen van de in bunker 4 en 6 in Lahn aangetroffen vuurwerkartikelen T809 vertonen voorts specifieke overeenkomsten met de verpakkingen van de vuurwerkartikelen uit de twee containers die op 18 juni 2008 in België in beslag zijn genomen. De fabriekscode, de ordernummers en de zogenoemde UN-nummers waren identiek. Op grond van deze overeenkomsten concludeert het hof, met de rechtbank, dat het in bunker 4 en 6 aangetroffen vuurwerk afkomstig is uit de drie containers die omstreeks 13 juni 2008 vanuit Antwerpen naar Lahn zijn vervoerd. Bunker 4 werd gehuurd door het bedrijf [bedrijf 9] . Volgens de Duitse politie bestaan tussen het bedrijf [bedrijf 9] en [bedrijf verdachte] nauwe zakelijke betrekkingen, in die zin dat [verdachte] als importeur voor [bedrijf 9] heeft opgetreden. Voorts heeft [expediteur] verklaard dat [bedrijf 2 verdachte] , met instemming van [medeverdachte 2] , ook voor het bedrijf [bedrijf 9] importeerde. Bunker 6 werd door [bedrijf verdachte] gehuurd van [bedrijf 10] van [eigenaar bedrijf 8] . De huur werd door de onderneming van [eigenaar bedrijf 8] gefactureerd aan [bedrijf 2 verdachte] . [verdachte] heeft op 15 juli 2008 gebeld met [eigenaar bedrijf 8] , de verhuurder van de opslagbunkers. In het gesprek deelt [verdachte] mee dat hij bij zijn loods in Lahn is geweest en dat hij heeft gezien dat de deuren zijn verzegeld. Daarna heeft [verdachte] diverse keren telefonisch contact met [politiecommissaris Duitsland] . In die gesprekken deelt hij mede dat bunker 6 en het vuurwerk 809 en 35 dat in die bunker ligt van hem is. Hij zegt dat het vuurwerk niet bestemd is voor de Nederlandse markt en dat hij eerst de ‘waar’ koopt in China en dan klanten zoekt. Op 17 juli 2008 vraagt [politiecommissaris Duitsland] in een telefoongesprek met [verdachte] om officiële papieren waaruit blijkt dat alles volgens de regels is geïmporteerd. [verdachte] zegt in dat gesprek dat niet [bedrijf verdachte] maar [bedrijf 2 verdachte] het vuurwerk heeft geïmporteerd. Als [politiecommissaris Duitsland] hem vraagt of [bedrijf 2 verdachte] ook een bedrijf van [verdachte] is, ontkent deze dat. Ook tijdens een later op die dag gevoerd telefoongesprek met [politiecommissaris Duitsland] , spreekt [verdachte] over [bedrijf 2 verdachte] alsof hij [bedrijf 2 verdachte] slechts als verkoper van de partij vuurwerk kent en op geen enkele andere wijze bij [bedrijf 2 verdachte] betrokken is. Zulks terwijl [verdachte] sinds 1 juli 2006 bestuurder van [bedrijf 2 verdachte] was. Door [verdachte] wordt later een fax gestuurd aan [politiecommissaris Duitsland] met een factuur d.d. 5 juli 2008 van de verkoop van het vuurwerk door [bedrijf 2 verdachte] aan [bedrijf verdachte] . De importdocumenten van het vuurwerk dat zich in bunker 6 bevond, zijn echter nooit aan de Duitse politie overhandigd, ondanks toezegging door [verdachte] . Conclusie feit 4 Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 3] de invoices die bij de vijf containers horen, al dan niet samen met ander(
  69. en)heeft bezorgd aan de [bedrijf 4] met het oog op het inklaren van het vuurwerk dat in die containers zat. Op die invoices stond als geadresseerde vermeld [bedrijf 3] . Deze firma heeft het betreffende vuurwerk echter niet besteld of gekocht en heeft ook anderszins niets met het vuurwerk te maken zodat de vermelding van [bedrijf 3] . op de invoices vals is. Aldus heeft [medeverdachte 3] bij het inklaren van de containers gebruik gemaakt van valse invoices. Hij heeft daarbij niet alleen gehandeld, maar heeft dit gedaan in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 3] maakte in zijn contacten met de expediteur [bedrijf 4] gebruik van de valse naam [pseudoniem verdachte] . [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 3] als [pseudoniem verdachte] geïntroduceerd bij [bedrijf 7] . met het oog op het vervoer naar Duitsland. [verdachte] heeft het e-mailadres [email-adres] aangemaakt en heeft met de Duitse politie gebeld om het beslag op de goederen ongedaan te maken. De omstandigheid dat [verdachte] in die gesprekken een mistgordijn optrok rondom de importeur van het vuurwerk en daarbij ontkende dat [bedrijf 2 verdachte] een bedrijf van hem is, acht het hof exemplarisch voor het verhullen van het verband tussen het in Lahn aangetroffen vuurwerk en de in de haven van Antwerpen aangekomen containers met als geadresseerde [bedrijf 3] . Aldus concludeert het hof dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de werkelijk belanghebbenden bij het vuurwerk in de vijf containers waren en dat zij, door [medeverdachte 3] bij de afhandeling van het transport naar voren te schuiven en hem hierbij gebruik te laten maken van een valse naam, opzet hebben gehad dat het vuurwerk met gebruik van valse invoices zou worden ingeklaard. Aan het einde van het vervoerstraject werd door [verdachte] gebruik gemaakt van de rechtspersonen [bedrijf 2 verdachte] en [bedrijf verdachte] , waarvan hij bestuurder was. [bedrijf 2 verdachte] werd gebruikt om een andere herkomst van (een deel van) het vuurwerk voor te wenden. [bedrijf verdachte] stelde haar bunker ter beschikking voor de opslag. Daderschap van de rechtspersoon Juridisch kader Een rechtspersoon kan volgens bestendige jurisprudentie als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: - het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; - de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; - de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; - de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging. Het vuurwerk wordt opgeslagen in een bunker die is gehuurd door [bedrijf verdachte] , maar waarvan [bedrijf 2 verdachte] de rekening betaalde en daar ligt eveneens door [bedrijf 2 verdachte] geïmporteerde vuurwerk opgeslagen. [bedrijf 2 verdachte] werd gebruikt om een andere herkomst van (een deel van) het vuurwerk voor te wenden. Het met valse invoices ingevoerde vuurwerk wordt via het bedrijf [bedrijf 2 verdachte] “gemengd” met het reeds opgeslagen vuurwerk. Deze gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en is verricht door [verdachte] , zijnde een bestuurder van de onderneming. Deze gedragingen kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend. [bedrijf verdachte] stelde haar bunker ter beschikking voor de opslag. Ook deze gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en is verricht door [verdachte] , zijnde een bestuurder van de onderneming. De gedraging kan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend. Gelet op het voorgaande hebben [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [bedrijf 2 verdachte] en [bedrijf verdachte] het gebruik maken van de valse invoices medegepleegd. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij alle deelnemers een voldoende materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict hebben bijgedragen. Voor wat betreft het verweer dat [medeverdachte 2] niet als medepleger zou kunnen worden beschouwd, verwijst het hof naar de bovenstaande bewijsmiddelen. Daarbij wordt door het hof in bijzonder gewezen op het feit dat [medeverdachte 2] de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft geïntroduceerd bij [bedrijf 7] . met het oog op het vervoer naar Duitsland. [medeverdachte 3] hanteerde daarbij de naam ‘ [pseudoniem verdachte] ’. Hieruit komt naar voren dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van het onder valse naam (en dus valse invoices) importeren van het vuurwerk en het naar Duitsland te vervoeren. Door zo te handelen heeft [medeverdachte 2] met een materiële bijdrage van voldoende gewicht bijgedragen aan het delict. Het feit dat een deel van de handelingen die deel uitmaken van het medeplegen – handelingen van [medeverdachte 2] , maar ook van [medeverdachte 3] en [verdachte] – heeft plaatsgevonden na het moment waarop de invoices zijn afgegeven, maakt dit niet anders. Uit het samenstel van alle handelingen, ook die na het afgeven, is immers af te leiden dat sprake was van een vooropgezet plan van de betrokken medeplegers, waar het gebruik maken door afgifte aan [bedrijf 4] deel van uitmaakte, waarna de goederen konden worden ingevoerd, vervoerd en opgeslagen in Duitsland, waarna zij ter beschikking kwamen van verdachte, [bedrijf 2 verdachte] en de mededaders. Het hof zal partieel vrijspreken van het gebruik maken van valse CMR’s. Weliswaar was op die CMR’s eveneens als geadresseerde vermeld [bedrijf 3] ., echter uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat voornoemde verdachten betrokken zijn geweest bij het opmaken van de CMR’s of bij het afgeven van de CMR’s aan de transporteur. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat [bedrijf verdachte] . en [medeverdachte 1] het gebruik maken van de valse invoices hebben medegepleegd. Weliswaar spreekt [verdachte] op 17 juli 2008 tijdens een telefoongesprek met [medeverdachte 1] over een factuur die hij nodig heeft om aan de Duitse politie te laten zien, maar uit de reactie van [medeverdachte 1] kan niet worden afgeleid dat zij weet dat het gaat over deze transporten die met valse invoices hebben plaatsgevonden. Verweer Door de raadsman is – kort weergegeven – betoogd dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en de bedrijven [bedrijf verdachte] en [bedrijf 2 verdachte] , niets met deze transporten en dus ook niet met de valse invoices van doen hebben gehad. [medeverdachte 3] is benaderd door een persoon die zich [pseudoniem verdachte] noemde om containers in te klaren. Het hof verwijst voor de inhoud van het verweer naar de uitvoerige uiteenzetting op de pagina’s 23 tot en met 29 van de pleitnotitie. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. [medeverdachte 3] heeft aangevoerd dat hij in mei of juni 2008 bij de bunkers in Lahn aan het werk was en dat hij daar een persoon ontmoette die zich [pseudoniem verdachte] noemde en die hem vroeg om het transport en het lossen van vijf containers te regelen. [medeverdachte 3] heeft verklaard het regelen van het transport en het lossen op zich te hebben genomen en daarbij op advies van die persoon diens naam [pseudoniem verdachte] te hebben gebruikt. Om het transport te kunnen regelen had hij van die persoon de benodigde gegevens en € 18.000,00 tot € 20.000,00 gekregen. Hij vertrouwde deze persoon en had op dat moment geen reden tot argwaan. Het hof gaat aan deze verklaring als ongeloofwaardig voorbij en overweegt hiertoe het volgende. Zoals hierboven overwogen is de naam [pseudoniem verdachte] een van de namen die [verdachte] gebruikt in het kader van zijn handel via [bedrijf 2 verdachte] . [verdachte] heeft onder andere in Duitsland een telefoon besteld op de naam ‘ [pseudoniem verdachte] ’. Daarbij komt dat het e-mailadres [email-adres] een e-mailadres is dat is aangemaakt op het IP-adres [IP adres] , zijnde het woonadres van [levenspartner verdachte] , de toenmalige levenspartner van [verdachte] . Wanneer [medeverdachte 3] in de haven van Antwerpen wordt aangehouden in verband met deze zaak, rijdt hij in een auto van de familie [bedrijf verdachte] . [medeverdachte 2] introduceert [medeverdachte 3] bij [expediteur] van het bedrijf [bedrijf 7] . Wanneer de containers worden vervoerd naar Duitsland gaan deze naar bunkers die door [bedrijf verdachte] en [bedrijf 9] worden gehuurd. [bedrijf verdachte] en [bedrijf 9] hebben nauwe zakelijke betrekkingen, in die zin dat [verdachte] als importeur voor [bedrijf 9] heeft opgetreden. Bij problemen omtrent de containers wordt een fax verzonden vanaf het adres van de buren van [verdachte] . Het is [verdachte] die opbelt naar de beslagleggende Duitse instanties wanneer een van de bunkers in Lahn wordt verzegeld. In de invoices wordt de naam [bedrijf 3] . valselijk gebruikt. Bij bespreking van de bewezenverklaarde feiten 10 tot en met 13 waarnaar het hof verwijst, komt naar voren dat [bedrijf 3] . een van de twee bedrijven was die [verdachte] valselijk als factuuradres hanteerde in het kader van het bedrijf [bedrijf 2 verdachte] . De persoon die zich volgens [medeverdachte 3] ‘ [pseudoniem verdachte] ’ noemde zou achteraf [getuige 5] moeten zijn, die een ‘gebrekkige’ arm heeft en hij zou ook als [getuige 5] later door [medeverdachte 3] zijn herkend. De als getuige gehoorde [getuige 5] heeft ontkend zich ooit [pseudoniem verdachte] te hebben genoemd en heeft verklaard dat de namen [medeverdachte 3] en [bedrijf 3] . hem niets zeggen. Het hof constateert dat nergens uit blijkt dat [getuige 5] bemoeienis heeft gehad met de bunkers in Lahn, het e-mailadres [email-adres] of de fax van de buren van de firma [bedrijf verdachte] , Tevens constateert het hof dat [getuige 5] zich nooit heeft gemeld in het kader van de verzegeling van de bunkers in Lahn. Ook is niet uit het dossier naar voren gekomen dat [getuige 5] zich ooit als [pseudoniem verdachte] heeft uitgegeven. Tenslotte komt uit het procesdossier niet naar voren dat [getuige 5] bemoeienis heeft gehad met het bedrijf [bedrijf 3] . Deze omstandigheden ondersteunen de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [getuige 5] . Daar komt bij dat [medeverdachte 3] bij zijn handelingen gebruik maakt van de naam ‘ [pseudoniem verdachte] ’, en niet van zijn eigen naam. Wanneer [medeverdachte 3] daadwerkelijk alleen maar op verzoek van een voor hem onbekende persoon handelde zou het voor de hand hebben gelegen zich als vertegenwoordiger van die persoon op te stellen. Dat die persoon gevraagd zou hebben zich onder zijn naam – ‘ [pseudoniem verdachte] ’ – voor te doen is daarvoor geen aannemelijke verklaring. Immers, wanneer het verhaal juist zou zijn en [medeverdachte 3] alleen maar moest optreden omdat zijn opdrachtgever in het buitenland was, zouden toch de personen met wie [medeverdachte 3] zaken moest gaan doen, hem onmiddellijk als niet zijnde [pseudoniem verdachte] herkennen. Ook dit aspect maakt de verklaring van [medeverdachte 3] naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig. [medeverdachte 3] maakt in het kader van deze opdracht gebruik van drie prepaid telefoons waarvan er één in een gierput zouden zijn gevallen. Wanneer [medeverdachte 3] gewoon handelde op basis van een verzoek van een derde, zou er niets aan in de weg hebben gestaan om van zijn eigen telefoon gebruik te maken. Van het door [medeverdachte 3] ter identificatie opgegeven telefoonnummer van [pseudoniem verdachte] verklaart hij zelf al aan de Belgische opsporingsinstantie dat dit niet werkte. Ook in verband met deze aspecten acht het hof de verklaring van [medeverdachte 3] ongeloofwaardig. Verder acht het hof ongeloofwaardig dat deze persoon, voor wie [medeverdachte 3] een volstrekt onbekende was, aan hem, [medeverdachte 3] , de beschikking gaf over vijf containers waarvan de inhoud een zeer grote waarde vertegenwoordigde. Ook de op geen enkele wijze verifieerbare omstandigheid dat deze persoon aan hem, [medeverdachte 3] , bij een volgende ontmoeting die twee weken later plaatsvond € 18.000,00 tot € 20.000,00 in contanten gaf, acht het hof ongeloofwaardig. Gezien ook de inhoud van de bewijsmiddelen die hierboven zijn weergegeven, gaat het hof aan dit verweer voorbij. Ter zake feit 5 primair en subsidiair en feit 6 primair en subsidiair (zaak 4): Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen. Op 10 december 2008 werden twee containers met vuurwerk, containernummers CCLU7201781 en CCLU6051619, gelost in de haven van Antwerpen. De invoice van deze containers was gericht aan [bedrijf 2 verdachte] . Het betreffende transport van de twee containers werd op 10 december 2008 door de Nederlandse politie gevolgd over Nederlands grondgebied. Gezien werd dat twee vrachtauto’s met de genoemde containers Nederland binnen reden via de grensovergang Hazeldonk en in de omgeving van Enschede de Nederlands-Duitse grens passeerden. Uit navraag bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt van het Ministerie van VROM bleek voor deze transporten geen melding te zijn gedaan, zoals voorgeschreven in artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Op 15 of 16 december 2008 werd een container met nummer CCLU6670758 in de haven van Antwerpen gelost. Op de CMR staat [bedrijf 2 verdachte] vermeld als afzender. Op maandag 15 december werd voor deze container het FLITS-systeem van het Ministerie van VROM geraadpleegd op een melding ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Hieruit bleek dat er voor deze container in het geheel geen melding was gedaan. Op 16 december werd door leden van het Observatieteam van de politieregio Brabant Zuidoost gezien dat een trekker met oplegger, waarop container CCLU6670758 was geplaatst, vanuit België bij de grensovergang Hazeldonk Nederland binnenreed. Omdat nog steeds geen melding was gedaan ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 Vuurwerkbesluit werd de container gecontroleerd door de Vliegende Brigade Vuurwerk. Bij de controle werden twee soorten vuurwerk aangetroffen en beoordeeld, te weten artikelnummer 994 en 6634. Na de controle en het kopiëren van de begeleidende documenten werd de reis voortgezet en het transport gevolgd tot de grensovergang nabij Enschede. Uit de documenten bleek dat het in de container aanwezige vuurwerk allemaal zogenaamde flowerbeds betrof. Bij de documenten van de Belgische autoriteiten zat een blad waarop de contactgegevens van [bedrijf 2 verdachte] gedrukt waren. Op dit formulier was met pen de naam [naam] , het hotmailaccount [emailadres bedrijf 2] en het Duitse telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld. Dit telefoonnummer was afgegeven aan: Naam: [pseudoniem verdachte] Voornamen: [pseudoniem verdachte] Woonadres: [adres] Postcode: [postcode] Woonplaats: [woonplaats] Ten aanzien van het adres [adres] is op 14 januari 2009 tijdens een doorzoeking in het pand [adres bedrijf verdachte] , zijnde het vestigingsadres van de rechtspersoon [bedrijf verdachte] ., een aantal kassabonnen aangetroffen. Eén van deze kassabonnen betrof een aankoop op 26 mei 2008 van 4 stuks ‘Transact D2’ en 2 stuks ‘Motorola W180 Callya’ (GSM). Deze goederen zijn gekocht bij de firma [bedrijf 11] De getuige [getuige 6] , directeur van [bedrijf 12] ., verklaarde dat hij begin december 2008 opdracht gekregen had van [getuige 7] van de [bedrijf 13] voor het transporteren van een aantal containers met vuurwerk vanaf de haven in Antwerpen, naar een bunkercomplex in het Duitse Winsen am Aller. [getuige 7] gaf aan dat [bedrijf 2 verdachte] de afzender van het vuurwerk en tevens de losreferentie in Duitsland was. Aan de hand van de gegevens die hij van de [bedrijf 13] heeft gekregen, heeft zijn bedrijf de CMR’s ingevuld. Het vervoer van de containers met nummers CCLU7201781, CCLU6051619 en CCLU6670758 is door [bedrijf 12] . geregeld. De getuige [getuige 7] , directeur van de [bedrijf 13] , heeft op 24 april 2009 ten overstaan van de Belgische politie verklaard dat hij eind november 2008 gebeld werd door een man die zich voorstelde als [naam] van de firma [bedrijf 2 verdachte] uit Luxemburg. Hij wilde een aantal containers met vuurwerk laten inklaren en transporteren naar Duitsland. Alle documenten van de containers heeft hij per fax ontvangen. De faxberichten waren afkomstig van [bedrijf 8] met het Nederlandse nummer [telefoonnummer] . Hij had op een papier het telefoonnummer [telefoonnummer] en het e-mailadres [emailadres bedrijf 2] geschreven. Hij had deze gegevens telefonisch doorgekregen van [naam] . [naam] had hem het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer] gegeven waarop hij bereikbaar was. [naam] heeft hem gebeld met gebruikmaking van het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer] . Er waren drie mannen namens [bedrijf 2 verdachte] , ieder afzonderlijk, bij hem geweest met papieren van de vuurwerkcontainers en met contant geld voor de betaling van de bewezen diensten. Geen van deze drie mannen had de stem van [naam] . Toen aan de getuige foto’s van een aantal personen werden getoond, herkende hij twee van de drie mannen, namelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Hij herkende [medeverdachte 3] aan zijn rossig haar met paardenstaart. Hij herkende [medeverdachte 2] aan zijn imposante snor. Vergissing was uitgesloten. Er was tweemaal een derde persoon namens [bedrijf 2 verdachte] bij [bedrijf 13] geweest die zich had voorgesteld als [naam] . Ook deze heeft betalingen verricht en documenten zoals een Bill of Lading gebracht. Alle gelden zijn door [bedrijf 2 verdachte] contant betaald aan het kantoor van [bedrijf 13] . Hij heeft via het opgegeven e-mailadres [emailadres bedrijf 2] gecorrespondeerd met [bedrijf 2 verdachte] over de juiste afhandeling van de BTW in Luxemburg. De door de getuige genoemde rechtspersoon [bedrijf 8] en het gebruikte nummer [telefoonnummer] , is gevestigd te Uden op het adres [adres] . Dit pand is direct gelegen naast dat van [bedrijf verdachte] . [verdachte] heeft ter terechtzitting van 26 oktober 2012, hetgeen hij ter terechtzitting van 21 september 2020 in hoger beroep heeft bevestigd, onder meer verklaard dat [bedrijf 2 verdachte] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Hij heeft voorts verklaard dat het klopt dat hij zich tegenover de heer [getuige 7] van de [bedrijf 13] heeft uitgegeven voor [naam] van [bedrijf 2 verdachte] en het zou kunnen dat hij een fax heeft verstuurd via de fax van de buren, te weten [bedrijf 8] . Als er iemand iets gefaxt heeft, is hij het geweest. Het klopt ook dat hij een Duitse mobiele telefoon heeft gekocht bij de [bedrijf 11] en daarbij de naam [pseudoniem verdachte] heeft opgegeven. Verweer De verdediging stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte 2] niet als medepleger van feitelijk leidinggeven aan de gedragingen van [bedrijf 2 verdachte] kan worden aangemerkt. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] niet wisten en niet konden hebben geweten dat het vervoer van de genoemde containers door Nederland zou gaan. [verdachte] was namens [bedrijf 2 verdachte] de opdrachtgever voor de genoemde transporten en het was hem niet bekend dat het vervoer door Nederland zou plaatsvinden. Daarmee kan opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet worden aangenomen waardoor – naar het hof begrijpt – de opzetvariant van het onder feit 5 en 6 tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verplichting om de melding ex artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit te doen rust op de vervoerder. Verdachten waren niet de vervoerder. Voor het niet melden zijn verdachten daarom niet strafbaar en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman op grond van het volgende. Voor wat betreft het verweer ter zake van de tenlastegelegde meldplicht, verwijst het hof naar hetgeen ter zake feit 1 op pagina’s 23-25 van dit arrest is overwogen. De importeur, in casu [bedrijf 2 verdachte] , is primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, zoals hiervoor is overwogen (al kan deze de melding door een ander doen uitvoeren). Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [bedrijf 2 verdachte] de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan. Deze gedraging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend. Ter zake van de andere verweren die zie op het ontbreken van opzet bij zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggevers, stelt het hof het volgende. Indien een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) – in casu [bedrijf 2 verdachte] – kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit omdat de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend, volgt, indien tenlastegelegd, de zelfstandige beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft. Het opzet van de rechtspersoon kan daarbij op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.3-3.5 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1-3.4.2). Het hof acht dat in het geval van [bedrijf 2 verdachte] het geval. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben samen opdracht dan wel feitelijk leiding gegeven aan de door [bedrijf 2 verdachte] verrichte verboden gedraging, zijnde het niet melden van het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van de container(
  70. s)met vuurwerk. [verdachte] heeft zoals eerder reeds aangegeven onder meer verklaard dat [bedrijf 2 verdachte] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Over de rol van [medeverdachte 2] merkt het hof nog op dat hij met het oog op de transporten de [bedrijf 13] heeft bezocht en dat hij als directeur bij [bedrijf 2 verdachte] mede verantwoordelijk is voor het niet melden van de transporten. [medeverdachte 2] heeft een zodanig initiatief genomen, dat hij wordt geacht leiding te hebben gegeven aan de verboden gedragingen van de onderneming waarvan hij bestuurder is. Het hof acht ter zake van de verboden gedraging, zijnde een nalaten, dat beiden ook bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en zulke maatregelen achterwege hebben gelaten waardoor het niet melden is bevorderd. Dat beiden daarbij wetenschap hadden van het niet melden volgt zowel uit de reeds aangehaalde verklaringen van [verdachte] , als de omstandigheid dat het hof van een ervaren vuurwerkhandelaar als [medeverdachte 2] verondersteld dat hij ten tijde van zijn handelen ter zake van het tenlastegelegde zich terdege bewust is geweest van de vigerende regelgeving en derhalve moet hebben geweten dat hij [bedrijf 2 verdachte] meldingsplichtig was. Het hof komt tot het oordeel dat er sprake is van het medeplegen van het feitelijk leiding geven van [verdachte] en [medeverdachte 2] . Er

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.