GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team handelsrecht zaaknummer 200.256.723/01 arrest van 11 februari 2020 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante,advocaat: mr. M.P. Poelman te Tilburg, tegen [geïntimeerde] , handelend onder de naam [Advocatuur en Mediation] Advocatuur en Mediation, wonende te [woonplaats] , geïntimeerde,advocaat: mr. G.L. Brokking-van Alphen te Valkenswaard, op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 februari 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen appellante (hierna [appellante] ) als gedaagde en geïntimeerde (hierna [geïntimeerde] ) als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7328976 CV EXPL 18-9550) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven tevens eis in reconventie, met producties; de memorie van antwoord tevens in reconventie, met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast. [geïntimeerde] heeft gewerkt als advocaat voor [appellante] vanaf februari 2018. Het ging bij dit werk om verschillende aspecten van de echtscheiding van [appellante] . [geïntimeerde] heeft de overeenkomst opgezegd in september 2018. [appellante] heeft een aantal facturen voor dit werk wel en een aantal niet betaald. 3.2. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd dat de kantonrechter [appellante] veroordeelt € 9.206,27 (voor de niet betaalde facturen en buitengerechtelijke kosten) te betalen, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding. 3.3. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vordering toegewezen. 3.4. [appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging en primair terugverwijzing naar de kantonrechter, subsidiair afwijzing van het door [geïntimeerde] gevorderde. In reconventie vordert [appellante] (kort gezegd) primair ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en terugbetaling van alles wat [appellante] [geïntimeerde] voor haar diensten heeft betaald, althans subsidiair de redelijke beloning van [geïntimeerde] te bepalen op € 10.000 en tot terugbetaling van het meerdere door [appellante] betaalde. [geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer en heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. 3.5. Artikel 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt in lid 1, laatste zin, dat het voor het eerst in hoger beroep instellen van een eis in reconventie niet is toegestaan. Dat lot treft de door [appellante] in dit hoger beroep voor het eerst ingestelde eis in reconventie. 3.6. Grief I is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om geen nader uitstel voor antwoord te verlenen. [appellante] betoogt dat zij in strijd met het rolreglement slechts één uitstel voor antwoord heeft gehad, dat haar verzoek om een tweede uitstel ten onrechte is afgewezen en dat zij wegens een dringende reden (ziekte van haar advocaat) aanspraak had op een tweede uitstel. [appellante] voert aan dat deze situatie grote gelijkenissen vertoont met een ontslag van instantie en dat er een terugverwijzing naar de kantonrechter dient plaats te vinden 3.7. Grief I faalt op grond van het volgende. Volgens vaste jurisprudentie wordt door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak naar de hogere rechter overgebracht ter beslissing door deze. Deze regel brengt mee dat de appelrechter in beginsel niet mag terugverwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Onverkorte toepassing van deze regel brengt weliswaar mee dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden berecht, doch nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden, dient voormelde regel steeds toepassing te vinden, met uitzondering evenwel van de gevallen waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 lid 2 Rv, hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil (vgl. HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0926 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:1993:ZC0926), NJ 1993/654, en HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0949 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:1993:ZC0949), NJ 1993/655). Met deze uitzonderingen kan op één lijn worden gesteld het geval waarin in eerste aanleg ten onrechte ontslag van instantie is verleend en waarin dus de rechter op louter processuele gronden eveneens niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen (HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857). Het hof verwerpt het betoog van [appellante] dat onderhavige rolbeslissing te vergelijken is met een ontslag van instantie als bedoeld in de door haar aangehaalde arresten. Dit hoger beroep is gericht tegen een einduitspraak, waarin de vordering van [geïntimeerde] , bij gebreke van door [appellante] (tijdig) gevoerd verweer is toegewezen. Geen van de in het arrest van 11 december 2009 genoemde uitzonderingen doet zich hier voor. 3.8. De strekking van grief II is dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar werk als advocaat, zodanig dat een ontbinding gerechtvaardigd is. De gestelde tekortkoming is gegrond op de stelling dat [geïntimeerde] onvoldoende voorlichting heeft gegeven over de kosten, de processtrategie, de proceskansen en de mogelijke consequenties van handelingen zoals het bewijsbeslag. [appellante] stelt daarnaast dat [geïntimeerde] excessief of onredelijk veel heeft gedeclareerd en zonder toereikende gronden de opdracht heeft opgezegd (waardoor bij de opvolgende advocaat meer kosten zijn gemaakt). 3.9. [appellante] heeft ter toelichting gewezen op de totale declaraties voor 127 uur en € 33.003,18 inclusief btw voor een periode vanaf februari tot in september 2018, plus € 2.200,00 voor kosten van derden zoals de deurwaarder. [appellante] stelt dat ondanks al deze inspanningen geen vooruitgang is geboekt in het conflict over de minderjarige zoon, kinder- en partneralimentatie, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (waaronder de aandelen in de onderneming van de man) en de verevening van pensioenrechten. [appellante] stelt dat de verhoudingen zijn verslechterd door het (op advies van [geïntimeerde] ) onder de onderneming van de man gelegde bewijsbeslag en dat [appellante] daardoor haar baan bij die onderneming (die de declaraties van [geïntimeerde] betaalde) kwijt is geraakt. [appellante] verwijt [geïntimeerde] (aan het begin van de relatie) geen inschatting te hebben gemaakt en geen voorlichting te hebben gegeven over de totale kosten, de vertraging, de proceskansen en de mogelijke consequenties van het bewijsbeslag. Volgens [appellante] was het bewijsbeslag onder die onderneming niet een logische stap (ook al werden stukken over het pensioen in eigen beheer en een door de man gestelde aflossing op de hypotheek uit een erfenis niet ontvangen) en heeft [geïntimeerde] verzuimd [appellante] uit te leggen dat een procedure nodig was om inzage te krijgen in de beslagen stukken. [appellante] verwijt [geïntimeerde] verder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.