← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2020:4212

Parketnummer : 20-004117-17 Uitspraak : 4 november 2020 VERSTEK (dnip) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-845674-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld ter zake van medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, met dien verstande dat het vonnis zal worden aangevuld met de beslissing dat het hof de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed gelast. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft onderdelen van de bewijsvoering, met aanvulling van een beslissing omtrent het beslag en met uitzondering voor wat betreft de opgelegde straf met dien verstande dat: - de overweging met betrekking tot de strafmaat wordt overgenomen en wordt aangevuld met onderstaande overweging omtrent de schending van de redelijke termijn. Het hof is voorts van oordeel dat de bewijsvoering niet dient te berusten op: p.2 de aanvulling bewijsmiddelen voor zover dit betreft de volgende passage van een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 12 september 2014 (p. 236 e.v.): “Wij hebben de man die bij ons was toen wij werden gecontroleerd, pas vandaag ontmoet op het vliegveld. Hij is ook zwart en spreekt Engels en zo kwamen we in contact met hem.”; p.3 de aanvulling bewijsmiddelen voor zover dit betreft de volgende passage van een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] d.d. 13 september 2014 (p. 229 e.v.): “Ik en mijn broer wisten niet dat het paspoort niet goed was.”; p.3 de aanvulling bewijsmiddelen voor zover dit betreft een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 13 september 2014 (p. 233 e.v.); p.5 de aanvulling bewijsmiddelen voor zover dit betreft het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 14 september 2014 (p. 253 e.v.). Op te leggen sanctie In aanvulling van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, overweegt het hof als volgt. Redelijke termijn in hoger beroep Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn in hoger beroep aangevangen op 28 december 2017, de dag waarop namens verdachte het hoger beroep is ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 4 november 2020. In hoger beroep is dus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 10 maanden. Ook in eerste aanleg was al sprake van een schending van de redelijke termijn met een jaar en drie maanden. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest. Beslag Het hierna te noemen in beslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon, merk Samsung, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurd verklaren. Het hof heeft bij zijn beslissing rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 33, 33a 47, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd het in beslag genomen, niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1.00 STK GSM (Mobiele telefoon) Kl: Zwart Samsung goednr 076452-2. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter, mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier, en op 4 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.