Parketnummer : 20-004008-18 Uitspraak : 5 oktober 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-994002-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1948, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.330.540,- en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. Namens verdachte is primair bepleit dat de vordering wordt afgewezen. Subsidiair is bepleit dat het bedrag wordt gematigd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen. Vordering De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.330.540,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 1.330.540,-. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebezigde bewijsmiddelen als bijlage 1 aan dit arrest gehecht. De inhoud van deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van 5 oktober 2020 van dit hof (parketnummer 20-000441-18) ter zake van onder meer oplichting binnen twee projecten (“ [project 1] ” en “ [project 2] ”) veroordeeld tot straf. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan. Standpunten De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroepen vonnis kan worden bevestigd en dat betrokkene derhalve uit de projecten [project 1] , [project 2] en [project 3] , alsmede uit de niet tenlastegelegde projecten [project 4] , [project 5] , [project 6] te Dongen, [project 7] te Breda en [project 8] te Breda voordeel heeft verkregen. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu betrokkene, aldus de verdediging, in de hoofdzaak dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde oplichtingen. Subsidiair is de verdediging van mening dat in geen van de niet tenlastegelegde projecten gebruik is gemaakt van oplichtingsmiddelen en dat deze projecten daarom geen soortgelijke feiten opleveren. De vordering moet voor zover betrekking hebbend op deze projecten dan ook worden afgewezen. De beoordeling door het hof Het hof heeft betrokkene bij eerdergenoemd arrest vrijgesproken van oplichting voor wat betreft het project [project 3] . Het hof is van oordeel dat onvoldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene dit strafbare feit heeft begaan. Dit feit zal derhalve niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden betrokken. Voor wat betreft de niet tenlastegelegde oplichting betreffende de projecten [project 4] , [project 5] , [project 6] te Dongen, [project 7] te Breda en [project 8] te Breda heeft de verdediging het verweer gevoerd dat er geen oplichtingsmiddelen zijn gebruikt en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze strafbare feiten door betrokkene zijn begaan. Hetgeen de verdediging ter nadere adstructie van dit verweer heeft aangevoerd, staat in de ter terechtzitting overlegde pleitaantekeningen, waarnaar het hof – voor zover relevant – verwijst. Met de verdediging is het hof van oordeel dat er ter zake van de niet tenlastegelegde oplichtingen betreffende de projecten [project 4] , [project 5] , [project 6] te Dongen, [project 7] te Breda en [project 8] te Breda, onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze strafbare feiten door betrokkene zijn begaan. Ook deze feiten zullen derhalve niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden betrokken. Schatting van het voordeel Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door het medeplegen van de oplichting in het kader van de projecten [project 1] en [project 2] een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging ziet het hof aanleiding om bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van de transactiemethode. Het in de strafzaak bewezenverklaarde witwassen zal in de berekening verder buiten beschouwing worden gelaten. Bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoekt het hof, evenals de rechtbank, aansluiting bij de resultaten van de door forensisch accountant A.P. Don ingestelde onderzoeken naar de kosten en opbrengsten in relatie tot de aan- en verkoop van de voormelde projecten. Deze resultaten zijn hieronder schematisch weergegeven, waarbij de bedragen zijn afgerond op hele euro’s. Projectnaam Voordeel uit het project (opbrengst minus kosten) Ontvangen op rekening van [project 1] € 471.685 [bedrijf 1] B.V. [project 2] € 251.454 [bedrijf 1] B.V. Het hof stelt vast dat het met de oplichting verkregen voordeel (in eerste instantie) is ontvangen door de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het voordeel wordt uitgegaan van het voordeel waarvan kan worden gezegd dat de betrokkene – in casu [verdachte] – dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Het hof, met de rechtbank, is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin de bij voormelde rechtspersoon binnengekomen illegale geldbedragen successievelijk zijn uitgekeerd en vermengd zijn geraakt met legale gelden, niet meer individueel te traceren is welk gedeelte van die geldbedragen (uiteindelijk) daadwerkelijk door betrokkene is ontvangen. Het hof ziet aanleiding om uit te gaan van de methodiek van toerekening overeenkomstig het standpunt van de verdediging. Voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon volstaat vast te stellen dat 1.) die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon, 2.) hij over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken en 3.) het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon, welk voordeel de natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Niet ter discussie staat dat betrokkene ten tijde van de onderhavige strafbare feiten enig aandeelhouder/bestuurder was van [bedrijf 2] B.V. en dat deze vennootschap 50% aandeelhouder/bestuurder was van [bedrijf 3] B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder/bestuurder was van [bedrijf 1] B.V. De andere 50% aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 3] B.V. was [naam] , middels diens holding [bedrijf 4] B.V. Ten aanzien van [bedrijf 1] B.V. overweegt het hof, met de rechtbank, dat betrokkene en [naam] (via hun beider holdings en via [bedrijf 3] B.V.) over deze rechtspersoon ieder voor zich een gedeeltelijke en gezamenlijk de volledige zeggenschap hadden. Uit het dossier, in het bijzonder hun beider verklaringen, leidt het hof af dat zij beiden in samenspraak over het vermogen van de rechtspersonen konden beschikken en aldus in de positie waren om op elk gewenst moment te besluiten de helft van het voordeel naar zich toe te halen. Dat betrokkene en [naam] ervoor kozen om [bedrijf 1] B.V. management-fees te laten uitkeren aan [bedrijf 3] B.V., die vervolgens aan hun beider holdings werden uitgekeerd, maakt dat het verkregen voordeel tot het eigen voordeel van betrokkene strekte dan wel kon strekken. Op grond van het voorgaande ziet het hof, in navolging van de rechtbank, aanleiding om de helft van het door [bedrijf 1] B.V. wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene toe te rekenen. Vaststelling geschat wederrechtelijk verkregen voordeel Concluderend wordt het totale door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op (€ 471.685,00 : 2 =) € 235.842,50 + (€ 251.454,00 : 2 =) € 125.727,00 = € 361.569,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.