GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 27 februari 2020 Zaaknummer: 200.255.722/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/342901 / FA RK 18-1552 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.A. Remport Urban, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] verweerder, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. C.G.M. Baas. Als belanghebbende wordt aangemerkt: - William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. Deze zaak gaat over: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 4 december 2018. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 maart 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek beëindiging gezag alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2019, heeft de vader verzocht het verzoek zijdens de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen als zijnde onbewezen dan wel ongegrond. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - partijen, bijgestaan door hun advocaten; - de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ; - de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de twee V-formulieren van 13 januari 2020 met bijlagen van de advocaat van de moeder. 3De beoordeling 3.1. Partijen zijn van 29 augustus 2003 tot 12 maart 2014 met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 27 februari 2014 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Tijdens het huwelijk zijn, voor zover in deze procedure van belang, geboren: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2)], op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] . De kinderen wonen bij de vader. De moeder is gerechtigd tot omgang met de kinderen iedere veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur, alsmede gedurende een deel van de schoolvakanties. 3.2. De kinderen staan sinds 27 maart 2012 onder toezicht van de GI, laatstelijk verlengd tot 27 maart 2020. Procedure eerste aanleg 3.3.1. Voor zover thans relevant, heeft de vader de rechtbank verzocht het gezamenlijk gezag van de ouders te wijzigen en te bepalen dat de vader voortaan alleen het gezag over de kinderen zal uitoefenen. 3.3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans relevant, bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan aan de vader alleen toekomt. 3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij, kort samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte opgemerkt dat de vader wordt gehinderd bij de uitoefening van zijn gezag. De vader heeft de moeder niet om toestemming gevraagd om met de kinderen op vakantie te gaan; hij is gewoon vertrokken. Dat de moeder niet zou willen meewerken aan het aanvragen van identiteitsbewijzen klopt ook niet. De moeder heeft in het verleden meerdere malen meegemaakt dat de vader misbruik maakte van haar persoonsgegevens, zodat zij niet zomaar een kopie van haar legitimatiebewijs durft te geven aan de vader. De rechtbank heeft ten onrechte opgemerkt dat het niet te verwachten is dat binnen afzienbare tijd verbetering zal komen in de onderlinge communicatie tussen de ouders en dat dit beëindiging van het gezag van de moeder rechtvaardigt. Er zijn stappen gezet in de goede richting waar de rechtbank geen c.q. onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Er is e- mailcommunicatie tussen de ouders tot stand gekomen en er worden belangrijke zaken rondom met name de medische toestand van [minderjarige 1] tussen de ouders uitgewisseld. De moeder doet haar best om de communicatie zo positief mogelijk te laten verlopen en laat zich hierin ondersteunen door de hulpverlening. De rechtbank legt niet uit waarom de wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige 2] zou zijn. Er zijn geen conflicten tussen de ouders benoemd door de rechtbank waardoor [minderjarige 2] klem of verloren zou raken tussen beide ouders. De moeder heeft geen enkele gezagsbeslissing tegengewerkt, iets wat de rechtbank lijkt te suggereren. Er is geen valide grond om het gezag over [minderjarige 1] te beëindigen en al helemaal niet over [minderjarige 2] . 3.5. De vader voert in zijn verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. Het overleg tussen de ouders is in de loop der tijd steeds minder structureel en constructief geworden en verworden tot een meer vrijblijvende en incidentele uitwisseling van informatie, vooral van de vader richting de moeder. Jarenlang heeft de moeder geen invulling meer gegeven aan een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij liet de meer belangrijke beslissingen zoals keuze voor hun middelbare school over aan de vader. Tevens geeft de moeder geen toestemming voor het aanvragen van een identiteitsbewijs. Dit heeft zes maanden geduurd. Nadat de GI een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven, is er toestemming verleend. Nu is het formulier onjuist ingevuld, omdat de handtekening niet overeenkomt met de handtekening op de oude identiteitsbewijzen. Ook geeft de moeder geen toestemming voor vakanties met de kinderen. Wijziging van het gezag is noodzakelijk in het belang van de kinderen. Partijen zijn al jaren uit elkaar en het is nooit gelukt om de communicatie te verbeteren. Er is meer rust bij de kinderen sinds het moment dat de gezagswijziging is uitgesproken. 3.6. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, geadviseerd om de bestreden beschikking te handhaven. Sinds de rechtbank het gezag bij de vader heeft neergelegd, is er sprake van een lichte verbetering. Er is weer omgang tussen de moeder en de kinderen. Dat moet geborgd worden en de kans krijgen om verder te groeien. De ondertoezichtstelling zal worden verlengd; er moet nog veel werk worden verricht. Eenhoofdig gezag heeft nooit de voorkeur, maar binnen deze gegeven omstandigheden was het nodig, omdat de kinderen klem en verloren zaten. 3.7. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat de kinderen hun moeder nu weer zien en dat dat het belangrijkste is. Binnen de omgangsregeling wordt gewerkt met kleine stapjes. Sinds de vader alleen het gezag heeft, zijn de kinderen meer ontspannen en ook op school ontwikkelen ze zich positief. Er is meer rust bij de kinderen gekomen, al heeft deze rechtszaak weer spanningen veroorzaakt. De GI maakt zich zorgen over de negatieve uitwerking hiervan op de kinderen. Het hof overweegt het volgende. 3.8.1. Het hof stelt vast dat de moeder en de vader na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen zijn blijven uitoefenen. 3.8.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 1:253n BW lid 2 bepaalt dat artikel 1:251a BW lid 1 van overeenkomstige toepassing is. Dat houdt in dat de rechter kan bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt als:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.