Parketnummer: 20-002111-18 Uitspraak: 10 februari 2020 TEGENSPRAAK (art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland- West-Brabant van 13 juni 2018 in de strafzaak met het parketnummer 02-665256-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan, kort gezegd, het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1), mishandeling van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 2), huisvredebreuk (feit 3) en beschadiging van de gsm van die [slachtoffer 2] (feit 4). De rechtbank heeft de verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen bij preliminair verweer namens de verdachte naar voren is gebracht en van het standpunt dienaangaande van de advocaat-generaal. Standpunt van de raadsman en van de advocaat-generaal De raadsman van de verdachte heeft de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg ingeroepen en het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Zeeland- West-Brabant. De advocaat-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Overwegingen van het hof Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg stelt het hof het volgende vast. Blijkens de aan de inleidende dagvaarding gehechte SKDB-informatiestaat d.d. 22 mei 2018 stond de verdachte sedert 20 juni 2017 in de Basisregistratie Persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres 1] . De dagvaarding van de verdachte tegen de terechtzitting van de rechtbank van 30 mei 2018 is blijkens de daarvan opgemaakte akte van uitreiking op 8 mei 2018 aangeboden op het door de bezorger op die akte ingevulde adres [adres 2] . Omdat er op genoemd adres niemand werd aangetroffen is de dagvaarding op het door de bezorger ingevulde adres niet uitgereikt en is een bericht van aankomst achtergelaten, waarin is vermeld dat de gerechtelijke brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kon worden afgehaald op het daarin genoemde (post)kantoor of politiebureau. De dagvaarding is niet afgehaald en op 17 mei 2018 geretourneerd aan de afzender. Vervolgens is de dagvaarding op 22 mei 2018 uitgereikt aan de griffier en is een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden naar het “aan de ommezijde vermelde adres van de geadresseerde”.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.