GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.248.245/01 arrest van 14 januari 2020 in de zaak van 1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] , 2. [de holding 1] Holding B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. V.O.F. [de vof 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , appellanten, hierna aan te duiden als [appellanten c.s.] (enkelvoud), advocaat: mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [de holding 2] Holding B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] , 4. [de holding 3] Holding B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 5. [de holding 4] Holding B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 6. V.O.F. [de vof 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 7. V.O.F. [de vof 3] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s., advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel, in welk kort geding zijn toegelaten om tussen te komen ex art. 217 Rv 1 [trade] Trade B.V., 2. [pelscentrale] Pelscentrale B.V., 3. [personeels] Personeels B.V., 4. [varkenshouderij ] Varkenshouderij B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , tussenkomende partijen, hierna aan te duiden als [trade, pelscentrale, personeels en varkenshouderij c.s.] , advocaat: mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 november 2018 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/333315 / KG ZA 18-213 gewezen vonnis van 25 mei 2018. Het hof zal de nummering van de paragrafen in genoemde arrest hierna voortzetten. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 20 november 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2019; de memorie van grieven met producties/eiswijziging; de memorie van antwoord met producties; de bij brief van 18 oktober 2019 door mr. Van Kessel toegezonden productie, die bij het pleidooi bij akte in het geding is gebracht; de bij brieven van 17 oktober 2019 door mr. Papeveld toegezonden producties, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht; het pleidooi van 31 oktober 2019, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd. Op de zitting van 31 oktober 2019 heeft mr. Papeveld verzocht producties 68 tot en met 71 in het geding te mogen brengen, die op voorhand niet tijdig (te weten bij brief van 29 oktober 2019) zijn toegezonden. Daartegen heeft mr. Van Kessel bezwaar gemaakt. Gelet op het tijdstip van toezending en de aard en omvang van de producties, heeft het hof deze geweigerd, zodat deze geen deel uitmaken van de gedingstukken. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De beoordeling 6.1. Het hof constateert met partijen dat de tussenkomende partijen geen vordering hebben ingesteld, zodat zij niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. 6.2. In r.o. 2.1. tot en met 2.19. heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief I wordt deze vaststelling (gedeeltelijk) bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen. 6.2.1. [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en [appellant] zijn broers en zus van elkaar en tevens de vennoten van VOF [de vof 1] . 6.2.2. VOF [de vof 1] is onderdeel van de [de groep] Groep. Binnen de [de groep] Groep wordt een agrarische onderneming geëxploiteerd, die in ieder geval bestaat uit een nertsenfokkerij, een rundveehouderij en een varkenshouderij. De exploitatie van de rundveehouderij en de varkenshouderij is ondergebracht in VOF [de vof 1] . De exploitatie van de nertsenfokkerij is ondergebracht in VOF [de vof 3] . 6.2.3. In de dagelijkse praktijk houden [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] zich voornamelijk bezig met de exploitatie van de nertsenfokkerij en de rundveehouderij, terwijl [appellant] zich bezig houdt met de varkenshouderij. 6.2.4. Medio 2013 hebben partijen stappen gezet om tot een verdere herstructurering te komen van het agrarisch bedrijf met als uiteindelijk doel om een vermogensverdeling en splitsing van de locaties mogelijk te maken. Uitgangspunt daarbij is dat bij een eventuele splitsing aan ieder 1/3 deel van het totale vermogen toekomt. In dat kader hebben [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [appellant] in februari 2014 voor zich in privé en als bestuurder van hun persoonlijke holdings overeenkomsten gesloten met de besloten vennootschap [de holding 4] B.V., waarbij zij de aan ieder van hen toebehorende onroerende zaken aan [de holding 4] B.V. hebben verkocht. Levering heeft plaatsgevonden bij akte van 31 december 2015. 6.2.5. [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en [appellant] zijn via hun persoonlijke holdings (respectievelijk [de holding 3] Holding B.V., [de holding 2] Holding B.V. en [de holding 1] Holding B.V.) indirect aandeelhouders en indirect bestuurders van [de holding 4] B.V. De verstandhouding tussen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] enerzijds en [appellant] anderzijds is tijdens de herstructurering steeds verder verslechterd. Dat heeft op 12 september 2016 geleid tot het ontslag van [de holding 1] Holding B.V. als bestuurder van [de holding 4] B.V. 6.2.6. Tussen [appellant] en zijn persoonlijke holding enerzijds en onder meer [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] anderzijds is sinds 23 september 2016 een bodemprocedure aanhangig bij de rechtbank Oost-Brabant (C/01/314359/HA ZA 16-710). In die procedure strekken zowel de vorderingen van [appellanten c.s.] in conventie als de vorderingen van (onder meer) [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] in reconventie tot een ontvlechting door splitsing van de onderneming. Zowel [appellant] als [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] hebben daaraan ten grondslag gelegd dat de samenwerking binnen de [de groep] Groep tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] anderzijds duurzaam is ontwricht. In deze procedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 13 september 2017 – voor zover hier van belang – overwogen dat partijen het erover eens zijn dat een vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is en dat splitsing en ontvlechting van de [de groep] Groep onontkoombaar is. De rechtbank heeft tevens een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. 6.2.7. Bij vonnis in kort geding van 14 februari 2017 (hersteld bij vonnis van 9 maart 2017) is [appellant] in reconventie op vordering van (onder meer) [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] op straffe van een dwangsom (onder meer) veroordeeld gedurende die hierboven genoemde splitsingsprocedure elke bemoeienis met de nertsentak van de [de groep] Groep te staken en is hem verboden te verschijnen op een aantal locaties van de [de groep] Groep. In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 20 februari 2018 deze veroordeling met een beperkte aanpassing in stand gelaten. 6.2.8. Ter comparitie van 6 maart 2018 (in de bodemprocedure) hebben partijen procedure-afspraken gemaakt in het bijzonder over een deskundigenbericht met betrekking tot de waarde van de [de groep] Groep. Deze procedure-afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. 6.2.9. Bij tussenvonnis van 21 maart 2018 heeft de rechtbank in de bodemprocedure een onderzoek door deskundigen bevolen – kort gezegd – gericht op een waardering per 15 oktober 2018 van de [de groep] Groep als geheel en van de afzonderlijke bedrijven of entiteiten daarbinnen. 6.2.10. Bij e-mail van 23 maart 2018 heeft de advocaat van [appellanten c.s.] de ter comparitie van 6 maart 2018 gesloten overeenkomst ontbonden, omdat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. ter zake van de nakoming daarvan in verzuim zouden zijn. 6.2.11. Bij tussenvonnis van 11 juli 2018 heeft de rechtbank in de bodemprocedure deskundigen benoemd. 6.2.12. Bij verzoekschrift van 25 april 2018 heeft [appellanten c.s.] een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam opgestart. Bij beschikking van 1 oktober 2018 heeft de Ondernemingskamer onder meer het volgende overwogen. " Naar het oordeel van de Ondernemingskamer dienen partijen zich in te spannen om de door ieder van hen gewenste oplossing van hun geschillen te bereiken via de daartoe aanhangige procedure, te weten een splitsing van de [de groep] Groep door middel van de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant. In haar vonnis van 11 juli 2018 heeft de rechtbank al overwogen dat indien een partij niet voldoet aan de verplichting mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht. De nadelen verbonden aan een door de Ondernemingskamer thans te gelasten onderzoek – in de vorm van de door partijen daaraan te besteden tijd, aandacht en kosten en mogelijke complicatie en vertraging van de splitsingsprocedure – wegen zwaarder dan de voordelen van door een onderzoek te verkrijgen openheid van zaken. Nu de Ondernemingskamer geen onderzoek zal gelasten, zijn ook de verzoeken tot treffen van onmiddellijke voorzieningen niet toewijsbaar." 6.2.13. Op 22 augustus 2019 heeft de rechtbank in de bodemprocedure in aanwezigheid van de deskundigen een meervoudige comparitie van partijen gelast. Na debat tussen partijen wordt het volgende afgesproken: " 1. de rechtbank zal deskundige Van Helvoirt op de kortst mogelijke termijn verzoeken het rapport van de door hem verrichte inventarisatie ter beschikking te stellen van partijen, uiterlijk binnen twee weken na heden; 2. vier weken na heden levert de accountant van de respectievelijke vennootschappen de conceptjaarrekeningen 2015, 2016, 2017 en 2018 tot 15 oktober 2018 aan beide advocaten aan. Het betreft de enkelvoudige jaarrekeningen van VOF [de vof 1] , VOF [de vof 3] , [beheer] BV, [agrarische bedrijven] B.V., [melkveehouderij] B.V., [varkenshouderij ] Varkenshouderij B.V., [personeels] Personeel B.V., [pelscentrale] Pelscentrale B.V., [trade] Trade B.V., [de holding 4] B.V., [de holding 3] Holding B.V., [de holding 2] holding B.V. en [de holding 1] Holding B.V. aan beide advocaten aan. Voor zover nodig geeft [appellant] bij deze opdracht aan de accountant om de genoemde conceptjaarrekeningen voor [de holding 1] Holding B.V. op te stellen. Mr. Van Kessel zal 23 augustus 2019 aan mr. Schröder de naam van de betreffende accountant doorgeven; 3. aan de accountant zal door [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] in hun hoedanigheid van bestuurders van [de holding 4] BV ook worden verzocht onderzoek te doen naar de door [appellant] gestelde onttrekking van € 4.600.000,- in 2013; 4. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] leveren de schriftelijke opdrachtbevestiging van de accountant uiterlijk 19 september 2019 aan mr. Schröder aan; 5. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] zullen ervoor zorgdragen dat [appellant] uiterlijk 19 september 2019 de grootboekadministratie over de jaren 2015 tot en met 15 oktober 2018 kan inzien, hetzij digitaal, hetzij bij de accountant, gedurende de periode van vier weken, dus uiterlijk tot 17 oktober 2019; [appellant] zal ervoor zorgdragen dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] uiterlijk 19 september 2019 de financiële administratie van [de holding 1] Holding B.V. over de jaren 2015 tot en met 15 oktober 2018 kunnen inzien, hetzij digitaal, hetzij bij de accountant, gedurende de periode van vier weken, dus uiterlijk tot 17 oktober 2019; 6. partijen kunnen gelijktijdig tot 31 oktober 2019 de vragen en commentaren die zij hebben naar aanleiding van de conceptjaarrekeningen schriftelijk via hun advocaat voorleggen aan de accountant; 7. de accountant zal naar aanleiding daarvan uiterlijk 15 januari 2020 de conceptjaarrekeningen, de vragen en opmerkingen daarover van partijen, en zijn reactie en aanvullende toelichting toesturen aan de door de rechtbank benoemde deskundigen Verduijn en Van de Streek van Countus; 8. Countus zal de periode van 15 januari 2020 tot 2 februari 2020 benutten om de conceptjaarrekeningen en de vraagpunten te onderzoeken en zo nodig de accountant nader te bevragen; 9. Countus zal een conceptrapport betreffende de vermogensopstelling en de waardering opstellen en toesturen aan de advocaten van partijen; 10. partijen zullen uiterlijk vier weken na ontvangst van het conceptrapport gelijktijdig hun vragen en opmerkingen aan Countus doen toekomen; 11. vier weken na ontvangst van de vragen en opmerkingen van partijen zal Countus zijn rapport toesturen aan de rechtbank; 12. partijen zullen hun volledige medewerking verlenen aan de accountant en aan Countus waar het gaat om het aanleveren van de door hen gevraagde informatie; 13. partijen zullen zich onthouden van ongevraagde bemoeienis met de werkzaamheden van de accountant en de deskundigen. " 6.3.1. In de onderhavige procedure vorderden [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. in de eerste instantie in conventie samengevat, onder meer (voor zover in hoger beroep nog van belang), bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [appellanten c.s.] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de uitvoering van het vonnis van 21 maart 2018 en het aan dat vonnis ten grondslag liggende proces-verbaal van 6 maart 2018, en als [appellanten c.s.] niet binnen tien dagen medewerking verlenen, de deurwaarder te machtigen de complete administratie die aanwezig is bij [appellanten c.s.] inclusief geluidsdragers in beslag te nemen ten behoeve van het opstellen van de jaarrekeningen; [appellanten c.s.] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis medewerking te verlenen aan de machtigingen RVO dan wel alle andere instanties die nodig zijn ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening zoals bepaald in het proces-verbaal van 6 maart 2018, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten. 6.3.2. [appellanten c.s.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.3.3. [appellanten c.s.] vordert in reconventie, voor zover in hoger beroep van belang, samengevat, onder meer: [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om iedere vorm van bemoeienis met de varkenshouderij, de rundveehouderij en dus VOF [de vof 1] te staken en gestaakt te houden; [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen om binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis aan [appellanten c.s.] en VOF [de vof 1] : a. volledige en onbeperkte inzage te geven in de volledige administratie van de [de groep] ; b. volledige en onbeperkte inzage te geven in de administratie van [de holding 4] B.V., [personeels] Personeel B.V., [trade] Trade B.V., [pelscentrale] Pelscentrale B.V., [varkenshouderij ] Varkenshouderij B.V., VOF [de vof 1] en VOF [de vof 3] ; c. de inlogcodes van Accountview en de centrale server te verstrekken en deze ongewijzigd te houden; d. het recht te geven om van een en ander kopieën te maken; e. een en ander tot het proces van splitsing is voltooid, 3. met veroordeling van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten. 6.3.4. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.3.5. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft in het vonnis van 25 mei 2018 in conventie [appellanten c.s.] , kort samengevat, op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot nakoming van het vonnis van deze rechtbank d.d. 21 maart 2018 (zaak- en rolnummer C/01/314359 / HA ZA 16-710) en de in het proces-verbaal van comparitie d.d. 6 maart 2018 in die zaak vastgelegde procedure-afspraken, meer in het bijzonder door binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de gegevens te produceren waar door [accountants] Accountants om is verzocht bij brief van 9 maart 2018, welke brief als productie 9 bij dagvaarding door [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. in dit kort geding is overgelegd onder compensatie van de proceskosten. In vermeld vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellanten c.s.] in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten in reconventie. 6.4. [appellanten c.s.] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellanten c.s.] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. en tot het toewijzen van zijn bij memorie van antwoord gewijzigde vorderingen. Deze vorderingen luiden als volgt: [appellanten c.s.] verlof te verlenen tot volledige inzage in het – op grond van het beslagrekest d.d. 21 december 2017 en het op 8 januari 2018 verleende beslagverlof – gelegde bewijsbeslag, althans enige andere door uw hof in goede justitie te bepalen voorziening te treffen; [geïntimeerde 1] , [de holding 2] Holding B.V., [geïntimeerde 3] , [de holding 3] Holding B.V. en [de holding 4] B.V. hoofdelijk te veroordelen om aan het hiervoor onder 1 geformuleerde verlof tot inzage alle nodige medewerking aan [appellanten c.s.] en eventuele derden, zoals bijvoorbeeld bewaarders, te (blijven) verlenen, althans enige andere door uw hof in goede justitie te bepalen voorziening treffen; [geïntimeerde 1] , [de holding 2] Holding B.V., [geïntimeerde 3] , [de holding 3] Holding B.V. en [de holding 4] B.V. hoofdelijk te veroordelen om: - [appellanten c.s.] in het bezit te stellen van alle gegevens omtrent de herstructurering 2015, zoals onder meer, maar niet uitsluitend: * alle door notaris mr. [de notaris] in het kader van de herstructurering gepasseerde notariële aktes; * alle commerciële en fiscale openingsbalansen zoals benoemd door de heer [de accountant] van [accountants] in diens brief d.d. 31 juli 2018, p. 2 van 3 en onder sub 2 t/m 11 genoemd alsmede alle onderliggende en/of daarmee samenhangende berekeningen en/of daarmee samenhangende berekeningen en bescheiden; - [appellanten c.s.] volledig en blijvend (online) toegang te geven tot de volledige boekhouding van – alle entiteiten die behoren tot – de [de groep] Groep, tot en met het moment dat de in rechte uitgesproken splitsing van de [de groep] Groep in kracht en gezag van gewijsde is gegaan; - [appellanten c.s.] opgave te doen van de in 2018 aangehouden voorraden nertsenvellen onder afgifte van tellijsten; - [appellanten c.s.] in het bezit te stellen van alle actuele inlogcodes van de veilinghuizen waar vanuit de [de groep] Groep nertsenvellen zijn aangeboden; - onder bepaling dat [de holding 4] c.s. het wordt verboden om de inlogcodes verbonden aan de online boekhouding van – alle entiteiten die behoren tot – de [de groep] Groep en de nertsenhuizen na datum verstrekking aan [appellanten c.s.] te wijzigen; - althans enige andere door uw hof in goede justitie te bepalen voorziening te treffen; 4. [geïntimeerde 1] , [de holding 2] Holding B.V., [geïntimeerde 3] , [de holding 3] Holding B.V. en [de holding 4] B.V. te gebieden om iedere (vorm van) (in-) directe bemoeienis met en het beheer van de varkenshouderij, de rundveehouderij en (dus) de onderneming van de vennootschap onder firma VOF [de vof 1] te staken en gestaakt te houden, waaronder ook verstaan wordt het direct en indirect onderhouden van contacten met werknemers, het plegen van financiële transacties, het uitoefenen van directe of indirecte bemoeienis via gezamenlijke afnemers en leveranciers, het betreden en beheren van de locaties van de diverse onderdelen van VOF [de vof 1] en het beheer van bankrekeningen, totdat de in rechte uitgesproken splitsing van de [de groep] Groep in kracht en gezag van gewijsde is gegaan, althans enige andere door uw hof in goede justitie te bepalen voorziening te treffen; 5. bij overtreding van het onder 2 t/m 4 gevorderde [geïntimeerde 1] , [de holding 2] Holding B.V., [geïntimeerde 3] , [de holding 3] Holding B.V. en [de holding 4] B.V. hoofdelijk te veroordelen om aan [appellanten c.s.] een direct opeisbare dwangsom van € 25.000,- te voldoen, te vermeerderen met € 5.000,- per dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoen onder bepaling dat ten gunste van [appellanten c.s.] verbeurde dwangsommen niet voor (rechterlijke) matiging in aanmerking komen; 6. alles met veroordeling van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. (en niet ook VOF [de vof 1] ) (hoofdelijk) in de kosten van dit hoger beroep alsook in eerste aanleg, alsmede in de nakosten. 6.4.1. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen voormelde eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. 6.5. Met grief II klaagt [appellanten c.s.] erover dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. voldoende spoedeisend belang hebben bij het gevorderde. In de toelichting op deze grief stelt [appellanten c.s.] dat de voorzieningenrechter het spoedeisend belang heeft aangenomen op grond van de stelling van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. dat zij het risico lopen op boetes, indien de jaarrekeningen niet tijdig gereed zijn. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. hadden echter geen spoedeisend belang. Juist ter voorkoming van deze boetes hadden [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. eind 2017 en begin 2018 Van de Ven Accountants ingeschakeld die juist om deze reden voor hen tijdig voorlopige deponeringen over de jaren 2015 en 2016 had verzorgd teneinde de gevreesde boetes te voorkomen. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. konden dit ook voor het boekjaar 2017 doen, hetgeen ook is gebeurd. Kortom, ieder spoedeisend belang aan de zijde van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. ontbrak en ontbreekt, aldus [appellanten c.s.] . 6.5.1. De grief faalt. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Op zichzelf is juist dat de voorlopige cijfers tijdig zijn gedeponeerd, zodat het risico voor het eventueel opgelegd krijgen van boetes daarmee was afgewend. Dat neemt niet weg dat [appellant] , zoals [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. terecht aanvoeren, door zijn houding, die onder meer bestaat uit het vernietigen en/of buitengerechtelijk ontbinden van de procedure-afspraken, zoals die tijdens de comparitie op 6 maart 2018 in de splitsingsprocedure zijn gemaakt, de voortgang in de bodemprocedure heeft vertraagd en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s. er belang bij hebben dat deze splitsingsprocedure met een zekere voortvarendheid wordt gevoerd. Daarmee is het spoedeisend belang bij de vorderingen van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] c.s., die strekken tot nakoming van de in de bodemprocedure gemaakte procedure-afspraken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gegeven. 6.6. Grief III heeft betrekking op de nakoming van de afspraken d.d. 6 maart 2018. De voorzieningenrechter heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de afspraken d.d. 6 maart 2018 en het deel van het vonnis d.d. 21 maart 2018 dat daarop ziet, partijen nog binden. Wegens de terecht ingeroepen vernietiging en ontbinding van de overeenkomst d.d. 6 maart 2018, dat de basis vormt voor het vonnis van 21 maart 2018, is die overweging onjuist, aldus [appellanten c.s.] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.