GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.239.987/01 Arrest van 6 april 2021 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. E. Schouten te Breda, tegen Stichting [de Stichting], gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom. 1Het verdere geding in hoger beroep Dit blijkt uit: het tussenarrest van dit hof van 2 juni 2020 waarbij [geïntimeerde] is toegelaten tot getuigenbewijs; het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 augustus 2020; de memorie na enquête van [geïntimeerde] met producties; de antwoordmemorie na enquête. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De verdere beoordeling 3.1 Het hof begint met een korte samenvatting van het geschil in hoger beroep. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij in opdracht van [appellante] stukadoorswerk heeft uitgevoerd in het pand van [appellante] , maar dat [appellante] daarvoor verzonden facturen, ondanks aanmaning, onbetaald laat. [appellante] heeft als verweer gevoerd dat [geïntimeerde] bij haar zowel gewerkte uren als materiaal in rekening brengt, hoewel is afgesproken dat zij alleen het gebruikte materiaal zou betalen. Wat zij al heeft betaald dekt de kosten van het materiaal, zodat [geïntimeerde] niets meer te vorderen heeft. [geïntimeerde] heeft [appellante] gedagvaard voor de kantonrechter die, nadat en omdat [appellante] tegen de vordering geen verweer had gevoerd, de vordering heeft toegewezen, met uitzondering van de tevens gevorderde vergoeding van incassokosten. [appellante] is in de proceskosten veroordeeld. De enige grief van [appellante] tegen het vonnis legt het geschil, dat pas in hoger beroep volledig is omdat [appellante] eerst door de grief en de toelichting daarop tegen de vordering verweer heeft gevoerd, in volle omvang aan het hof voor. [geïntimeerde] heeft haar vordering in hoofdsom verminderd en de grondslag daarvan subsidiair vermeerderd met een beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Kern van het primaire geschil ligt in het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen. [geïntimeerde] stelt dat is afgesproken dat [appellante] zowel het materiaal als de gewerkte uren zou betalen, [appellante] stelt dat is afgesproken dat zij alleen het materiaal zou betalen. Nu de vordering van [geïntimeerde] ziet op betaling van beide en [appellante] weigert het deel gewerkte uren te betalen, dient te worden beoordeeld of de stelling van [geïntimeerde] dat ook voor arbeid betaald zou worden, juist is. Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast van die stelling rust. Vervolgens heeft het hof de feiten weergegeven waarvan kan worden uitgegaan en wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd als ondersteuning van haar stelling dat zij in het bewijs reeds is geslaagd. Ten slotte heeft het hof overwogen dat [geïntimeerde] de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst tussen partijen, namelijk dat voor zowel arbeidsuren als materiaal door [appellante] betaald zou worden, nog niet heeft aangetoond. Nu [geïntimeerde] ook van deze stelling uitdrukkelijk bewijs door bij naam genoemde getuigen heeft aangeboden, heeft het hof haar tot bewijs toelaten. Dit bewijs is ook van belang voor toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] op de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking omdat de gestelde verrijking als gevolg van in het pand van [appellante] uitgevoerd stucwerk gerechtvaardigd is wanneer [appellante] daarvoor al heeft betaald. Of dit het geval is, hangt af van de, door [geïntimeerde] gestelde en door haar te bewijzen, afspraak dat [appellante] naast het, door haar betaalde, materiaal ook de gewerkte uren zou betalen. 3.2 [geïntimeerde] heeft vervolgens drie getuigen doen horen: [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3/manager]. [appellante] heeft afgezien van het horen van getuigen. Daarna heeft [geïntimeerde] bij memorie na enquête nog producties in het geding gebracht. In haar antwoordmemorie na enquête heeft [appellante] ook op deze producties gereageerd. Daarbij heeft zij (onder 10) bezwaar gemaakt tegen, de hierna nog te bespreken productie 19, evenwel zonder dit bezwaar toe te lichten. Het hof gaat daarom eraan voorbij. 3.3 Het nu aanwezige bewijsmateriaal overziende en wegende, daarbij in ogenschouw nemende het daartegen door [appellante] gevoerde verweer, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] is geslaagd in het leveren van bewijs als hiervoor vermeld. Dit wordt als volgt toegelicht. 3.4 Op zichzelf en als uitgangspunt is aannemelijk dat [geïntimeerde] niet werk verricht zonder dat daarvoor volledig, dus ook de gewerkte arbeidsuren, wordt betaald. Dit wordt nog eens bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 1]. Maar het blijft mogelijk dat in dit geval anders is afgesproken. [appellante] stelt gemotiveerd dat dit het geval is geweest (mvg 9): een vriendin had aan haar verteld dat leerlingen van een stucschool uit [plaats] deze werkzaamheden in het kader van hun opleiding zouden kunnen uitvoeren om zo praktijkervaring op te doen. Er behoefde geen arbeidsuren te worden betaald, enkel de materiaalkosten. Dit financiële voordeel was voor [appellante] reden om contact op te nemen met de school in plaats van een professioneel stucbedrijf in te schakelen. [getuige 3/manager] bevestigde tijdens het telefoongesprek dat geen arbeidsuren in rekening werden gebracht en gaf te kennen dat het op deze manier een win win situatie voor alle partijen is, aldus [appellante] . Als productie 19 bij memorie na enquête heeft [geïntimeerde] echter overgelegd e-mails die op 17 en 18 februari 2017 zijn gewisseld tussen [getuige 3/manager] en bedoelde vriendin, [vriendin van appellante], waaruit blijkt dat [vriendin van appellante] met [getuige 3/manager] heeft afgesproken dat aan arbeid € 17,00 per uur per student zou worden betaald. In haar reactie op deze e-mails is geen verklaring van [appellante] te lezen waarom zij stelt dat zij van [vriendin van appellante] zou hebben vernomen dat deze geen arbeidsuren behoefde te betalen. Aan de aannemelijkheid van de door haar gestelde afspraak doet verder af dat zij ook als reden daarvoor aanvoert (mvg 10) dat [getuige 3/manager] heeft gesproken over het afrekenen met ‘gesloten beurs’: “zij zouden stuccen en [appellante] zou in ruil daarvoor een paar lezingen geven.”. [appellante] laat na te verklaren hoe deze reden zich verhoudt tot de andere reden, terwijl beide redenen zich zonder nadere verklaring niet met elkaar laten verenigen. Gevoegd bij wat in het tussenarrest is vermeld en overwogen is voor het hof het door [geïntimeerde] aangedragen bewijs nu wel voldoende om haar gelijk en daarmee het ongelijk van [appellante] bewezen te achten. 3.5 Dit betekent dat [geïntimeerde] recht heeft op betaling van de gewerkte arbeidsuren overeenkomstig de bevestiging van de afspraken in de mails van [geïntimeerde] van 8 mei 2017 en 29 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.